Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201707672/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4303, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een recreatiewoning op het perceel [locatie 1] in Handel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/615
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707672/1/A1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 augustus 2017 in zaak nr. 17/1348 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een recreatiewoning op het perceel [locatie 1] in Handel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 maart 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Fermont en mr. M.W.M. Bankers, zijn verschenen. Met toestemming van [appellant] heeft het college ter zitting een nader stuk ingebracht.

Overwegingen

1.    [appellant] is sinds 2 november 2000 eigenaar van het perceel dat is gelegen op recreatiepark De Rooye Asch. Op het perceel bevindt zich een zonder omgevingsvergunning opgerichte recreatiewoning met vrijstaande bijgebouwen. Deze recreatiewoning heeft een oppervlakte van 100 m2.

    Bij brief van 12 juni 2015 heeft het college [appellant] medegedeeld voornemens te zijn om bestuursdwang toe te passen om te bewerkstelligen dat de recreatiewoning en de bijgebouwen worden verwijderd, omdat de vereiste omgevingsvergunning ontbreekt. Daarop heeft [appellant] op 16 juni 2016 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend ter legalisering van de recreatiewoning en de bijgebouwen. Volgens het college is sprake van strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Rooye Asch 2013", op grond waarvan de grondoppervlakte van een recreatieverblijf maximaal 60 m2 mag bedragen en vrijstaande bijgebouwen niet zijn toegestaan. Het college is niet bereid af te wijken van dat recent vastgestelde bestemmingsplan en heeft daarom geweigerd omgevingsvergunning te verlenen.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat het college in redelijkheid mocht weigeren omgevingsvergunning te verlenen, niet heeft onderkend dat hij een gerechtvaardigd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Hij verwijst naar de brief van het college van 3 mei 2016 waarin staat dat van handhaving zal worden afgezien indien voor de woning een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en de woning ook aan het Bouwbesluit 2012 en het beeldkwaliteitsplan voldoet.

2.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De brief van 3 mei 2016 gaat over een door [appellant] ingediende zienswijze in het kader van het handhavingstraject. Daarin staat dat van handhaving zal worden afgezien indien voor de woning een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en de woning ook aan het Bouwbesluit 2012 en het beeldkwaliteitsplan voldoet. Voorts wordt daarin verwezen naar de brief van 18 maart 2016, verzonden op 21 maart 2016, waarin staat: "Indien legalisatie in uw ogen mogelijk is, kunt u binnen de termijn van zes weken na de verzenddatum van deze brief en onder de voorwaarden zoals gesteld in bijgaande brief een aanvraag voor een omgevingsvergunning indienen." In deze brieven staat alleen dat van handhaving zal worden afgezien indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend. In deze brieven staat niet dat de omgevingsvergunning ook zal worden verleend. Deze brieven bevatten derhalve geen concrete toezeggingen over het verlenen van een omgevingsvergunning, zodat daaraan geen rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college, door geen omgevingsvergunning te verlenen, in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, nu het wel omgevingsvergunningen heeft verleend voor het legaliseren van (delen van) de recreatiewoningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 3].

3.1.    Dit betoog faalt. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het bij de beoordeling van die vergunningaanvragen fouten heeft gemaakt, zodat deze omgevingsvergunningen (deels) onterecht zijn verleend. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:320) strekt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het college gemaakte fouten moet herhalen.

4.    Voor zover [appellant] ten slotte betoogt dat de rechtbank bij haar oordeel is uitgegaan van onjuiste feiten, kan dat niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, aangezien deze feiten niet dragend zijn geweest voor het oordeel van de rechtbank.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

462-842.