Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201707842/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:9639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2016 heeft het college [appellante] een boete van € 10.250 opgelegd wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan het woonbestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707842/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2017 in zaak nr. 16/9793 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2016 heeft het college [appellante] een boete van € 10.250 opgelegd wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan het woonbestand.

Bij besluit van 7 november 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H. Oldenhof, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.P. Tjon-Man-Tsoi, zijn verschenen.

Overwegingen

    Wet- en regelgeving

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Besluitvorming

2.    Op 12 februari 2016 hebben toezichthouders van de gemeente Den Haag de door [appellante] gehuurde woning in de [locatie] gecontroleerd. Uit de rapporten blijkt dat de toezichthouders in de woning een hennepkwekerij hebben aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft het college aan [appellante] een boete opgelegd van € 10.250 wegens het in strijd met artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 onttrekken van de woning aan het woonbestand.

Aangevallen uitspraak

3.     De rechtbank heeft overwogen dat het college bevoegd was aan [appellante] een boete op te leggen en dat geen reden bestond de boete te matigen. Van strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is geen sprake. Het college is bij het vaststellen van de hoogte van de boete op goede gronden uitgegaan van de boetebedragen in Bijlage V van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019, waarbij [appellante] is aangemerkt als handelend vanuit een bedrijfsmatige exploitatie en ervan uit is gegaan dat sprake is van een eerste overtreding, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met artikel 6 van het EVRM onrechtmatig verkregen bewijs aan het besluit van 7 november 2016 ten grondslag heeft gelegd.

4.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellante] met dit betoog doelt op de rechtsgeldigheid van de machtiging tot binnentreden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van strijd met artikel 6 van het EVRM geen sprake is. Hiertoe wordt overwogen dat de handtekening op de machtiging, waarvan niet wordt betwist dat die is afgegeven, weliswaar moeilijk te lezen is, maar dat dit niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van de machtiging en daarmee van de binnentreding op grond van de machtiging. [appellante] kan derhalve niet worden gevolgd in haar standpunt dat het college aan het besluit van 7 november 2016 onrechtmatig verkregen bewijs ten grondslag heeft gelegd.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college haar ten onrechte heeft aangemerkt als overtreder. Zij voert hiertoe aan dat zij niet degene is die de overtreding heeft begaan.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:288), is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellante] niet kan worden aangemerkt als overtreder. Hierbij is van belang dat [appellante] gelet op de op 10 januari 2014 ondertekende huurovereenkomst de huurder is van de woning en in die hoedanigheid verantwoordelijk is voor wat er in de woning gebeurt.

    Het betoog faalt.

6.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte is uitgegaan van een bedrijfsmatige hennepkwekerij.

6.1.    Uit de toelichting bij artikel 45, tweede lid, en bijlage V van de Huisvestingsverordening volgt dat van bedrijfsmatige exploitatie sprake is indien de onttrekking van woonruimte vanuit commercieel oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren van een bedrijf (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een logiesfunctie), maar ook het in gebruik hebben van woonruimte met een hennepkwekerij, is als een onttrekking vanuit commercieel oogpunt te beschouwen, aldus de toelichting. Uit het inspectierapport volgt dat in de woning in twee van de drie vertrekken een hennepkwekerij is aangetroffen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de overtreding ten onrechte heeft aangemerkt als bedrijfsmatige exploitatie.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Veenboer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

730.

BIJLAGE Huisvestingswet 2014

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

c. huisvestingsverordening: verordening als bedoeld in artikel 4;

i. woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

Artikel 4

1 De gemeenteraad kan uitsluitend bij verordening voor de duur van ten hoogste vier jaar regels geven met betrekking tot:

a. het in gebruik nemen of geven van goedkope woonruimte, en

b. wijzigingen in de bestaande woonruimtevoorraad.

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken;

[…].

Artikel 35

1. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22, of van het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

[…]

3. De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019

Artikel 35 Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte

De in bijlage III van deze verordening opgenomen categorieën woonruimten mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot (permanente) bewoning worden onttrokken;

[…].

Artikel 45 Bestuurlijke boete

1. Voor overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22 van de Huisvestingswet 2014, of het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen.

2. De bestuurlijke boete wordt verhoogd met 100 procent van het boetebedrag dat in de bijlage bij deze verordening wordt bepaald, indien de overtreding is begaan bij een bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte.

[…]

4. Bij de toepassing van het gestelde in voorgaande leden hanteren burgemeester en wethouders de boetes als vermeld in bijlage V van deze verordening.

Bijlage V

Bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 45, vierde lid