Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201710207/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:10929, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2016 heeft de burgemeester de sluiting gelast van de woning gelegen aan het [locatie] (hierna: de woning) [in Maastricht] voor de duur van drie maanden van 19 april 2016 tot 19 juli 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710207/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Maastricht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 november 2017 in zaak nr. 16/3142 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Maastricht.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2016 heeft de burgemeester de sluiting gelast van de woning gelegen aan het [locatie] (hierna: de woning) [in Maastricht] voor de duur van drie maanden van 19 april 2016 tot 19 juli 2016.

Bij besluit van 25 augustus 2016 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.C.W. Ploum zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het relevante juridische kader is opgenomen in een bijlage bij de uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2.    Onder de gedingstukken bevindt zich een sluitingsrapportage van de politie, opgemaakt op 2 april 2016. Uit deze sluitingsrapportage volgt dat op 1 april 2016 een doorzoeking van de woning van [appellante] heeft plaatsgevonden en dat daarbij 117 gram hennep en verpakkingsmaterialen zijn aangetroffen. De doorzoeking vond, aldus de sluitingsrapportage, plaats naar aanleiding van een aanhouding op heterdaad van een dealer van verdovende middelen. Deze dealer woonde op een ander adres in dezelfde straat en bleek, volgens de sluitingsrapportage, de directe beschikking te hebben over de toegangssleutel van de woning. In de woning lagen de verdovende middelen opgeslagen. In de sluitingsrapportage is verder vermeld dat uit informatie op de mobiele telefoon van de dealer volgt dat hij al langer, in samenwerking met de bewoner van de woning, in drugs handelde.

2.1.    Deze bevindingen zijn voor de burgemeester de reden geweest om bij besluit van 15 april 2016 de sluiting van de woning te gelasten voor de duur van drie maanden van 19 april 2016 tot 19 juli 2016. De burgemeester heeft overwogen dat deze sluiting overeenkomstig het door hem gevoerde Damoclesbeleid is en dat hij geen aanleiding ziet om af te zien van het gebruik van zijn sluitingsbevoegdheid dan wel om af te wijken van het Damoclesbeleid.

2.2.    Dit besluit heeft de burgemeester bij zijn besluit op bezwaar van 25 augustus 2016 gehandhaafd. Hij heeft overwogen dat in de woning een hoeveelheid softdrugs is aangetroffen die de hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik ruimschoots overschrijdt en daarom bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester is verder voorbijgegaan aan het beroep van [appellante] op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), waarin het recht op respect voor het privéleven is neergelegd. Ook is de burgemeester voorbijgegaan aan het betoog van [appellante] dat de sluiting van de woning een strafrechtelijke sanctie is en in strijd is met artikel 6 van het EVRM. De sluitingsbevoegdheid neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet strekt slechts tot het beëindigen en voorkomen van overtredingen van de Opiumwet, aldus de burgemeester. Hij heeft tot slot overwogen dat het feit dat de verhuurder mogelijkerwijs een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst opstart, geen bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan hij zou moeten afwijken van het Damoclesbeleid.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was de sluiting van de woning te gelasten. Volgens de rechtbank heeft de burgemeester in dit geval in redelijkheid van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik gemaakt. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de burgemeester overeenkomstig het Damoclesbeleid heeft gehandeld door een sluiting van de woning van drie maanden te gelasten en dat in de situatie van [appellante] geen bijzondere omstandigheden bestaan die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. De burgemeester mocht volgens de rechtbank een sluiting van de woning voor een periode van drie maanden noodzakelijk achten om deze zichtbaar aan het criminele circuit te onttrekken om op die manier te voorkomen dat vanuit de woning opnieuw drugs zouden worden verhandeld. De rechtbank is ten slotte niet meegegaan in de betogen van [appellante] dat de sluiting van de woning voor drie maanden in strijd is met de artikelen 6 en 8 van het EVRM.

Het geschil in hoger beroep

4.    [appellante] kan zich niet verenigen met deze uitspraak. In haar hogerberoepschrift voert zij gronden aan over de bevoegdheid van de burgemeester en over de strijdigheid van het Damoclesbeleid met artikel 13b van de Opiumwet en artikel 8 van het EVRM. Verder heeft de rechtbank volgens haar miskend dat het besluit waarbij de sluiting van de woning is gelast in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat de sluiting als "criminal charge" is aan te merken in de zin van artikel 6 van het EVRM. De Afdeling zal deze gronden achtereenvolgens beoordelen.

-    De bevoegdheid van de burgemeester

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de drugs niet in of nabij de woning werden verkocht. De drugs werden hier slechts bewaard. De sluiting is daarom in strijd met artikel 13b van de Opiumwet. Volgens [appellante] brengt het in artikel 8 van het EVRM neergelegde huisrecht met zich dat het moet gaan om verkoop van drugs in de woning. Een inbreuk op het huisrecht is slechts gelegitimeerd, indien deze noodzakelijk is om nieuwe strafbare feiten in die woning te voorkomen. Indien wordt geaccepteerd dat het enkel aanwezig hebben van drugs ter verkoop voldoende is om een sluiting te gelasten, wordt de uitleg van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde criteria opgerekt op een wijze die in strijd is met artikel 8 van de EVRM, aldus [appellante].

5.1.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362 overwogen dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing is bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn. Uit de tekst van het artikellid volgt dat het woord "daartoe" allereerst ziet op verkoop. Uit de tekst van het artikellid volgt ook dat het woord "daartoe" mede ziet op aflevering of verstrekking. Dit betekent dat het artikellid ook van toepassing is als in een pand drugs aanwezig zijn die elders zijn of zullen worden verkocht, maar in of vanuit het pand zullen worden afgeleverd of verstrekt. Om te beoordelen of de hoeveelheid erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand brengt met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend.

5.2.    Gelet op deze vaste rechtspraak van de Afdeling, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de burgemeester gelet op de hoeveelheid aangetroffen hennep, een ruime overschrijding van de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik, op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was de sluiting van de woning te gelasten. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd in hoger beroep, ziet de Afdeling geen aanleiding daarover anders te oordelen. Dat de toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet zeer ingrijpende gevolgen met zich kan brengen voor de bewoners van een woning en het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op respect voor het privéleven raakt, is niet relevant voor de vraag of de burgemeester bevoegd was om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op te treden. De Afdeling wijst in dit kader op haar uitspraak van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3251.

    Het betoog faalt.

-    Het Damoclesbeleid

6.    [appellante] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 13b van de Opiumwet in het Damoclesbeleid tot een dwingend voorschrift is gemaakt. Uit het beleid volgt dat indien drugs aanwezig zijn, wordt overgegaan tot een sluiting van de woning voor drie maanden. Als gevolg van het beleid is, in strijd met artikel 8 van het EVRM, een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets onmogelijk, aldus [appellante].

6.1.    In de hiervoor in overweging 5.2 genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, heeft zij over het Damoclesbeleid overwogen dat het niet onredelijk is. Daarbij heeft de Afdeling van belang geacht dat Maastricht een grensgemeente is met veel coffeeshops, hetgeen een aanzuigende werking heeft op gebruikers die buiten Nederland wonen. Bovendien is in de gemeente het ingezetenencriterium ingevoerd, op grond waarvan alleen ingezetenen van Nederland van achttien jaar of ouder tot een coffeeshop mogen worden toegelaten, hetgeen noopt tot adequaat optreden tegen illegaal aanbod. Ten slotte heeft de Afdeling bij haar oordeel over het Damoclesbeleid van belang geacht dat de burgemeester bij de toepassing van het beleid bij het aantreffen van een geringe overschrijding van de gebruikershoeveelheid softdrugs beoordeelt of die drugs in de gegeven omstandigheden niettemin kunnen worden beschouwd als bestemd voor eigen gebruik. Indien dit laatste het geval is, wordt niet direct tot sluiting overgegaan, ondanks de overschrijding van de gedoogde hoeveelheid.     In hetgeen [appellante] over het Damoclesbeleid heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om anders te oordelen. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het Damoclesbeleid niet onredelijk is en dat het blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

-    Respect voor het privéleven (artikel 8 EVRM) en uitoefening bevoegdheid door de burgemeester

7.    Volgens [appellante] heeft de rechtbank haar beroep op artikel 8 van het EVRM ten onrechte verworpen. De rechtbank heeft wat betreft de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit ten onrechte een terughoudende toetsing gehanteerd. Het sluiten van de woning heeft grote gevolgen voor haar gehad, hetgeen de rechtbank ook heeft miskend.

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1151), dient aan de mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op een woning een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast, evenredig is.

7.2.    Ingevolge het tweede lid van artikel 8 van het EVRM zijn inmengingen van enig openbaar gezag in de uitoefening van het in het eerste lid neergelegde recht toegestaan, voor zover deze bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, onder meer, het voorkomen van strafbare feiten of het beschermen van de rechten van anderen. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet en daarom bij wet voorzien. In het kader van de beoordeling van de noodzakelijkheid heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in dit geval indicaties bestaan dat daadwerkelijk vanuit de woning van [appellante] in drugs is gehandeld en dat daarmee ook de openbare orde en het woon- en leefklimaat is verstoord. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat kopers hebben verklaard bij de aangehouden dealer verdovende middelen te hebben gekocht en dat uit informatie van de mobiele telefoon volgt dat deze dealer in samenwerking met [appellante] vanuit de woning in drugs handelde. Ook heeft de rechtbank in dit kader terecht overwogen dat de burgemeester de sluiting voor drie maanden noodzakelijk mocht achten om de woning zichtbaar te onttrekken aan het criminele circuit om te voorkomen dat vanuit de woning opnieuw drugs zouden worden verhandeld. Daarbij speelt ook, zoals de rechtbank terecht van belang heeft geacht, de lokale situatie in Maastricht waarbij systematische drugshandel plaatsvindt vanuit illegale verkooppunten.

7.3.    Ter zitting van de Afdeling heeft [appellante] wat betreft de onevenredige gevolgen nader gemotiveerd dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de woningcorporaties automatisch de huur opzeggen op grond van het Hennepconvenant Limburg 2012. Uit overweging 5 van dat convenant volgt dat de convenantpartners, waaronder de gemeenten in Limburg en de woningcorporaties in Limburg, maatregelen wensen te nemen tegen de ongewenste ontwikkeling die gepaard gaat met hennepteelt. In paragraaf 4.4 van het convenant is verder vermeld dat de woningcorporatie, indien sprake is van hennepteelt in een huurwoning, na toetsing op juridische haalbaarheid en conform het vigerende beleid van die woningcorporatie, overgaat tot het opstarten van een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst met de huurder van de woning. Daargelaten het antwoord op de vraag of het opzeggen van de huur door woningcorporaties een automatisme is, zoals [appellante] stelt, is de sluiting van haar woning niet gelast in verband met hennepteelt in de woning, maar met de vondst van 117 gram hennep en verpakkingsmaterialen. Het betoog leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Voor zover [appellante] ter zitting van de Afdeling heeft betoogd dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met haar medische situatie, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zo ernstig is dat het medisch onverantwoord was om ergens anders te gaan wonen.

7.4.    Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de sluiting van de woning niet in strijd komt met artikel 8 van het EVRM en dat de burgemeester geen aanleiding heeft hoeven zien om wat betreft de duur van de sluiting af te wijken van het Damoclesbeleid.

-    Criminal charge (artikel 6 EVRM)

8.    Ten slotte betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de sanctie een criminal charge is in de zin van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank heeft ten onrechte, zo voert [appellante] aan, geen rekening gehouden met het feit dat de sanctie afschrikking beoogt en dat een bord in de voortuin is geplaatst. Het feit dat de sluitingsmaatregel cosmetisch wordt gepresenteerd als een bestuurlijke herstelmaatregel, kan niet verhullen dat de sluitingsmaatregel een criminal charge is, aldus [appellante].

8.1.    De Afdeling heeft in de hiervoor in overweging 7.1 vermelde uitspraak van 4 april 2018 overwogen dat het EHRM in het arrest Engel en anderen tegen Nederland, van 8 juni 1976, ECLI:NL:XX:1976:AC0386,§82, drie criteria heeft geformuleerd voor de bepaling of sprake is van een criminal charge. Ten eerste is van belang de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, ten tweede de aard van de overtreding - mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie - en ten derde de zwaarte van de maatregel. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief: het voldoen aan één van deze criteria kan in bepaalde gevallen reeds leiden tot de conclusie dat van een criminal charge sprake is. Daarnaast is mogelijk dat het tweede en derde criterium in samenhang bezien een dergelijke conclusie kunnen rechtvaardigen.

8.2.    Een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel strekt, zoals de Afdeling ook in haar uitspraak van 4 april 2018 heeft overwogen, tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb. De sluiting van een woning door middel van het uitoefenen van bestuursdwang wordt naar nationaal recht gekwalificeerd als een bestuurlijke maatregel en niet als een punitieve sanctie.

    De toepassing van bestuursdwang strekt er in het algemeen toe een overtreding te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen. Wat betreft artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gaat het er blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken II 1996/97, 25 324, nr. 3, blz. 5) om de verkoop, de aflevering of de verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs een halt toe te roepen. Dit oogmerk past in de algemene doelstelling van de Opiumwet, die primair gericht is op preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de gezondheid. Daarnaast wordt met deze bepaling beoogd negatieve effecten van de handel in en het gebruik van drugs, onder meer bezien vanuit het perspectief van de openbare orde, tegen te gaan. Het feit dat de maatregel van artikel 13b, eerste lid, is gericht op beëindiging en voorkoming van een overtreding is een aanwijzing dat het hier gaat om een bestuurlijke maatregel en niet om een criminal charge.

8.3.    Zoals hiervoor onder 7.2 is overwogen, heeft de burgemeester sluiting van de woning voor de duur van drie maanden noodzakelijk mogen achten om de bekendheid als drugspand teniet te doen en herhaling te voorkomen. De Afdeling is daarom van oordeel dat de last tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden een bestuurlijke maatregel is met eerder vermelde strekking, voorkoming van herhaling van de overtreding, die er niet (mede) op is gericht om leed toe te voegen.

8.4.    Bij het beoordelen van de zwaarte van de maatregel is van belang of de maatregel zodanig zwaar is dat deze daardoor als een criminal charge moet worden beschouwd. De zwaarte van de maatregel wordt beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven; hoe de betrokkene de maatregel subjectief ervaart is hierbij in het algemeen niet van belang. De burgemeester heeft de last tot sluiting in overeenstemming met zijn beleidsregels vastgesteld. De Afdeling ziet verder in de omstandigheid dat de sluiting van de woning publiekelijk bekend wordt gemaakt, onvoldoende grond voor het oordeel dat de opgelegde maatregel alleen op basis van de zwaarte daarvan als een criminal charge is aan te merken.

8.5.    Gezien het vorenstaande wijst toetsing aan het eerste en het tweede criterium niet in de richting van een criminal charge. Ook indien het tweede en derde criterium in samenhang worden bezien, bestaat onvoldoende aanleiding om tot de conclusie te komen dat de last tot sluiting van de woning van [appellante] een criminal charge is. Verder bestaat onvoldoende aanleiding om de last tot sluiting alleen op basis van de zwaarte van de maatregel als een criminal charge aan te merken.

8.6.    De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de sluiting van de woning geen criminal charge is en dat het beginsel van ‘ne bis in idem’ niet is geschonden.

    Het betoog faalt.

Slotsom

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Grimbergen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

581. BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6

1  Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

[…].

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Opiumwet

Artikel 13b

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

[…].

Het Damoclesbeleid Lokalen en woningen Artikel 13b Opiumwet

[…].

6. Met betrekking tot de omschrijving van het "verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben" van verdovende middelen wordt aansluiting gezocht bij het gestelde daartoe in de Aanwijzing Opiumwet. Concreet betekent dit dat sprake is van een overtreding in de zin van dit beleid bij een hoeveelheid:

- harddrugs: meer dan 0,5 gram

- softdrugs: meer dan 5 gram

- hennepplanten: meer dan 5 planten.

7. Omstandigheden ten aanzien van handel:

Conform de hierna volgende beleidsregels wordt overgegaan tot een sluiting van de woning/het lokaal indien er sprake is van handel in verdovende middelen. Van handel wordt in ieder geval uitgegaan indien er sprake is van een meer dan geringe overstijging van de gebruikershoeveelheid verdovende middelen (zie de hierboven aangehaalde hoeveelheden die de Aanwijzing Opiumwet stelt). In het geval er sprake is van een geringe overstijging van de gebruikershoeveelheid drugs, moeten er andere indicatoren zijn die wijzen op handel. Daarbij kan worden gedacht aan (niet limitatief):

- contacten van dealers en klanten in/vanuit een woning/lokaal (het totaal aan handelingen valt onder `verkoop`, ook al vinden levering en/of betaling elders plaats);

- verklaringen van klanten en/of drugskoeriers die met drugs zijn onderschept;

- aanwezigheid van handelsattributen.

Indien er onvoldoende aanwijzingen zijn voor handel kan in concrete gevallen, waar het middel van sluiting niet adequaat of evenredig is, bekeken worden welke andere maatregel dan sluiting wordt opgelegd.

[…].

Woningen

1. Indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van verdovende middelen, wordt bij softdrugs de woning gesloten voor de duur van drie maanden en bij harddrugs wordt de woning gesloten voor de duur van zes maanden.

2. Indien daarna opnieuw een overtreding wordt geconstateerd ten aanzien van verdovende middelen, wordt bij softdrugs de woning gesloten voor de duur van zes maanden en bij harddrugs wordt de woning gesloten voor de duur van twaalf maanden.

3. Indien daarna een 3e en volgende overtreding wordt geconstateerd wordt bij softdrugs de woning gesloten voor de duur van twaalf maanden en bij harddrugs wordt de woning gesloten voor de duur van vierentwintig maanden.