Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201708252/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:4539, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft het college aan Stichting Christelijke Onderwijsgroep Vallei en Gelderland Midden omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een onderwijsgebouw op het perceel aan de Reehorsterweg 90 te Ede (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708252/1/A1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 september 2017 in zaak nr. 17/2005 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft het college aan Stichting Christelijke Onderwijsgroep Vallei en Gelderland Midden omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een onderwijsgebouw op het perceel aan de Reehorsterweg 90 te Ede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 april 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 27 oktober 2016 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 5 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft het college de verleende omgevingsvergunning ingetrokken.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.G. Blasweiler, advocaat te Ede, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Akciger, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Stichting Christelijke Onderwijsgroep Vallei en Gelderland Midden wilde, ten tijde hier van belang, op het perceel een onderwijsgebouw realiseren. In dit gebouw zou één leslokaal komen en een garage voor een onbemand voertuig. Het onderwijsgebouw zou worden gebruikt door het opleidingscentrum ROC A12. Op het perceel zelf staat reeds een ander gebouw dat door ROC A12 voor onderwijs wordt gebruikt en in de nabije omgeving zijn ook andere gebouwen ten behoeve van onderwijs in gebruik. Het gebouw zou op het hoogste punt 4,5 m hoog zijn en van een grasdak worden voorzien. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo en artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

    [appellant] woont in het appartementencomplex achter het perceel. Hij is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, met name omdat hij vreest voor een hogere parkeerdruk en aantasting van zijn uitzicht.

2.    Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep, omdat de verleende omgevingsvergunning bij besluit van 15 maart 2018 is ingetrokken.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1637, kan een betrokkene belang hebben bij de beoordeling van zijn hoger beroep wegens het afwijzen van het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar. Het college heeft bij besluit van 11 april 2017 het verzoek van [appellant] om vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte kosten afgewezen. Reeds daarmee is het belang van [appellant] gegeven en dient de Afdeling het geschil te beoordelen, al is de omgevingsvergunning inmiddels ingetrokken.

3.    [appellant] heeft ter zitting zijn betoog dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), ingetrokken.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college had moeten weigeren de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen vanwege strijd met de Bouwverordening gemeente Ede (hierna: de bouwverordening). Hij voert aan dat het college ten onrechte op grond van de Nota Parkeernormering gemeente Ede 2016 (hierna: de nota) heeft besloten tot afwijking van de in de nota opgenomen parkeernormen. [appellant] vreest dat als er niet voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein zullen worden aangelegd, dit tot parkeerhinder zal leiden. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat het beleid zoals neergelegd in de nota, niet ziet op toepassing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening, maar op de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. [appellant] voert verder aan dat het college ten onrechte niet nader heeft onderzocht of voldaan kan worden aan de parkeernormen en ook geen ontheffing daarvan heeft verleend.

4.1.    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk."

    Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening […]"

    Artikel 2.5.30 van de bouwverordening luidt:

"1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

[…]

4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien."

4.2.    In de inleiding van de nota staat dat in de nota het Edese parkeernormenbeleid is vastgelegd en dat het doel van de nota is om te voorkomen dat bij de ontwikkeling van nieuwe bouwplannen een te hoge parkeerdruk ontstaat. In de nota is opgenomen hoe de parkeernorm moet worden berekend. Verder staat in de nota welke mogelijkheden bestaan om van deze parkeernorm af te wijken.

    Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat de nota handvatten geeft aan het college om invulling te geven aan artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Dat in de nota wordt verwezen naar de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit, betekent niet dat de nota ter invulling van deze nota’s is bedoeld, maar slechts dat de nota beoogt om qua inhoud bij de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit aan te sluiten. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college de nota aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

    Het betoog faalt in zoverre.

4.3.    Niet in geschil is dat op grond van de nota het bouwplan moet voorzien in zes parkeerplaatsen op eigen terrein, hetgeen niet het geval is. Van deze parkeernorm kan volgens de nota worden afgeweken, indien in de openbare ruimte voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is of indien sprake is van bijzondere maatschappelijke, culturele en/of economische belangen die zwaarder wegen dan het voldoen aan de parkeernorm. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat binnen acceptabele loopafstand in de openbare ruimte parkeergelegenheid beschikbaar is en dat aannemelijk is dat de studenten gebruik zullen blijven maken van de reeds ten behoeve van de overige lessen in andere gebouwen beschikbare parkeergelegenheid van het ROC A12, die zich op loopafstand van het perceel bevindt. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op een verslag van M. Rohde, verkeersdeskundige bij de gemeente, en het parkeeronderzoek "Parkeeronderzoek Bovenbuurtweg eo." van Advin adviseurs en ingenieurs van 11 maart 2014. Het college stelt zich op het standpunt dat daarom kan worden afgeweken van de parkeernorm van zes parkeerplaatsen. Het college heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om van de parkeernorm af te wijken. Voorts vereist artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening, gelet op de tekst daarvan, anders dan [appellant] betoogt, niet dat een expliciet besluit tot ontheffing van de parkeernorm wordt genomen. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet de benodigde ontheffing heeft verleend, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Het betoog faalt ook in zoverre.    

4.4.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen vanwege strijd met de bouwverordening.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college had moeten weigeren de gevraagde vergunning te verlenen, omdat niet is aangetoond dat de welstandscommissie het bouwplan heeft beoordeeld. Het college stelt weliswaar dat dit het geval is, maar dat is niet met stukken onderbouwd, aldus [appellant].

5.1.    Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend."

5.2.    Het college heeft twee stukken van de welstandscommissie overgelegd. In het stuk van 21 juli 2016 staat dat het bouwplan voldoet aan de criteria van het beeldkwaliteitsplan. Het tweede stuk is een schermafbeelding van een digitaal systeem. Hierop staat dat in de vergadering van 24 augustus 2016 het ontwerp in een eerdere vergadering is goedgekeurd en dat de commissie van mening is dat het ontwerp voldoet aan het beeldkwaliteitsplan. Gelet hierop heeft de welstandscommissie het bouwplan beoordeeld. Het betoog van [appellant] dat het college niet met stukken heeft onderbouwd dat de welstandscommissie het bouwplan heeft beoordeeld, mist dan ook feitelijke grondslag.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen omgevingsvergunning voor bouwen in afwijking van het bestemmingsplan heeft mogen verlenen, omdat aan het besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De belangenafweging van het college had in redelijkheid tot een ander resultaat moeten leiden, omdat het voorziene gebouw zijn uitzicht ontneemt, aldus [appellant]. Hij voert in dat kader aan dat het college niet heeft aangetoond dat hij over het gebouw heen zal kunnen kijken en ook niet dat het noodzakelijk is dat op deze plek een nieuw onderwijsgebouw wordt gerealiseerd.

6.1.    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."

    Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…]"    

    Artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Bor luidt:

"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking een bijbehorend bouwwerk […]."

6.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zandlaan eo" rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijk". Vast staat en ook niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het in strijd met artikel 10.2.1, aanhef en onder a, van de planregels buiten het bouwvlak is voorzien.

6.3.    Wat betreft het betoog van [appellant] over het ontbreken van een goede ruimtelijke onderbouwing, overweegt de Afdeling dat het college omgevingsvergunning heeft verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo. In dit artikellid staat, anders dan onder 3˚, niet dat het college alleen omgevingsvergunning kan verlenen indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

    Wat betreft het betoog van [appellant] over strijd met een goede ruimtelijke ordening, overweegt de Afdeling als volgt. In de omstandigheid dat het college niet heeft aangetoond dat uitvoering van het bouwplan op de gewenste locatie noodzakelijk is, overweegt de Afdeling dat dat ook niet vereist is om van het bestemmingsplan af te mogen wijken. Het college stelt zich op het standpunt dat het het belangrijker vindt dat een gebouw waarin onderwijs zal worden gegeven, kan worden gerealiseerd, dan dat [appellant] een vrij uitzicht behoudt. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat er stedenbouwkundig gezien geen bezwaar bestaat tegen het bouwplan, omdat het gebouw op ongeveer dezelfde voorgevellijn zal worden gebouwd als het naastgelegen, reeds op het perceel gebouwde gebouw, en qua hoogte en volume een zodanige uitstraling zal hebben dat het daar ook duidelijk ondergeschikt aan zal zijn. Het college heeft verder in aanmerking genomen dat het gebouw voorzien zal worden van een grasdak. Hoewel het uitzicht van [appellant] door het voorziene gebouw zal worden aangetast, is deze aantasting niet zodanig dat de Afdeling aanleiding ziet voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op voornoemd standpunt heeft kunnen stellen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat er geen recht bestaat op vrij uitzicht. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden om te oordelen dat de vergunning in strijd met een goede ruimtelijke ordening is verleend. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en artikel 6 van het EVRM. [appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank niet op al zijn argumenten is ingegaan. Verder voert hij aan dat de rechtbank zijn gronden niet juist heeft beoordeeld, omdat de rechtbank zonder goede motivering de standpunten van het college heeft gevolgd, aldus [appellant].

7.1.    Artikel 8:69 van de Awb luidt:

"1 De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

[…]"

    Artikel 6 van het EVRM luidt:

"1 Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]"

7.2.    De Afdeling overweegt dat artikel 8:69 van de Awb en artikel 6 van het EVRM niet nopen tot het beoordelen van elk afzonderlijk argument dat is vervat in een beroepsgrond. De rechtbank heeft alle beroepsgronden van [appellant] behandeld en er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat zij deze artikelen in zoverre heeft geschonden.

    Ook verder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank artikel 8:69 van de Awb en artikel 6 van het EVRM heeft geschonden. De omstandigheid dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de betogen van [appellant] falen, is als zodanig onvoldoende voor het oordeel dat de rechtbank het recht op een eerlijk proces heeft geschonden of geen uitspraak heeft gedaan op grond van het beroepschrift, de overgelegde stukken en het onderzoek ter zitting. [appellant] heeft ook verder niet onderbouwd waarom de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Awb of artikel 6 van het EVRM heeft gehandeld.

    Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep, in het beroep bij de rechtbank of in de bezwaarschriftenprocedure bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Troostwijk

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

163-811.