Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201708412/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:5023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om de nationaliteit in de basisregistratie personen (hierna: brp) te wijzigen van "onbekend" naar "staatloos" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708412/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Eindhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 september 2017 in zaak nr. 17/1563 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om de nationaliteit in de basisregistratie personen (hierna: brp) te wijzigen van "onbekend" naar "staatloos" afgewezen.

Bij besluit van 4 mei 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft twee nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat te Den Haag, vergezeld van [kleinzoon], de kleinzoon van [appellante], bijgestaan door L. Makaddam, tolk, en het college, vertegenwoordigd door N. van Hirtum, M. van Meijl en V. Beulen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 12 januari 2016 is aan [appellante] asiel verleend voor bepaalde tijd. Bij de inschrijving in de brp heeft het college de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: van Justitie en Veiligheid) verzocht om gegevens over de nationaliteit te sturen. De staatssecretaris heeft op 9 februari 1984 (lees: 2016) medegedeeld dat [appellante] met de nationaliteit "onbekend" in het systeem staat geregistreerd. Op basis hiervan heeft het college dit geregistreerd in de brp. [appellante] heeft het college op 3 augustus 2016 verzocht om de nationaliteit te wijzigen in "staatloos".

Besluitvorming

2.    [appellante] stelt dat zij de Palestijnse nationaliteit heeft. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor zij staatloos zou zijn. In de asielprocedure is ook vastgesteld dat zij staatloos is. Om haar nationaliteit aan te tonen heeft [appellante] een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen, een Syrische ID-kaart voor Palestijnse vluchtelingen met de vertaling ervan, een uittreksel uit het register der Arabische Palestijnen in Syrië met de vertaling ervan en een UNRWA-kaart voor Palestijnse vluchtelingen in Syrië overgelegd. Uit deze documenten blijkt dat zij op [dag, maand] in 1949 is geboren in [plaats, land]. Op 1 november 1967 heeft [appellante] met haar gezin asiel aangevraagd in het Al Yarmouk Kamp in Damascus, Syrië.

    Het college heeft de staatssecretaris verzocht om na te gaan of de nationaliteit "onbekend" juist is, vanwege het verschil tussen de nationaliteit die aan het college is medegedeeld en de nationaliteit die in de asielprocedure is vastgesteld. De staatssecretaris heeft op 9 februari 2017 geantwoord dat de nationaliteit door het college zelf dient te worden vastgesteld. Het college heeft vervolgens overwogen dat [appellante] geen document heeft overgelegd waarin gegevens over de nationaliteit van de ouders staan. Hierdoor kan volgens het college niet worden nagegaan of [appellante] door afstamming een nationaliteit heeft. Ook kan niet worden vastgesteld waar [appellante] tussen haar geboorte in [jaar] en haar asielaanvraag in 1967 heeft verbleven. Zij zou in een land gewoond kunnen hebben waar ze een nationaliteit heeft verkregen. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld of zij geen andere dan de Palestijnse nationaliteit heeft en dus staatloos is. Dat is de reden waarom het college het verzoek heeft afgewezen.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat voor het wijzigen van gegevens in de brp onomstotelijk moet vaststaan dat de gegevens onjuist zijn. Het college mag verlangen dat documenten worden overgelegd waaruit blijkt in welk land [appellante] in de periode 1949 - 1967 heeft verbleven. Artikel 6 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen (hierna: Staatloosheidsverdrag) staat hieraan niet in de weg. Dit artikel noch een ander artikel van het Staatloosheidsverdrag geeft regels met betrekking tot de vraag hoe staatloosheid moet worden bewezen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college niet de nationaliteit die in de asielprocedure is vastgesteld over hoeft te nemen. In de asielprocedure wordt slechts beoordeeld of de gestelde staatloosheid geloofwaardig is. Voor het bepalen van de nationaliteit in de brp heeft het college de mededeling van 11 juni 2016 (lees: 9 februari 2016) bepalend mogen achten, aldus de rechtbank.

Beoordeling gronden in hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college van haar mag verlangen dat zij documenten overlegt over haar verblijf in de periode 1949 - 1967. Zij kan hier niet aan voldoen, juist omdat zij staatloos is. De rechtbank heeft miskend dat het verzoek van het college in strijd is met artikel 6 van het Staatloosheidsverdrag. Daarbij tonen de documenten die zij heeft overgelegd aan dat zij staatloos is, aldus [appellante].

4.1.    Artikel 6 van het Staatloosheidsverdrag luidt: "Voor de toepassing van dit Verdrag houdt de term „onder dezelfde omstandigheden" in, dat een staatloze voor de uitoefening van een recht moet voldoen aan alle eisen […] waaraan hij zou moeten voldoen indien hij geen staatloze was, met uitzondering van de eisen waaraan, wegens hun aard, een staatloze niet kan voldoen."

    Het betoog dat het verzoek van het college om nadere documenten over te leggen zich niet verdraagt met artikel 6 van het Staatloosheidsverdrag, wordt niet gevolgd. De rechtbank heeft met juistheid, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 januari 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AO3607), geoordeeld dat het Staatloosheidsverdrag geen regels geeft met betrekking tot de vraag hoe staatloosheid moet worden bewezen. Pas bij een vastgestelde staatloosheid zijn de bepalingen van het Staatloosheidsverdrag van toepassing.

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1188)), dienen de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk te zijn. De gebruikers van die gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet basisregistratie personen onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. Het bewijs dat gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van documenten waaruit die onjuistheid blijkt. Zolang [appellante] geen documenten overlegt waaruit met zekerheid kan worden afgeleid dat zij staatloos is, kan het college niet anders dan de geregistreerde nationaliteit "onbekend" handhaven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3179). Doordat de overgelegde stukken geen informatie verschaffen over de nationaliteit van haar ouders of over haar verblijf in de periode 1949 - 1967, kan het college niet uitsluiten dat [appellante] door afstamming of verblijf in een ander land een andere nationaliteit dan de Palestijnse heeft verkregen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college van [appellante] mag verlangen dat zij documenten overlegt over haar verblijf in de periode 1949 - 1967.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de mededeling van 9 februari 2016 bepalend heeft mogen achten. Nu de staatssecretaris deze mededeling op 9 februari 2017 bij aanvullende of vervangende mededeling heeft gecorrigeerd, treft de verwijzing van de rechtbank naar de eerste mededeling van de staatssecretaris geen doel, aldus [appellante].

5.1.    De mededeling van de staatssecretaris van 9 februari 2017 was niet gebaseerd op een gewijzigd standpunt van de staatssecretaris over de nationaliteit van [appellante]. Deze mededeling van de staatssecretaris houdt in dat het college zelf de nationaliteit dient vast te stellen. Dit heeft het college gedaan en, gezien het voorgaande, is het op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de nationaliteit niet gewijzigd dient te worden. Niet is komen vast te staan dat de geregistreerde nationaliteit, die was gebaseerd op de mededeling van de staatssecretaris van 9 februari 2016, onjuist was. In die zin heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de eerste mededeling bepalend heeft mogen achten. De rechtbank heeft daarbij terecht geconcludeerd dat het college niet de nationaliteit die in de asielprocedure is vastgesteld heeft hoeven overnemen.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Slump    w.g. Klein

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

176-851.