Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
201800658/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14624, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2016 heeft het college de verzoeken van [appellant] om handhavend op te treden tegen de bouw van een supermarkt op het perceel Kerkstraat 26/De Raaphorst 4 te Kwintsheul en om een bouwstop op te leggen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800658/1/A1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kwintsheul, gemeente Westland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2017 in zaak nr. 17/1415 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2016 heeft het college de verzoeken van [appellant] om handhavend op te treden tegen de bouw van een supermarkt op het perceel Kerkstraat 26/De Raaphorst 4 te Kwintsheul en om een bouwstop op te leggen, afgewezen.

Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2017 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en de projectontwikkelaar van de supermarkt, [bedrijf], gevestigd te Naaldwijk, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Poeran, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. J. Bouwman-Treffers, advocaat te Naaldwijk, als derde-belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1.    [appellant] woont sinds begin september 2016 in de woning aan de [locatie] te Kwintsheul. Deze woning is gelegen op de eerste etage van een appartementencomplex. Op het direct naast de woning van [appellant] gelegen perceel was op dat moment een supermarkt in aanbouw. Op 9 september 2016 heeft [appellant] het college verzocht om handhavend op te treden en een bouwstop op te leggen omdat het supermarktgebouw volgens hem hoger werd gebouwd dan op grond van de verleende omgevingsvergunning is toegestaan. Het dak van het supermarktgebouw komt tot boven de vensterbank van het keukenraam van de woning van [appellant] en belemmert hem het uitzicht. [appellant] ervaart hierdoor een verminderd woongenot en stelt dat zijn woning hierdoor minder waard geworden is.

2.    Het college heeft de verzoeken van [appellant] bij besluit van 15 september 2016 afgewezen. Het college heeft daartoe opgemerkt dat volgens de inmiddels onherroepelijk geworden omgevingsvergunning het supermarktgebouw 5250 mm hoog mag zijn en dat uit onderzoek ter plaatse is gebleken dat het gebouw daaraan voldoet. Ook voldoet het supermarktgebouw volgens het college aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Kwintsheul" (hierna: het bestemmingsplan). Het bezwaar van [appellant] heeft het college bij besluit van 17 januari 2017 ongegrond verklaard.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het beroep gegrond is en dat het besluit van 17 januari 2017 moet worden vernietigd omdat het aan dat besluit ten grondslag gelegde onderzoeksrapport van 13 september 2016 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens de rechtbank is daarin de hoogte van het supermarktgebouw niet bepaald volgens de regels van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het verzoek om handhaving evenwel in redelijkheid kunnen afwijzen, zodat de gevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bij het onderzoek ter plaatse op 29 mei 2017, waarvan het rapport van 30 mei 2017 door het college in beroep is overgelegd, wel volgens de regels van het bestemmingsplan is gemeten en dat daaruit blijkt dat het dak van het supermarktgebouw overal lager is dan 5250 mm, behalve op één punt dat is gelegen aan de overzijde van het dak ten opzichte van de woning van [appellant]. Handhavend optreden daartegen is volgens de rechtbank zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen van [appellant] dat het college daarvan heeft kunnen afzien. De omstandigheden waarom [appellant] om handhaving heeft gevraagd - een vermindering van zijn uitzicht en woongenot en een gestelde waardevermindering van de woning - worden immers niet anders wanneer het college handhavend optreedt tegen de geconstateerde overtreding, aldus de rechtbank. Daarbij heeft zij nog opgemerkt dat de hoogte van het dak binnen de grenzen van het bestemmingsplan past en dus kan worden gelegaliseerd.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel heeft toegespitst op de vraag wat het peil is en onvoldoende is ingegaan op zijn betoog dat is gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Hij voert aan dat de rechtbank niet bij haar oordeel heeft betrokken dat uit het rapport van Dankers Bouwadvies van 15 maart 2017 blijkt dat het dak aan de zijde van zijn woning 465 mm hoger is dan de onderzijde van het raamkozijn en daarmee 265 mm hoger dan vergund.

4.1.    Het peil van het bouwwerk is in dit geval niet hetzelfde als het peil van het bestemmingsplan. Uit de bij de omgevingsvergunning behorende bouwtekeningen B-05 (gevelaanzichten nieuwbouw) en B-06 (doorsneden) blijkt dat ter plaatse van de woning van [appellant] een bouwhoogte van 5250 mm voor het supermarktgebouw is vergund. Daarbij is als peil genomen de bovenkant van de afgewerkte vloer. Volgens het bestemmingsplan is de maximale bouwhoogte op de locatie van het supermarktgebouw 5,5 m. Het peil is daarbij ingevolge artikel 1, lid 1.56, onder a, van de planregels de hoogte van de weg. De bovenkant van de afgewerkte vloer ligt, zoals is vermeld in het rapport van 30 mei 2017, gebruikelijk 100-300 mm boven het peil van het bestemmingsplan.

4.2.    Niet is in geschil dat het supermarktgebouw, voor zover van belang, de maximale bouwhoogte van het bestemmingsplan niet overschrijdt. Reeds daarom bestaat zicht op legalisering. Verder is niet meer in geschil dat het supermarktgebouw grotendeels aan de in de omgevingsvergunning vergunde bouwhoogte voldoet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geval handhavend optreden tegen de kleine overtredingen van de vergunde bouwhoogte die zijn geconstateerd aan de overzijde van het dak ten opzichte van de woning van [appellant] zodanig onevenredig is in verhouding tot zijn daarmee te dienen belang dat het college in dit geval van optreden kan afzien. [appellant] bestrijdt dat oordeel ook niet.

4.3.    Anders dan [appellant] betoogt, is in de bij de omgevingsvergunning behorende bouwtekeningen niet bepaald wat de hoogte van de dakrand van het supermarktgebouw is ten opzichte van het keukenraam van de woning van [appellant]. [appellant] heeft gewezen op de doorsnede D-D van bouwtekening B-06 waarin ook de zijgevel van het appartementencomplex met daarin het keukenraam gearceerd is ingetekend, waarbij de dakrand tot net boven de onderzijde van het raamkozijn lijkt uit te steken. Het gaat hierbij echter om een illustratie die alleen bedoeld is om een - in dit geval niet helemaal realistische - indruk te geven van hoe het supermarktgebouw zich gaat verhouden tot de bestaande bebouwing. Dat in doorsnede D-D de dakrand ten opzichte van het keukenraam minder hoog lijkt te zijn dan de gerealiseerde dakrand, betekent niet dat daarom in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd.

4.4.    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018

595.