Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201707420/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6222, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2016 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning voor het adres [locatie] te Rotterdam afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707420/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2017 in zaak nr. 16/8268 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2016 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning voor het adres [locatie] te Rotterdam afgewezen.

Bij besluit van 21 december 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. ir. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] wilde de woning op het adres [locatie] te Rotterdam huren. Deze woning ligt in de Tarwewijk. Deze wijk is in 2014 door de toenmalige minister voor Wonen en Rijksdienst op grond van artikel 5 van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (hierna: de Wbmgp) opnieuw aangewezen als gebied waarin aan woningzoekenden eisen kunnen worden gesteld. Die eisen waren ten tijde van de besluiten van 8 juli 2016 en 21 december 2016 neergelegd in de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad (hierna: de Verordening). Op grond van deze verordening was voor het in gebruik nemen voor bewoning van de door [appellant] gewenste woning een huisvestingsvergunning nodig. Een van de voorwaarden voor verlening van die vergunning is dat de aanvrager, indien hij althans minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken ingezetene is geweest van een van de gemeenten in de regio Rotterdam, aan de inkomenseis voldoet.

2.    Het college heeft het verzoek van [appellant] om verlening van een huisvestingsvergunning afgewezen. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat hij in de zes jaren voorafgaand aan de aanvraag niet onafgebroken in de regio heeft gewoond en dat hij niet voldoet aan de inkomenseis. Het college heeft geen aanleiding gezien om [appellant] met toepassing van de hardheidsclausule toch een huisvestingsvergunning te verlenen, omdat de door hem aangedragen omstandigheden niet onvoorzien en nijpend zijn.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn situatie geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule. Hij voert aan dat hij enige tijd in België heeft gewoond omdat hij in Nederland geen werk kon vinden, dat hij voor die tijd jarenlang in Rotterdam heeft gewoond, dat er schaarste is op de woningmarkt, dat hij reeds een huurovereenkomst had getekend voor de woning aan de [locatie] en dat hij een oogaandoening heeft die zijn leven lastiger maakt. Artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) biedt hem de mogelijkheid om in Rotterdam te verblijven, aldus [appellant].

3.1.    Niet in geschil is dat voor de woning aan de [locatie] een huisvestingsvergunning is vereist en dat [appellant] niet voldoet aan de vereisten voor verlening van zo'n vergunning. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.

3.2.    De hardheidsclausule is neergelegd in artikel 2.5, derde lid, en artikel 4.1 van de Verordening.

    Artikel 2.5, derde lid, luidt:

"Aan de aanvrager die niet voldoet aan de in de voorafgaande leden bedoelde [inkomens]eisen, kunnen burgemeester en wethouders de aangevraagde huisvestingsvergunning verlenen, indien het weigeren van de huisvestingsvergunning tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden."

    Artikel 4.1 luidt:

"Indien vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze verordening zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in deze verordening."

3.3.    Dat [appellant] jarenlang in Rotterdam heeft gewoond, betekent niet dat het voor hem niet mogelijk is om elders in Rotterdam of buiten Rotterdam woonruimte te verkrijgen waarvoor geen huisvestingsvergunning nodig is. De gestelde schaarste op de woningmarkt geldt niet slechts voor [appellant], maar voor woningzoekenden in het algemeen. Voorts wist [appellant] of had hij kunnen weten dat een huisvestingsvergunning nodig is voor bewoning van de woning aan de [locatie] en dat hij niet voldoet aan de vereisten voor afgifte van zo'n vergunning. Zoals het college terecht heeft gesteld, heeft [appellant] met het ondertekenen van een huurovereenkomst voor die woning het risico genomen dat hij deze wegens het niet verkrijgen van een huisvestingsvergunning weer moest verlaten. Uit de door [appellant] overgelegde stukken kan voorts niet worden afgeleid welke oogaandoening hij heeft en in welke mate deze aandoening voor hem een beperking is. Met de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het weigeren van de huisvestingsvergunning niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3.4.    Artikel 12 van het IVBPR luidt:

"1 Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft, binnen dit grondgebied, het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen.

2 Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.

3 De bovengenoemde rechten kunnen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden of van de rechten en vrijheden van anderen en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.

4 Aan niemand mag willekeurig het recht worden ontnomen naar zijn eigen land terug te keren."

3.5.    [appellant] heeft zich pas in hoger beroep op artikel 12 van het IVBPR beroepen. Het eerste lid van dit artikel bevat het recht om vrijelijk een verblijfplaats te kiezen. Dit recht mag ingevolge het derde lid aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij wet zijn voorzien en nodig zijn ter bescherming van onder meer de openbare orde. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1845), omvat het begrip openbare orde in het IVBPR naast het voorkomen van ongeregeldheden, ook de publieke veiligheid, het voorkomen van criminaliteit en alle universeel geaccepteerde fundamentele principes, overeenkomstig de mensenrechten waarop een democratische samenleving is gebaseerd. De bepalingen in de Verordening over de huisvestingsvergunning houden een beperking in voor [appellant] om vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen. Deze beperking is bij de wet voorzien en wordt ingegeven door het belang dat de samenleving heeft bij de leefbaarheid van de wijken in de grote steden. Anders dan [appellant] betoogt, is daarom het belang van de openbare orde als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het IVBPR in het geding (vergelijk voormelde uitspraak van 4 februari 2009). Er is geen grond voor het oordeel dat de weigering van de huisvestingsvergunning in strijd is met artikel 12 van het IVBPR.

3.6.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

640.