Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
201708742/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:8256, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van referente om aan de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708742/1/V1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [de vreemdeling] en [referente],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 oktober 2017 in zaak nr. 16/30237 in het geding tussen:

de vreemdeling en referente

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van referente om aan de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referente gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en referente ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag (lees: het bezwaar) neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling en referente, vertegenwoordigd door mr. M.L. van Riel, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling en referente hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 28 juni 2018 heeft de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De vreemdeling en referente hebben daartegen nadere beroepsgronden ingebracht.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling heeft de Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [1987] en beoogt verblijf bij referente, zijn moeder, die bij besluit van 4 juni 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gekregen. Op de datum waarop de aanvraag is ingediend, te weten 25 juni 2015, was de vreemdeling 27 jaar oud. De vader en de meerderjarige studerende jongere broer van de vreemdeling verblijven inmiddels in Nederland.

3.    De staatssecretaris heeft de aanvraag die is ingediend in het kader van nareis afgewezen, omdat de vreemdeling feitelijk niet meer tot het gezin van referente behoort. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat referente tijdens het nader gehoor in de asielprocedure heeft verklaard dat de vreemdeling erg succesvol is en een goudsmederij heeft. Volgens de staatssecretaris voorziet de vreemdeling aldus in eigen onderhoud, zodat zich één van de contra-indicaties voordoet als bedoeld in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

4.    De rechtbank heeft overwogen dat niet wordt bestreden dat referente in haar nader gehoor in de asielprocedure heeft verklaard dat de vreemdeling een eigen goudsmederij heeft, maar dat zij in deze procedure heeft verklaard dat hij werknemer is, op oproepbasis bij verschillende werkgevers werkt en wisselende inkomsten heeft. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat de vreemdeling in het gehoor op de Nederlandse ambassade heeft verklaard dat hij financieel afhankelijk is van zijn vader. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de staatssecretaris onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de vreemdeling ten tijde van het vertrek van referente uit Iran voorzag in eigen onderhoud, omdat de contra-indicatie enkel berust op de eerste verklaring van referente in haar asielprocedure.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

5.    De staatssecretaris bestrijdt in zijn grief deze overwegingen van de rechtbank. Volgens hem heeft hij draagkrachtig gemotiveerd dat de vreemdeling ten tijde van het vertrek van referente voorzag in eigen onderhoud, zodat de feitelijke gezinsband is verbroken.

5.1.    Niet in geschil is dat referente in het nader gehoor in de asielprocedure heeft verklaard dat de vreemdeling een eigen bedrijf heeft. In bezwaar heeft zij gesteld dat dit onjuist is, dat de vreemdeling wisselende werkgevers heeft, soms wel en soms niet wordt opgeroepen en soms werkloos is. Volgens haar voorziet zijn vader volledig in zijn onderhoud. Tijdens zijn interview op 13 september 2016 op de Nederlandse ambassade heeft de vreemdeling op de vraag of hij een baan heeft, geantwoord: 'From 2010 - employee jewellery shop'. Op de vraag naar financiële middelen voor en na het vertrek van referente antwoordde hij: 'Financial support from father' en op de vraag naar financiële afhankelijkheid van een ouder: 'Yes, financially dependent on father'. De broer van de vreemdeling heeft in diens interview op 12 september 2016 op de vraag of hij zelf voor iemand zorgt, geantwoord: 'No. Brother works and takes care of himself'. Verder heeft hij over de vreemdeling verklaard: 'Works in a jewellery store'.

5.2.    De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zijn standpunt dat de vreemdeling ten tijde van het vertrek van referente uit Iran in eigen onderhoud voorzag, niet uitsluitend heeft gebaseerd op de eerste verklaring van referente in haar asielprocedure en dat hij, zoals hierna wordt toegelicht, dit standpunt draagkrachtig heeft gemotiveerd.

    De staatssecretaris heeft niet ten onrechte uit zowel de eerste verklaring van referente in de asielprocedure als de verklaringen van de vreemdeling en de broer in deze procedure geconcludeerd dat de vreemdeling eigen inkomen heeft uit zijn werk bij een juwelier en dat uit de door de vreemdeling overgelegde documenten niet blijkt dat hij daarmee niet in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Uit die documenten blijkt immers slechts dat hij van 12 november 2012 tot 22 juli 2013 bij één juwelier heeft gewerkt en dat hij van 20 maart tot en met 19 april 2016 bij een juwelier in dezelfde plaats heeft gewerkt. Verder blijkt uit het eerste document, zoals de staatssecretaris ook heeft vermeld in het besluit van 15 december 2016, dat de vreemdeling in die periode ongeveer elke dag moet hebben gewerkt. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte bevreemdend geacht dat de vreemdeling, die stelt dat hij vanaf 2010 bij verschillende juweliers heeft gewerkt, slechts deze twee documenten kan overleggen, nog daargelaten dat voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling in eigen levensonderhoud voorziet niet relevant is of de vreemdeling voor één of voor meer juweliers werkt. De vreemdeling heeft voorts zijn stelling dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het salaris dat in het tweede document wordt vermeld naar Iraanse maatstaven overeenkomt met een minimum maandloon, niet met objectieve documenten gestaafd. Anders dan de rechtbank lijkt te hebben verondersteld, kan verder uit de omstandigheid dat de vreemdeling en zijn broer gemachtigd zijn voor de bankrekening van hun vader niet worden afgeleid dat de vreemdeling niet in staat is zelf te voorzien in zijn levensonderhoud.

    De staatssecretaris heeft verder niet ten onrechte waarde gehecht aan de verklaring van referente in haar asielprocedure dat de vreemdeling een eigen goudsmederij heeft en succesvol is. Als de vreemdeling niet in eigen onderhoud kon voorzien, had het voor de hand gelegen dat referente daarvan in haar asielprocedure op de een of andere manier melding had gemaakt. De staatssecretaris voert verder niet ten onrechte aan dat referente geen reden heeft gegeven waarom zij eerder onjuist zou hebben verklaard. Vergelijk onder 5.2 van de uitspraak van 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3067.

    De grief slaagt.

In het hoger beroep van de vreemdeling en referente

6.    Hetgeen in het hogerberoepschrift van de vreemdeling en referente is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

Conclusie

7.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond en het hoger beroep van de vreemdeling en referente is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling en referente tegen het besluit van 15 december 2016 alsnog ongegrond verklaren, omdat er geen beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven.

8.    Het besluit van 28 juni 2018 wordt, ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrokken.

    Uit het voorgaande volgt dat aan dit besluit, dat is genomen ter uitvoering van de vernietigde uitspraak, de grondslag is komen te ontvallen. De Afdeling zal het besluit van 28 juni 2018 daarom vernietigen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de vreemdeling en referente ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 oktober 2017 in zaak nr. 16/30237;

IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

V.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 juni 2018, V-nummer […].

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

488. BIJLAGE

Vw 2000

Artikel 29

2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: […]

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

Vc 2000

Paragraaf C2/4.1

[…] De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. […] De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het beleid als beschreven in B7/3.2.1. Vc. Dit wordt als volgt uitgelegd: […]

Voor meerderjarige kinderen geldt eveneens dat het kind feitelijk moet behoren tot het gezin van de referent. In dit geval moet er sprake zijn van een normale afhankelijkheidsrelatie tussen de referent en het meerderjarige kind en dient de referent aan te tonen dat het meerderjarig kind in het buitenland altijd feitelijk tot zijn gezin heeft behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is.

Voor de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin,

Is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf). De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

− het kind woont zelfstandig;

− het kind voorziet in eigen onderhoud;

− het kind is een huwelijk of een relatie aangegaan;

− het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Wanneer sprake is van één of meerdere contra-indicaties zal per individueel geval beoordeeld worden of de feitelijke gezinsband verbroken is.

B7/3.2.1. Vc.

[…] De IND neemt herstel van de feitelijke gezinsband niet aan als deze eenmaal verbroken is geoordeeld.