Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201709512/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2016 heeft de minister het verzoek van [appellante] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709512/1/V6.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 augustus 2017 in zaak nr. 17/1455 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2016 heeft de minister het verzoek van [appellante] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen.

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 17 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.V. van Blitterswijk, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    De minister heeft het verzoek van [appellante] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen, omdat uit de rapportages van 10 augustus 2016, 11 januari 2017 en een ongedateerde rapportage (hierna samen: de adviezen) van F. Knol, arts (hierna: de medisch adviseur), is gebleken dat er geen medische redenen zijn op grond waarvan zij gedurende een periode van ten minste drie aaneengesloten maanden geen onderwijs heeft kunnen volgen.

2.    [appellante] betoogt dat de adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat deze niet op alle relevante feiten en omstandigheden zijn gebaseerd. [appellante] verwijst naar medische informatie van haar huisarts, orthopedisch chirurg en fysiotherapeut. Zij voert aan dat daaruit blijkt dat zij gedurende meer dan drie maanden niet in staat was onderwijs te volgen vanwege diverse medische aandoeningen. Verder voert zij aan dat in de adviezen onvoldoende rekening is gehouden met de impact van alle voortdurende medische klachten tezamen.

2.1.    Artikel 7 van de Wet inburgering luidde ten tijde van belang:

‘1. De inburgeringsplichtige verwerft binnen drie jaar mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en kennis van de Nederlandse samenleving.

[…]

3. Onze Minister verlengt de in het eerste lid bedoelde termijn:

a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft terzake van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht, […].’

2.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2541) moet het bestuursorgaan, indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien het deskundigenadvies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende inburgeringsplichtige de uitkomst van het advies bestrijden door een deskundige in te schakelen en een contra-expertise in te brengen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister het besluit van 2 februari 2017, waarin hij de weigering om verlenging van de inburgeringstermijn te verlenen heeft gehandhaafd, mocht baseren op de adviezen. Deze houden in dat er geen medische reden is op grond waarvan [appellante] gedurende een periode van ten minste drie aaneengesloten maanden geen onderwijs heeft kunnen volgen. Deze eis berust op een bestendige uitvoeringspraktijk, zoals door de minister ter zitting bij de Afdeling toegelicht. De medisch adviseur heeft voor het opstellen van de adviezen medische informatie opgevraagd bij de huisarts van [appellante] en de door [appellante] overgelegde stukken meegewogen. [appellante] heeft in hoger beroep nieuwe verklaringen van haar huisarts, fysiotherapeut en orthopedisch chirurg overgelegd. De orthopedisch chirurg beschrijft naar aanleiding van heupklachten een diagnose en behandelplan. De fysiotherapeut verklaart dat het voor hem moeilijk is om aan te geven of de beperking zodanig was dat [appellante] niet met het openbaar vervoer kon reizen. De huisarts is van mening dat de klachten tot beperkingen hebben geleid die tot gevolg hebben gehad dat [appellante] gedurende enige tijd de extra belasting ten behoeve van de inburgering niet aan kon. De artsen en fysiotherapeut gaan niet inhoudelijk in op de adviezen en concluderen niet dat [appellante] gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden geen onderwijs heeft kunnen volgen. Deze verklaringen kunnen daarom niet afdoen aan de uitkomst van de adviezen. Bovendien heeft de minister deze verklaringen voorgelegd aan de medisch adviseur. Uit zijn advies van 7 februari 2018 blijkt dat hij op basis van de overgelegde stukken geen aanleiding ziet tot aanpassing van de adviezen. Verder blijkt uit het eerdere advies van 11 januari 2017 dat uit de samenhang van de klachten niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een onvermogen tot het volgen van onderwijs gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de medisch adviseur haar medische problemen dus in onderlinge samenhang bezien.  

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

670-876.