Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
201708781/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7191, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de minister besloten op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708781/1/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2017 in zaak nr. 17/1889 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de minister besloten op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 6 februari 2017 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft de toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verleend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.M. Buisman, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 14 februari 2006 heeft de minister in het kader van de asielprocedure van [appellant] een individueel ambtsbericht over hem uitgebracht. Bij brief van 11 augustus 2016 heeft [appellant] de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) verzocht de onderliggende stukken van het ambtsbericht ongelakt aan hem te verstrekken. Hij stelt die stukken nodig te hebben voor een procedure tot herziening van de levenslange gevangenisstraf wegens oorlogsmisdaden waartoe hij in 2011 door het Gerechtshof ’s-Gravenhage is veroordeeld. De IND heeft het verzoek aan de minister doorgezonden. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 oktober 2016 heeft de minister het verzoek afgewezen vanwege de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder d, e, en g, van de Wob. Voor de motivering heeft de minister verwezen naar zijn besluit van 21 juli 2006 op een Wob-verzoek van [appellant]. Bij dat besluit zijn de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht aan [appellant] verstrekt waarbij sommige passages vanwege vorenstaande weigeringsgronden zijn weggelakt. De minister heeft zich in het besluit van 10 oktober 2016 op het standpunt gesteld dat de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder d, e, en g, van de Wob nog steeds van toepassing zijn op de weggelakte passages. De rechtbank heeft de weigering van die passages rechtmatig geacht.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank de minister ten onrechte in zijn standpunt is gevolgd dat de weigeringsgronden van het Wob-besluit van  21 juli 2006, ondanks het tijdsverloop sinds dat besluit, onverkort van toepassing zijn op het Wob-verzoek van 11 augustus 2016. De minister had niet mogen volstaan met een verwijzing naar de motivering van het Wob-besluit van 21 juli 2006, maar een nieuwe belangenafweging moeten verrichten. Door het tijdsverloop kunnen de relevante omstandigheden zijn veranderd en kan de belangenafweging daardoor anders uitvallen. Zo zijn de in de strafprocedure gebruikte onderzoeksmethoden thans in het geding. Dat er volgens de rechtbank verder geen rechtsregel is die de minister ertoe verplicht navraag te doen bij bronnen of informanten of zij bezwaar hebben tegen openbaarmaking neemt niet weg dat de minister uit een oogpunt van zorgvuldigheid navraag had moeten doen, zodat een deugdelijke zorgvuldige belangenafweging had kunnen worden verricht. Met een verwijzing naar de motivering van het besluit van 21 juli 2006 is het besluit van 6 februari 2017 onvoldoende gemotiveerd.

    Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat aan het persoonlijk belang van [appellant] bij de openbaarmaking van de weggelakte passages in de belangenafweging geen waarde kan worden toegekend. De rechtbank heeft miskend dat zijn persoonlijk belang samenvalt met het algemene belang bij een eerlijk proces. Ook valt zijn persoonlijk belang samen met het algemene belang van de waarheidsvinding. Deze algemene belangen wegen zwaarder dan het belang van bronbescherming. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de minister de openbaarmaking van de weggelakte passages achterwege heeft mogen laten, aldus [appellant].

    Verder heeft de rechtbank miskend dat artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing is op de Wob-procedure. Deze bepaling is van toepassing, omdat openbaarmaking van informatie voor een herziening van een strafrechtelijke veroordeling wordt verzocht. De voorliggende zaak verschilt in zoverre relevant van zaken waarin een Wob-verzoek is gedaan om informatie ten behoeve van de uitkomst van een asielprocedure, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 10, tweede lid van de Wob luidt: "Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…];

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…];

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden."

2.2.    In het Wob-besluit van 21 juli 2006 is onder meer gemotiveerd dat openbaarmaking van informatie over de identiteit van informanten en vertrouwenspersonen en over hun functies en werkomgeving, die tot hen is te herleiden, het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer schaadt en ertoe kan leiden dat zij ernstig gevaar lopen. Openbaarmaking van informatie over [appellant] bekende en onbekende derden, die niet als bron zijn geraadpleegd, schaadt eveneens het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Openbaarmaking van informatie over onderzoeksmethoden en -technieken en het kennisniveau, die kan worden gebruikt om het asielrelaas te verbeteren, kan ertoe leiden dat een toekomstig asielrelaas niet op juistheid kan worden nagegaan.

    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de minister naar aanleiding van het Wob-verzoek van 11 augustus 2016 een nieuwe belangenafweging gemaakt. Die belangenafweging heeft dezelfde uitkomst als de afweging die aan het besluit van 21 juli 2006 ten grondslag ligt. Omdat de motivering van beide besluiten voorts met elkaar overeenkomt heeft de minister voor de motivering van het besluit van 10 oktober 2016 verwezen naar het besluit van 21 juli 2006. In het enkele tijdsverloop is geen grond gelegen voor het oordeel dat de nieuwe belangenafweging tot een ander oordeel had dienen te leiden. Ook heeft de minister daarin geen aanleiding hoeven zien om bij informanten, vertrouwenspersonen en derden na te vragen of zij bezwaar hebben tegen openbaarmaking van informatie aan een ieder.

    De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte passages in de aan [appellant] verstrekte stukken. Zij stelt vast dat de belangen waarop de minister zich heeft beroepen bij de informatie in deze passages aan de orde zijn en niet kunnen worden beschermd door een geringere mate van anonimisering of beperking van de openbaarmaking dan heeft plaatsgevonden.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1246), dient het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Bij de te verrichten belangenafweging wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgezet tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen. Aan het belang van de verzoeker wordt in deze belangenafweging geen waarde toegekend. Dat het persoonlijke belang, zoals [appellant] betoogt, samenvalt met het algemene belang bij een eerlijk proces en bij de waarheidsvinding betekent niet dat dit belang afzonderlijk in de in het kader van de Wob te verrichten afweging tussen het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen moet worden betrokken.

    De Afdeling heeft voorts in die uitspraak overwogen dat de minister bij stukken die aan een individueel ambtsbericht als hier aan de orde ten grondslag hebben gelegen, in het algemeen de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Wob zwaarder mag laten wegen dan het algemeen belang dat wordt gediend bij openbaarmaking van die stukken. Gelet hierop en op de inhoud van de weggelakte passages, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van die passages achterwege heeft kunnen laten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder d, e, en g, van de Wob ook van toepassing zijn op het Wob-verzoek van 11 augustus 2016.

2.3.    Dat [appellant] de weggelakte passages beoogt te gebruiken voor een herziening van zijn strafrechtelijke veroordeling laat onverlet dat hij informatie heeft verzocht op grond van de Wob. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4365), is artikel 6 van het EVRM niet van toepassing op procedures ingevolge de Wob, aangezien hierin het algemeen belang bij openbaarmaking aan de orde is en niet enig burgerrechtelijk recht of enige burgerrechtelijke verplichting van de verzoeker. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is.

2.4.    Het betoog faalt.

Slotsom

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018

629.