Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201709468/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om naturalisatie (hierna: het verzoek) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2019/893
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709468/1/V6.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2017 in zaak nr. 17/2314 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om naturalisatie (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 27 maart 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T. Nauta, is verschenen.

Overwegingen

1.    Onder de staatssecretaris wordt ook diens rechtsvoorganger verstaan.

2.    De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet als voldoende ingeburgerd in de Nederlandse samenleving kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). Hiertoe heeft de staatssecretaris redengevend geacht dat [appellant] geen diploma van inburgering heeft overgelegd en de andere overgelegde stukken onvoldoende zijn om voor vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking te komen. Volgens de staatssecretaris doen zich geen bijzondere feiten of omstandigheden voor als bedoeld in artikel 10 van de RWN, op grond waarvan hij in afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN aan [appellant] het Nederlanderschap zou moeten verlenen.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn situatie niet dermate bijzonder is, dat toepassing van artikel 10 van de RWN gerechtvaardigd is. [appellant] voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij ter onderbouwing van zijn inburgeringsinspanningen bewijzen heeft overgelegd, waaraan de rechtbank geen inhoudelijke overweging heeft gewijd. De rechtbank heeft haar uitspraak derhalve niet deugdelijk gemotiveerd.

3.1.    Artikel 8, eerste lid, van de RWN luidt:

‘Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker:

[…]

d. die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en - indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft - de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; […].’

    Artikel 10 van de RWN luidt:

‘Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.’

    De Handleiding RWN (hierna: de Handleiding), luidde ten tijde van belang:

‘Vanaf 1 juli wordt de verzoeker in het kader van de naturalisatie op grond van niet medische redenen ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als hij zich aantoonbaar heeft ingespannen het inburgeringsexamen te behalen. Hij kan dit aantonen op de volgende manieren:

1. Overleggen van een ontheffingsbeschikking van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2. Overleggen van een advies van DUO.

[…]

Let op! Een ontheffingsbeschikking op grond van aantoonbare inspanning afgegeven door het college van B&W geeft geen recht op ontheffing in het kader van de naturalisatie.

[…]

In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen.’

3.2.    De algemene motiveringsplicht vereist niet dat de rechtbank, indien zij oordeelt dat een beroepsgrond faalt, al hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, gemotiveerd moet weerleggen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4659). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak een opsomming gegeven van de door [appellant] overgelegde stukken, waaruit kan worden afgeleid dat de rechtbank deze bij de beoordeling heeft betrokken.      

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1804), heeft de staatssecretaris bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheden die [appellant] naar voren heeft gebracht, in samenhang gewogen, niet maken dat zijn situatie zo bijzonder is, dat hij artikel 10 van de RWN had moeten toepassen. Dat [appellant] voorafgaand aan het verzoek lang in Nederland verbleef, kinderen heeft en zich heeft ingespannen om ingeburgerd te raken zijn geen uitzonderlijke omstandigheden omdat die niet specifiek alleen op hem van toepassing zijn, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Verder volgt uit de Handleiding, zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven, dat een ontheffingsbeschikking op grond van aantoonbare inspanning afgegeven door het college van burgemeester en wethouders, zoals door [appellant] overgelegd, geen recht geeft op ontheffing in het kader van naturalisatie. Hiervoor dient een ontheffingsbeschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dan wel een advies van Dienst Uitvoering Onderwijs te worden overgelegd. [appellant] heeft dat niet gedaan.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

670-876.