Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201708827/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:6417, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een reeds gerealiseerde carport en fietsenberging op het perceel [locatie] te Zeist (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708827/1/A1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Zeist,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 september 2017 in zaak nr. 17/2270 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een reeds gerealiseerde carport en fietsenberging op het perceel [locatie] te Zeist (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 juli 2016 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd in verband met het bouwen van een berging en carport op het perceel zonder omgevingsvergunning.

Bij besluit van 16 mei 2017 heeft het college de door [appellante] tegen de besluiten van 9 mei 2016 en 21 juli 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.M. van Rooij-Houweling, advocaat te Zeist, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.R. Snijder, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] is eigenaar van het perceel en heeft in 2005 een groenstrook naast het perceel aan de zijde van de Weteringlaan gekocht. Vervolgens heeft [appellante] een berging, onder andere voor de stalling van fietsen, en een carport gebouwd zonder omgevingsvergunning daartoe. Op 21 december 2015 heeft [appellante] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om de gebouwde bouwwerken te legaliseren. Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college geweigerd deze omgevingsvergunning te verlenen omdat de bouwwerken in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Zeist Centrum" en "Zeist West en Utrechtseweg Noord".

    Bij besluit van 21 juli 2016 heeft het college [appellante] gelast de gerealiseerde carport met berging te verwijderen en verwijderd te houden of aan te passen aan de regels van vergunningsvrij bouwen. Indien blijkt dat daar niet aan wordt voldaan zal [appellante] een dwangsom van € 25.000,00 verbeuren.

    Hangende de bezwaarprocedure heeft [appellante] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend teneinde uitsluitend de carport vergund te krijgen. Het college heeft bij besluit van 19 december 2016 omgevingsvergunning verleend voor deze carport.

Geweigerde omgevingsvergunning

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning voor de carport en de berging heeft kunnen weigeren. Zij voert daartoe aan dat het college medewerking heeft verleend aan legalisering van de door haar gebouwde carport waarmee eveneens inbreuk wordt gemaakt op het doorlopen van de door het college gewenste groenstrook tussen de openbare weg en de daaraan gelegen woningen. Verder betoogt [appellante] dat het college te veel gewicht heeft toegekend aan het behoud van de groenstrook, terwijl de fietsenberging nauwelijks zichtbaar is vanaf openbaar terrein.

    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat vergelijkbare gevallen aanwezig zijn waartegen het college niet handhavend optreedt. Volgens [appellante] is het college onvoldoende ingegaan op de door haar aangedragen vergelijkbare gevallen en kan het college vanwege het bestaan van vergelijkbare gevallen waartegen niet handhavend is opgetreden niet in redelijkheid de omgevingsvergunning weigeren.

2.1.    Het college heeft zich in het besluit van 16 mei 2017 op het standpunt gesteld dat het niet op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wil afwijken, omdat de fietsenberging in het voorerfgebied staat en het college het aangezicht van de groenstrook tussen de openbare weg en de daaraan gelegen woningen zo veel mogelijk wil laten doorlopen.

2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Dat het college medewerking heeft verleend aan een omgevingsvergunning voor de carport betekent niet dat het college reeds daarom is gehouden eveneens omgevingsvergunning te verlenen voor de door [appellante] gebouwde berging. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat de door [appellante] gerealiseerde carport een meer open karakter heeft dan de door haar gebouwde berging. Tevens heeft het college van belang kunnen achten dat de berging grenst aan de openbare groenstrook en de openbare weg terwijl de carport niet direct grenst aan deze openbare groenstrook. Voorts heeft het college daarbij kunnen betrekken dat het geen medewerking wenst te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan indien het bouwwerken betreft die in het voorerfgebied zijn gelegen en afbreuk kunnen doen aan het openbaar groen langs openbare wegen.

    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat niet is gebleken dat de door [appellante] genoemde gevallen zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan het bouwplan. Daar komt bij dat het college ter zitting van de Afdeling te kennen heeft gegeven dat het als uitgangspunt hanteert dat geen bouwwerken worden vergund in de groenstrook en geen actief gedoogbeleid wordt gehanteerd tegen zonder omgevingsvergunning gebouwde bouwwerken, maar dat niet gelijktijdig tegen alle zonder omgevingsvergunning gerealiseerde bouwwerken kan worden opgetreden.

    De betogen falen.

Last onder dwangsom

3.    Vast staat dat het college bevoegd is handhavend op te treden, omdat [appellante] zonder omgevingsvergunning de berging en carport heeft gebouwd.

    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.    [appellante] betoogt dat het college vanwege bijzondere omstandigheden niet handhavend heeft kunnen optreden, omdat het college medewerking heeft verleend aan de door haar gevraagde omgevingsvergunning voor een carport.

4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had dienen af te zien. Weliswaar heeft het college, mede om tegemoet te komen aan de door haar gestelde hoge kosten bij het totaal afbreken van het bouwwerk bij besluit van 19 december 2016 aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor een carport, maar het op dit moment aanwezige bouwwerk is daarmee niet vergund, omdat voor uitvoering van deze omgevingsvergunning bouwkundige aanpassingen nodig zijn aan de huidige berging en carport. Dat het college medewerking heeft verleend aan deze carport brengt, anders dan [appellante] betoogt, niet met zich dat het college om die reden niet handhavend zou kunnen optreden tegen de berging.

    Voor zover [appellante] betoogt dat het college niet in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel faalt dit betoog, omdat, zoals hiervoor onder 2.2 is overwogen, niet aannemelijk is dat het college in vergelijkbare gevallen een omgevingsvergunning heeft verleend dan wel heeft nagelaten of zal nalaten handhavend op te treden.

5.    Voor zover [appellante] in hoger beroep haar in eerdere instantie aangevoerde gronden slechts heeft herhaald en ingelast, wordt overwogen dat de rechtbank in de overwegingen van de aangevallen uitspraak daarop is ingegaan. [appellante] heeft in het hogerberoepschrift noch ter zitting, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging daarvan in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Het betoog faalt.

Proceskosten

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college, omdat het omgevingsvergunning heeft verleend voor de carport, deels tegemoet gekomen is aan haar bezwaren en ten onrechte geen proceskosten heeft vergoed met toepassing van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

6.1.    Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb luidt: "De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid."

6.2.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte niet heeft besloten over te gaan tot toepassing van artikel 7:15 van de Awb. Daarbij is van belang dat de besluiten waarbij omgevingsvergunning is geweigerd voor de carport en de berging en de opgelegde last onder dwangsom niet zijn herroepen door het college in het besluit van 16 mei 2017 en het college zich derhalve terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden opgenomen in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

700.