Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201707614/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:5616, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2016 heeft het college de door [appellante] verzochte urgentieverklaring geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707614/1/A3.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], verblijvend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2017 in zaak nr. 17/1390 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2016 heeft het college de door [appellante] verzochte urgentieverklaring geweigerd.

Bij besluit van 9 februari 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. Sietsma, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Hamdach, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het relevante juridische kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van de uitspraak.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2.    [appellante] heeft op 22 maart 2016 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Reden daarvoor is dat zij geen eigen woning heeft en dat zij samen met haar vierjarige dochter sinds enige tijd afwisselend verblijft bij twee vrienden die haar onderdak verlenen. Zij slaapt op de bank en leeft uit een koffer. Voorheen woonde zij bij haar moeder, maar vanwege hoog oplopende spanningen, moest zij daar noodgedwongen vertrekken.

2.1.    Het college heeft deze aanvraag bij zijn besluit van 29 juni 2016 afgewezen. Het is volgens het college bij hoge uitzondering mogelijk om een urgentieverklaring te verlenen. Doorslaggevend bij de beoordeling van een aanvraag is of een levensontwrichtende situatie bestaat. Op grond van het advies van de GGD-arts heeft het college geconcludeerd dat de situatie van [appellante], hoewel verre van ideaal, in medisch opzicht niet levensontwrichtend is en dat geen contra-indicatie bestaat voor inwonen. Verlening van een urgentieverklaring op medische gronden is daarom niet gerechtvaardigd, aldus het college.

2.2.    Het college heeft de weigering van de urgentieverklaring bij besluit op bezwaar van 9 februari 2017 gehandhaafd. Het college heeft overwogen dat in Amsterdam een schaarste aan betaalbare huurwoningen bestaat en dat het een strak beleid voert wat betreft de verlening van een urgentieverklaring om te voorkomen dat urgent woningzoekenden een te groot beslag leggen op het woningaanbod. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat [appellante] ten tijde van belang inwonend is en dat zij daarom geen urgent huisvestingsprobleem heeft. Ook acht het college [appellante] in staat haar huisvestingsprobleem zelf op te lossen. In de bezwaarprocedure heeft de GGD-arts een aanvullend advies uitgebracht, waarbij hij het medische dossier van [appellante] en de nieuw ontvangen informatie heeft betrokken. De GGD-arts heeft geconcludeerd dat geen sprake is van ernstige psychiatrie en dat de klachten vooral zijn terug te voeren op de moeilijke woonsituatie. In dat advies is vermeld dat [appellante] in staat wordt geacht zelf een inwoonadres te zoeken. Verder kan [appellante] volgens het college een woning in een andere gemeente zoeken waar de druk op de woningmarkt kleiner is dan in Amsterdam. [appellante] komt geen beroep toe op de hardheidsclausule, aldus het college.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de urgentieverklaring op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening, terecht heeft afgewezen, omdat [appellante] inwoont bij vrienden en daarom geen urgent huisvestingsprobleem bestaat. Het college heeft verder, onder verwijzing naar de adviezen van de GGD-arts van 27 juni 2016 en 11 oktober 2016, het door [appellante] gedane beroep op de hardheidsclausule kunnen afwijzen, aldus de rechtbank.

Het geschil in hoger beroep

4.    [appellante] is het niet eens met deze uitspraak. Zij betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college nader advies had moeten vragen aan de GGD-arts naar aanleiding van een in bezwaar overgelegde e-mail van haar behandelaar. Uit die e-mail volgt dat zij lijdt aan een depressie. Uit deze e-mail volgt ook dat vaker contact is geweest met deze behandelaar dan door de GGD-arts is aangenomen. Dat regelmatige bezoek geeft ook weer dat [appellante] met ernstige medische problematiek te kampen heeft. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met die problematiek, aldus [appellante]. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule. Weigering van de urgentieverklaring leidt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, tot een schrijnende situatie, aldus [appellante].

4.1.    Het college heeft de medische adviezen van de GGD-arts van 27 juni 2016 en van 11 oktober 2016 aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Het advies van 11 oktober 2016 is gevraagd naar aanleiding van het bezwaarschrift. Uit dat advies volgt dat de GGD-arts de nieuwe informatie die [appellante] in bezwaar heeft ingebracht, heeft bestudeerd en dat hij in medisch opzicht geen aanleiding ziet om terug te komen op zijn eerdere standpunt dat de situatie van [appellante] niet levensontwrichtend is en dat geen contra-indicaties voor inwonen bestaan. Vervolgens heeft het college [appellante] in de gelegenheid gesteld op dat advies te reageren. [appellante] heeft daarop de e-mail van haar behandelaar van 26 oktober 2016 overgelegd. De GGD-arts heeft bij e-mail van 30 januari 2017 op die nadere informatie gereageerd. De GGD-arts heeft te kennen gegeven dat de behandelaar in zijn brief van 2 juni 2016 schreef dat hij [appellante] tot dan 6 keer 45 minuten had gesproken en dat hij van die informatie is uitgegaan. Verder heeft de GGD-arts opgemerkt bekend te zijn met de omstandigheid dat [appellante] in het verleden ook is behandeld door psychologen, onder andere voor een postpartum depressie en dat zij kortdurend medicatie heeft gebruikt. Volgens de GGD-arts is deze depressie in het algemeen van voorbijgaande aard. De huidige psychische problemen zijn, aldus de GGD-arts, voornamelijk ontstaan door woonproblemen en door weinig perspectief in haar leven. Dat is volgens de GGD-arts bij veel mensen het geval die na een verbroken relatie ook kampen met een instabiele woonsituatie. Dat zij regelmatig wordt gezien door een praktijkondersteuner voor steunend contact maakt niet dat sprake is van een ernstige medische levensontwrichtende problematiek.

    Het college heeft vervolgens alle informatie bij zijn besluitvorming in bezwaar betrokken en geconcludeerd dat de situatie van [appellante] de afgifte van een urgentieverklaring niet rechtvaardigt.

4.2.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de adviezen van de GGD-arts subjectief of niet-inzichtelijk zijn opgesteld. Evenmin bestaat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, twijfel over de zorgvuldigheid van het door de GGD-arts verrichte onderzoek. Het college heeft die adviezen dan ook terecht bij zijn besluitvorming betrokken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:807). Ook heeft de rechtbank, gelet op de reactie van de GGD-arts op de door [appellante] overgelegde e-mail van haar behandelaar, terecht geoordeeld dat het college de GGD-arts niet nogmaals om een nader advies hoefde te verzoeken. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat de inhoud van de e-mail van de behandelaar van 26 oktober 2016 niet afwijkt van de eerder door diezelfde behandelaar verstrekte informatie en dat de inhoud van de e-mail van 26 oktober 2016 de GGD-arts niet tot een ander advies heeft gebracht. Hoewel de situatie van [appellante], zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld en ter zitting van de Afdeling naar voren is gekomen, verre van ideaal is, heeft het college daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien [appellante] onder toepassing van de hardheidsclausule een urgentieverklaring te verlenen.

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Grimbergen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

581. BIJLAGE

Huisvestingswet

Artikel 12

1. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

2. De gemeenteraad legt, indien hij toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening de criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in dat lid, worden ingedeeld in urgentiecategorieën.

[…].

Huisvestingsverordening

Artikel 2.6.2

1. Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:

a. bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager blijkens diens inschrijving in de basisregistratie zijn woonadres heeft; of,

b. bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager niet in de woningmarktregio woont.

[…].

3. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden:

a. stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven in een aanbodinstrument;

b. informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; en

c. informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van aanvrager.

[…].

Artikel 2.6.5

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[…];

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

[…].

Beleidsregels urgenties

I. Inleiding

In deze beleidsregels wordt beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam uitvoering geeft aan de regels op het gebied van urgentieverlening die zijn vastgelegd in de Huisvestingsverordening (HVV) Amsterdam, paragraaf 2.6.

De Huisvestingswet 2014, artikel 12 vormt de juridische basis voor de regels voor urgentieverstrekking in de Huisvestingsverordening. Definities van gehanteerde termen in deze beleidsregels zijn gelijk aan die van artikel 1 van de HVV.

De Algemene wet bestuursrecht (4:81 lid 1) regelt de mogelijkheid voor gemeente om beleidsregels te stellen bij de uitvoering van regels in een verordening.

De beleidsregels zijn opgebouwd in de volgorde van de artikelen van paragraaf 6 (urgentie) in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016. De titels van de beleidsregels bevatten tussen haakjes het uitgewerkte artikel in de HVV.

II. Beleidsregels urgentie

[…].

3. Algemene weigeringsgronden (HVV artikel 2.6.5)

Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden van de Huisvestingsverordening artikel 2.6.5.

[…].

De bovengenoemde weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de volgende voorwaarden en criteria:

[…].

Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem

De volgende situaties gelden niet als op zichzelf staande urgente huisvestingsproblemen:

•    de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting;

•    de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager;

•    de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning en/of behorende tuin niet meer zelf onderhouden;

•    de aanvrager wil of moet vanwege zijn werk verhuizen;

•    de aanvrager woont, met of zonder kinderen, bij een ander huishouden in;

•    de aanvrager of diens partner is zwanger;

•    de aanvrager is gescheiden of de samenwonings- of partnerrelatie is verbroken maar woont nog met de (ex-)partner in één woning;

•    de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten;

•    de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst;

•    de aanvrager woont in onderhuur;

•    de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap, terwijl de kinderen elders onderdak hebben;

•    de aanvrager heeft psychische problemen als gevolg van één of meer van de hierboven genoemde omstandigheden.

Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen;

Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager:

•    niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;

•    een gezin heeft gesticht zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken;

•    een passende reguliere woning aangeboden kreeg in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen, tot een jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag van urgentie;

•    zelf de financiële middelen heeft om het huisvestingsprobleem op te lossen;

•    55 jaar of ouder is, waardoor de aanvrager een ouderen- of seniorenwoningen kan krijgen;

•    een huishouden van maximaal 3 personen heeft alsmede inschrijfduur bij Woningnet van 9,5 jaar of meer, waarmee ook zonder urgentie ook een passende woning verkrijgbaar is;

•    een huishouden van 4 personen of meer heeft alsmede inschrijfduur bij Woningnet van 11 jaar of meer, waarmee zonder urgentie ook een passende woning verkrijgbaar is.

[…].