Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
201703078/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:2079, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft de minister van Veiligheid en Justitie een aanvraag van [belanghebbende] om de geslachtsnaam van haar minderjarige kinderen te wijzigen van [appellant] in [naam], toegewezen. [appellant] en [belanghebbende] hebben twee kinderen, geboren op [2005] en [2007]. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat [appellant] nooit op hetzelfde adres als [belanghebbende] en de kinderen ingeschreven heeft gestaan. De minister heeft een aanvraag van [belanghebbende] om de geslachtsnaam van beide kinderen te wijzigen van [appellant] in [naam] toegewezen. [appellant], de vader van beide kinderen, kan zich hierin niet vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703078/1/A3.

Datum uitspraak: 15 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2017 in zaak nr. 16/5442 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie, thans de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft de minister een aanvraag van [belanghebbende] om de geslachtsnaam van haar minderjarige kinderen te wijzigen van [appellant] in [naam], toegewezen.

Bij besluit van 20 mei 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.    

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Brouwer, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Ibrahim, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende].

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] en [belanghebbende] hebben twee kinderen, geboren op [2005] en [2007]. Uit de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP) blijkt dat [appellant] nooit op hetzelfde adres als [belanghebbende] en de kinderen ingeschreven heeft gestaan. De minister heeft een aanvraag van [belanghebbende] om de geslachtsnaam van beide kinderen te wijzigen van [appellant] in [naam] toegewezen. [appellant], de vader van beide kinderen, kan zich hierin niet vinden.

Besluit van 20 mei 2016

3.    De minister heeft zich in het besluit van 20 mei 2016 op het standpunt gesteld dat de aanvraag van [belanghebbende] om geslachtsnaamswijziging voldoet aan de voorwaarden die in het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) zijn gesteld. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat [belanghebbende] de kinderen een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft verzorgd en opgevoed. Daarnaast heeft [appellant] na de geboorte van de kinderen minder dan een vierde deel van de periode voorafgaand aan de verzorgingstermijn met de kinderen in gezinsverband samengeleefd. Verder weegt het belang van het familie- en gezinsleven van de kinderen en [belanghebbende] zwaarder dan de belangen die [appellant] heeft bij het afwijzen van vorenbedoelde aanvraag, aldus de minister.

Samenleven in gezinsverband

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet heeft samengeleefd met de kinderen en dat daarom aan de verzorgingstermijn als bedoeld in artikel 3, tweede lid, is voldaan en dat de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 2, van het Besluit neergelegde uitzondering van toepassing is.

    Daarover voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 januari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:767, heeft verworpen, waarin die rechtbank een ruimere invulling heeft gegeven aan het begrip "behoren tot het gezin". Volgens [appellant] is het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet relevant dat die zaak niet gaat over het wijzigen van de geslachtsnaam.

    Daarnaast stelt [appellant] onder verwijzing naar diverse getuigenverklaringen en andere stukken dat hij feitelijk met [belanghebbende] en de kinderen samenwoonde op het adres van [belanghebbende]. Zijn eigen koopwoning, die om de hoek ligt, had hij ten tijde van de samenwoning verhuurd aan studenten. [belanghebbende] verhinderde wegens mogelijke financiële gevolgen zijn inschrijving op haar adres, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, faalt het beroep van [appellant] op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 januari 2016. Daargelaten dat het begrip 'behoren tot het gezin' in artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek verschilt van het begrip 'samenleven in gezinsverband' in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 2, van het Besluit, heeft de Afdeling eerder overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9885) dat onder gezin wordt verstaan "het samenwonen van twee of meer personen". Hoewel mogelijk gezinsleven tussen [appellant] en de kinderen bestaat, is dat niet hetzelfde als samenleven in gezinsverband. Daarvoor is noodzakelijk dat [appellant] daadwerkelijk heeft samengewoond met de kinderen.

4.2.    Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 2, van het Besluit rust op de verzoeker van de wijziging van de geslachtsnaam de bewijslast dat van samenleven in gezinsverband geen sprake is geweest. Daarbij moet worden uitgegaan van de gegevens in de BRP, behoudens tegenbewijs.

    Vaststaat dat [appellant] blijkens de gegevens in de BRP nooit met de kinderen heeft samengewoond. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het aan [appellant] is om de door hem gestelde samenleving desondanks aannemelijk te maken.

4.3.      Hoewel de door [appellant] overgelegde getuigenverklaringen enige twijfels oproepen, heeft de rechtbank desondanks terecht overwogen dat [appellant] daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de kinderen heeft samengewoond. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de getuigenverklaringen weliswaar kan worden opgemaakt dat [appellant] omgang had met de kinderen, maar niet dat hij daadwerkelijk met de kinderen op het adres van [belanghebbende] heeft samengewoond. Een aantal getuigen heeft verklaard over de omgang tussen [appellant] en zijn kinderen, maar niet over de door [appellant] gestelde samenwoning op het adres van [belanghebbende]. Voor zover daarover wel is verklaard, hebben die getuigen geen gedetailleerde verklaringen afgelegd over de periode waarin [appellant] met de kinderen heeft samengewoond. Daar komt nog bij dat het overgrote deel van de getuigenverklaringen niet afkomstig is uit objectieve bronnen.     

    In hoger beroep heeft [appellant] een omzettingsvergunning voor zijn woning, huurovereenkomsten waarbij de woning werd verhuurd, een getuigenverklaring van een van zijn huurders, een aanvullende getuigenverklaring en vliegtickets voor hem, [belanghebbende] en de kinderen overgelegd. De minister heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat uit de stukken wellicht kan worden afgeleid dat [appellant] enige tijd zijn huis heeft verhuurd, maar niet dat daaruit blijkt dat hij met de kinderen op het adres van [belanghebbende] samenwoonde.                    

    Ook de andere door [appellant] in hoger beroep overgelegde stukken, een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van 31 juli 2017, een uittreksel van het Gezagsregister, een beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 november 2017 en een brief van de Landelijke klachtencommissie voor het Katholiek Onderwijs van 4 juni 2018 zijn geen objectieve stukken waaruit blijkt dat hij met de kinderen heeft samengewoond op het adres van [belanghebbende].  

    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de verzorgingstermijn als bedoeld in artikel 3, tweede lid, is voldaan en dat de uitzondering van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 2, van het Besluit van toepassing is.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de wijziging van hun geslachtsnaam niet in het belang van de kinderen is.

    Daarover voert hij aan dat met de wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op hun recht op behoud van hun identiteit. [appellant] doet in dit verband een beroep op artikel 8 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK). [appellant] stelt daarnaast dat de aanvraag van [belanghebbende] om wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen onderdeel is van het door haar ingezette proces van ouderverstoting, wat juist ertoe leidt dat schade zal ontstaan aan de ontwikkeling van de kinderen. Ook zal het tot verdere verwijdering tussen hem en zijn kinderen leiden. Volgens [appellant] heeft de rechtbank voorts ten onrechte belang gehecht aan zijn verklaring dat in het voorlopige rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 15 februari 2017 wordt geadviseerd dat een omgangs- of contactregeling tussen hem en de kinderen vooralsnog niet mogelijk is. [appellant] stelt dat [belanghebbende] eerst nog bereid was mee te werken aan contact tussen hem en de kinderen, maar dat zij inmiddels van mening is dat zij hinder van eventueel contact zou ondervinden. Tot slot wijst [appellant] op een arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, waaruit volgens hem volgt dat een rechter zich actiever moet opstellen als de met het gezag belaste ouder geen goede of aannemelijk gemaakte gronden aanvoert.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7420, moet de minister het verzoek om geslachtsnaamswijziging beoordelen aan de hand van de van toepassing zijnde regelgeving en moet hij, ook in het geval daaraan wordt voldaan, bij de uitoefening van die bevoegdheid alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen betrekken. Als niet of nauwelijks in gezinsverband met de minderjarige is samengeleefd, wordt er, gelet op de bedoeling van de regeling zoals neergelegd in het Besluit, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, van uitgegaan dat het in het belang van de minderjarige is dat deze de naam draagt van degene met wie hij een bestendige gezinssituatie heeft (uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2015).     

5.2.    [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank geen belang heeft mogen hechten aan zijn verklaring over het advies in het rapport van de Kinderbescherming over contact en omgang tussen hem en de kinderen. Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011 vindt bij de belangenafweging, gelet op de aard en de beoordeling van een aanvraag om geslachtsnaamswijziging, geen beoordeling plaats van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de kinderen bij [belanghebbende] wonen en niet of nauwelijks contact hebben met [appellant]. Daar komt bij dat de rechtbank zelf geen kennis heeft genomen van het rapport van de Kinderbescherming.

    Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, gelet op het volgende.

5.3.    Anders dan [appellant] heeft betoogd, bestaan er geen aanwijzingen dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van de kinderen is. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat de kinderen zich door de geslachtsnaamswijziging met [belanghebbende] kunnen identificeren en daarmee met het gezin waar zij in het dagelijks leven deel van uitmaken. Dat de wijziging van de geslachtsnaam schade zou toebrengen aan de identiteit van de kinderen, heeft [appellant] niet gestaafd. Ook heeft [appellant] zijn beroep op artikel 8 van het IVRK niet nader toegelicht. Hetgeen [appellant] stelt over ouderverstoting zijn omstandigheden die, zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011, bij deze belangenafweging niet worden beoordeeld. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister terecht erop heeft gewezen dat de geslachtsnaamswijziging geen wijziging meebrengt in de familierechtelijke betrekkingen en dat de wijziging niet maakt dat de kinderen niet zullen weten wie hun vader is. De minister heeft daarnaast terecht naar voren gebracht dat de wijziging van de geslachtsnaam geen verband houdt met het vaststellen van een omgangsregeling en het contact dat [appellant] met de kinderen kan onderhouden. Reeds hierom faalt het beroep van [appellant] op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2014. De minister heeft er voorts terecht op gewezen dat de kinderen volgens de huidige regelgeving, indien gewenst, zodra zij meerderjarig zijn zelfstandig kunnen verzoeken de naamswijziging ongedaan te maken. Het Besluit voorziet dan ook in de mogelijkheid voor de minderjarige om op verzoek zodra hij meerderjarig is alsnog zijn oorspronkelijke geslachtsnaam weer te verkrijgen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Crombach

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2018

689. BIJLAGE

Burgerlijk Wetboek Boek 1

Artikel 7

1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

[…]

Besluit Geslachtsnaamswijziging

Artikel 3

1. Op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:

    a. in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed;

    […]

2. Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

[…]

4. Het verzoek wordt afgewezen, indien:

    […]

    d. een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij:

[…]

2. verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.