Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2773

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201709461/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:5400, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2016 heeft het college een doodlopende weg ingesteld op De Bosschen gelegen tussen de Kasteeldreef en de 200 m noordelijk gelegen aansluiting met een onverhard pad, met uitzondering van (brom)fietsverkeer, een bromfietspad ingesteld op het wegvak van De Bosschen tussen 30 m ten zuiden vanaf de aansluiting Spoorlaan en 200 m ten noorden van de aansluiting Kasteeldreef en de kruising Christiaan Huygensweg - De Bosschen als voorrangskruising ingericht (hierna: het verkeersbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/647
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709461/1/A2.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Drunen, gemeente Heusden, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Drunen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 oktober 2017 in zaak nr. 17/925 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heusden.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2016 heeft het college een doodlopende weg ingesteld op De Bosschen gelegen tussen de Kasteeldreef en de 200 m noordelijk gelegen aansluiting met een onverhard pad, met uitzondering van (brom)fietsverkeer, een bromfietspad ingesteld op het wegvak van De Bosschen tussen 30 m ten zuiden vanaf de aansluiting Spoorlaan en 200 m ten noorden van de aansluiting Kasteeldreef en de kruising Christiaan Huygensweg - De Bosschen als voorrangskruising ingericht (hierna: het verkeersbesluit).

Bij besluit van 7 februari 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het verkeersbesluit, met aanvulling van een nadere motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.R. Botman, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Hermans, zijn verschenen. Voorts zijn daar als deskundigen M. van Kelegom aan de zijde van [appellante] en J.A.W. Berndsen aan de zijde van het college verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.    [appellante] is een onderneming die aanhangers, fietsaanhangwagens, bagagewagens, motoraanhangwagens en onderdelen daarvan verkoopt, verhuurt en onderhoudt in een bedrijfsgebouw aan De Bosschen te Drunen.

3.    Bij besluit van 17 november 1992 is op De Bosschen eenrichtingsverkeer (noordwaarts) ingesteld, uitgezonderd (brom)fietsers, en is die weg voor vrachtwagens gesloten verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat sluipverkeer gebruik maakt van de Kasteeldreef en omgeving en het nemen van nadere verkeersmaatregelen nodig is gebleken. Bij besluit van 19 november 2013 is het eenrichtingsverkeer en het inrijverbod voor vrachtwagens aan de zuidzijde van De Bosschen gedeeltelijk, over een lengte van 100 m vanaf de Kasteeldreef, opgeheven. Daarbij is onder meer overwogen dat aan de zuidzijde van De Bosschen gelegen percelen voor bedrijfsdoeleinden zijn verkocht, de op die percelen gevestigde bedrijven voor vrachtverkeer bereikbaar dienen te zijn, het wegprofiel van De Bosschen te smal is voor gemotoriseerd verkeer in twee richtingen en het eenrichtingsverkeer en het inrijverbod voor vrachtwagens daarom over een beperkte lengte worden opgeheven, zodat de bedrijven bereikbaar zijn, sluipverkeer richting de Kasteeldreef wordt geweerd en tweerichtingsverkeer zoveel mogelijk wordt voorkomen.

4.    Het verkeersbesluit brengt met zich dat het eenrichtingsverkeer wordt opgeheven, De Bosschen over een afstand van 200 m vanaf de Kasteeldreef voor alle verkeer, behalve (brom)fietsers, wordt afgesloten en daarna een bromfietspad begint dat tot aan het einde van De Bosschen aan de Spoorlaan doorloopt. Als gevolg van deze wijzigingen mag ook personenverkeer De Bosschen niet meer aan de noordelijke zijde verlaten en zal dat verkeer net als vrachtverkeer na 200 m moeten keren om De Bosschen te kunnen verlaten.

5.    In het besluit van 7 februari 2017 is overwogen dat het verkeersbesluit primair is genomen om de verkeersveiligheid en doorstroming op de toevoerroute naar het bedrijventerrein aan de Christiaan Huygensweg te waarborgen. Verwezen is naar een advies van bureau Goudappel Coffeng van 12 januari 2017. Daarnaast dient het verkeersbesluit de verkeersveiligheid op De Bosschen. Op deze weg en aansluitende wegen geldt een parkeerverbod. Het negeren van dat verbod en het verbod voor vrachtverkeer om op De Bosschen door te rijden richting Spoorlaan, is mede reden om De Bosschen af te sluiten voor doorgaand gemotoriseerd verkeer. Dit is nodig om fietsers te beschermen en een extra aansluiting ter hoogte van De Bosschen op de Christiaan Huygensweg te voorkomen. De verwachte toename van sluipverkeer op De Bosschen is een bijkomende reden voor het verkeersbesluit. Van belang hierbij is dat sluipverkeer al in 1992 reden was om eenrichtingsverkeer op De Bosschen in te stellen. Nog eerder was al een verbod op vrachtwagens op De Bosschen ingesteld. De redenen daarvoor zijn nog onverkort van toepassing. Veronderstelde toename van sluipverkeer komt daar nog bovenop.

6.    [appellante] heeft bij brief van 27 januari 2017 op het advies van Goudappel Coffeng van 12 januari 2017 gereageerd. Tevens heeft zij bij brief van 20 maart 2017 een rapport van de verkeersdeskundige C.F. Jaarsma (hierna: Jaarsma) van 18 maart 2017 overgelegd. Goudappel Coffeng heeft in een notitie van 22 maart 2017 op de brief van 27 januari 2017 gereageerd. Het college heeft bij brief van 27 juni 2017 een verweerschrift ingediend. [appellante] heeft bij brief van 7 juli 2017 een nadere notitie van Jaarsma overgelegd.

7.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de goede procesorde geweigerd de notitie van Jaarsma van 7 juli 2017 (hierna: de notitie) in de beoordeling te betrekken. Daartoe heeft zij overwogen dat zij de notitie pas op 10 juli 2017, drie dagen voor de zitting, heeft ontvangen en het college zich ter zitting tegen toevoeging van de notitie aan de stukken heeft verzet. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de notitie geen geringe omvang heeft en ruim na aanvang van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb is ingediend.

8.    [appellante] betoogt dat zij de notitie op 7 juli 2017 per fax aan de rechtbank heeft verzonden, ook het verweerschrift laat was ingediend, afstemming met haar rechtsbijstandsverzekeraar over de vergoeding van de kosten van de notitie noodzakelijk was en de notitie niet omvangrijk en niet ingewikkeld was.

8.1.    Ook indien de rechtbank de notitie op 7 juli 2017 heeft ontvangen, neemt dat niet weg dat, gelet op de datum van de zitting, de notitie niet met inachtneming van de artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gestelde termijn is ingezonden. Dat, zoals [appellante] terecht stelt, het verweerschrift pas laat is ontvangen, is daarvoor geen rechtvaardiging. Verder was het de keuze van [appellante] om pas na afstemming met de rechtsbijstandsverzekeraar nader advies aan Jaarsma te vragen. De gevolgen van die keuze komen voor haar risico. Voor het overige heeft Laurie geen belang bij haar betoog, omdat zij de notitie in hoger beroep opnieuw heeft ingebracht, het college daarop heeft kunnen reageren en de Afdeling de notitie bij de beoordeling van het hoger beroep zal betrekken.

    Het betoog faalt.

9.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 vermelde belangen het nemen van het verkeersbesluit vergen. In het rapport van Jaarsma van 18 maart 2017 is uiteengezet dat een aansluiting van De Bosschen op de Christiaan Huygensweg door middel van een voorrangskruising de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid op de Christiaan Huygensweg niet aantast. Voorts is in dat rapport uiteengezet dat de vrees voor sluipverkeer niet reëel is en geen reden voor afsluiting van De Bosschen voor gemotoriseerd verkeer in noordelijke richting, aldus [appellante].

9.1.    Volgens het door het college overgenomen advies van Goudappel Coffeng van 12 januari 2017 leidt de afsluiting van De Bosschen voor gemotoriseerd verkeer in noordelijke richting tot minder conflictpunten op de Christiaan Huygensweg en zorgt dat, mede gezien het relatief hoge aandeel vrachtverkeer en de overgang naar 50 km/u op de Christiaan Huygensweg, voor een meer verkeersveilige situatie. Daarnaast komt de afsluiting de verkeersafwikkeling op de Christiaan Huygensweg ten goede, aldus het rapport van Goudappel Coffeng.

9.2.    In het rapport van Jaarsma van 18 maart 2017 is daartegenin  gebracht dat de verkeersstroom op De Bosschen in noordelijke richting bescheiden van omvang is, dit verkeer op de Christiaan Huygensweg voorrang dient te verlenen alvorens in te voegen, het merendeel van dit verkeer rechtsaf zal slaan en de resterende afstand over de Christiaan Huygensweg tot de rotonde minder dan 200 m is, zodat het zeer de vraag is of gemotoriseerd verkeer van De Bosschen aan de doorstroming van het verkeer op de Christiaan Huygensweg in de weg staat. Verder is in dat rapport gewezen op de al bestaande conflictpunten op de Christiaan Huygensweg met kruisend (brom)fietsverkeer. Overschrijding van de maximumsnelheid van 50 km/u op de Christiaan Huygensweg is deels te voorkomen door het wegvak door middel van kantmarkering optisch te versmallen. Volgens Jaarsma leidt een aansluiting van De Bosschen op de Christiaan Huygensweg door middel van een voorrangskruising niet tot aantasting van de verkeersveiligheid en doorstroming op de Christiaan Huygensweg.

9.3.    Het rapport van Jaarsma van 18 maart 2017 geeft concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van Goudappel Coffeng, dat afsluiting van De Bosschen voor gemotoriseerd verkeer in noordelijke richting in het belang van de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling op de Christiaan Huygensweg is. Deze twijfel is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet slechts als een verschil van inzicht tussen twee deskundigen te kwalificeren. Hierbij is mede van belang dat Goudappel Coffeng in de notitie van 22 maart 2017 noch anderszins op het rapport van Jaarsma heeft gereageerd.

9.4.    Goudappel Coffeng heeft geen onderbouwing gegeven van de stelling van het college, dat afsluiting van De Bosschen voor gemotoriseerd verkeer in noordelijke richting in het belang van het voorkomen van sluipverkeer is. In het rapport van Jaarsma van 18 maart 2017 is in dit verband vermeld dat er in de oude situatie via De Bosschen een rechtstreekse verbinding met de Spoorlaan was, niet is gebleken van problemen met sluipverkeer in de oude situatie, de weinig comfortabele klinkerverharding en het (brom)fietsverkeer in twee richtingen niet tot sluipverkeer uitnodigen en niet valt in te zien waarom sluipverkeer zich zou kunnen ontwikkelen als gevolg van aansluiting van De Bosschen op de Christiaan Huygensweg.

9.5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet was gehouden om nader te onderbouwen waarom het een toename van het sluipverkeer verwacht. Het college heeft erop heeft gewezen dat deze verwachting is gebaseerd op de aanname dat verkeer als water is en altijd de kortste route zal kiezen. Die aanname komt de rechtbank niet onredelijk voor.

9.6.    Dit oordeel van de rechtbank is, in het licht van het rapport van Jaarsma van 18 maart 2017, niet houdbaar. Volgens Jaarsma is de vrees voor sluipverkeer niet reëel en dus geen reden voor afsluiting van De Bosschen voor gemotoriseerd verkeer in noordelijke richting. Het college heeft niet met het advies van een verkeersdeskundige of anderszins aannemelijk gemaakt dat de conclusie van Jaarsma niet juist is.

9.7.    Verder is in het besluit van 7 februari 2017 niet inzichtelijk gemaakt dat het verkeersbesluit het belang van de verkeersveiligheid op De Bosschen, bescherming van fietsers, dient. Indien, zoals in dat besluit is gesteld, gemotoriseerd verkeer het parkeerverbod op De Bosschen negeert en vrachtverkeer zich niet houdt aan het verbod om in noordelijke richting door te rijden, valt niet zonder nadere onderbouwing met gegevens of stukken, die ontbreekt, in te zien dat de verkeersveiligheid van fietsers in gevaar komt. Bij overtreding van die verboden dient handhavend te worden opgetreden. Het college heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat, zoals het heeft gesteld, overtreding van die verboden voor fietsers tot ongelukken heeft geleid.

9.8.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het verkeersbesluit strekt tot het verzekeren van de verkeersveiligheid en doorstroming van het verkeer op de Christiaan Huygensweg, het voorkomen van sluipverkeer op De Bosschen en de verkeersveiligheid op De Bosschen.

    Het betoog slaagt.

10.    Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellante] voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 7 februari 2017 ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Dit betekent dat het college met inachtneming van de overwegingen van de uitspraak van de Afdeling opnieuw op het door [appellante] tegen het besluit van 6 september 2016 gemaakte bezwaar dient te beslissen. Indien het college dat besluit wenst te handhaven, dient het college alsnog deugdelijk te motiveren dat aan dat besluit belangen ten grondslag zijn gelegd, die binnen de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 vermelde belangen passen.

11.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

12.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

12.1.    Voor de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, volgens de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, punten toegekend aan verrichte proceshandelingen. In beroep gaat het om twee proceshandelingen, te weten het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij de rechtbank. In hoger beroep gaat het eveneens om twee proceshandelingen, te weten het indienen van een hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting bij de Afdeling. Dit zijn in totaal 4 punten. Per punt wordt volgens genoemde bijlage een forfaitair bedrag van € 501,00 toegekend. Dat komt neer op € 2.004,00.

12.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3819) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.

    De kosten van het rapport van Jaarsma van 18 maart 2017 komen voor vergoeding in aanmerking, omdat [appellante] dit rapport heeft laten opstellen om aan te tonen dat het besluit van 7 februari 2017, gelezen in samenhang met het advies van Goudappel Coffeng van 12 januari 2017, niet deugdelijk is gemotiveerd. Uit de factuur van 20 maart 2017 kan worden afgeleid dat Jaarsma 24 uur tegen een uurtarief van € 112,50, exclusief BTW, heeft besteed aan het opstellen van het rapport van 18 maart 2017. De Afdeling acht dit redelijk. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport is derhalve € 2.700,00. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.

    De notitie van 7 juli 2017 is naar aanleiding van het verweerschrift opgesteld. De Afdeling acht het redelijk dat [appellante] om de notitie heeft verzocht en deze alsnog in het geding heeft gebracht ter ondersteuning van haar standpunt. Uit de declaratie van 7 juli 2017 kan worden afgeleid dat Jaarsma 5,5 uur tegen een uurtarief van € 112,50, exclusief BTW, aan de notitie heeft besteed. De Afdeling acht dit redelijk. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport is derhalve € 618,75. Dit bedrag dient eveneens te worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.

12.3.    De vergoeding voor de door Van Kelegom in verband met de zitting van de Afdeling gemaakte reiskosten wordt, op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder c, van dat besluit en artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, forfaitair vastgesteld op € 33,57. De vergoeding voor de door Van Kelegom in verband met de zitting van de Afdeling gemaakte verletkosten wordt, op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder d, van dat besluit en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, forfaitair vastgesteld op € 487,80. Voor vergoeding van de kosten van het door Van Kelegom voorbereiden van de zitting bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 oktober 2017 in zaak nr. 17/925;

III.    verklaart het door [appellante] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heusden van 7 februari 2017;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Heusden te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heusden tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.844,12 (zegge: vijfduizend achthonderdvierenveertig euro en twaalf cent);

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Heusden aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 834,00 (zegge: achthonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

452. BIJLAGE - WETTELIJK KADER

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 2

1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

    a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

    b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

    c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

    d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

2.  De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

    a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

    b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

[…].

Artikel 15

1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

2.  Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of u

itbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer

Artikel 21

De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.