Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201607315/2/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5345, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 25 april 2018 geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte de SNL-subsidie van [appellant] heeft ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607315/2/A2.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellante C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 augustus 2016 in zaak nr. 15/6180 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1368, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, het besluit van 3 augustus 2015 alsnog toereikend te motiveren, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist, het bezwaar gegrond verklaard en - voor zover van belang - het besluit van 19 mei 2014 herroepen.

[appellant] heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft, met gebruikmaking van de in artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde bevoegdheid, bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek in de zaak gesloten.

Overwegingen

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 25 april 2018 geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte de SNL-subsidie van [appellant] heeft ingetrokken. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de daaraan ten grondslag liggende aanvraag om intrekking door een daartoe onbevoegde persoon is gedaan en dat [appellant] niet de schijn van volmachtverlening kan worden toegerekend. Omdat het college zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat het ook los van de aanvraag om intrekking kon besluiten tot intrekking van de subsidie, heeft de Afdeling het college opgedragen de intrekking alsnog toereikend te motiveren, of in plaats daarvan een ander besluit te nemen.

2.    Het college heeft uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak door bij besluit van 25 juni 2018 opnieuw op het bezwaar te beslissen, het bezwaar gegrond te verklaren voor zover dat zag op beheereenheid 1, en in zoverre het besluit van 3 augustus 2015 te herzien en het primaire besluit van 19 mei 2014 te herroepen. Daardoor herleeft de SNL-subsidie. Omdat het tijdvak voor die subsidie liep tot 31 december 2015, zal de subsidie bij apart besluit direct worden vastgesteld.

3.    De Afdeling heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het besluit van 25 juni 2018 in te dienen. Bij brief van 24 juli 2018 heeft [appellant] te kennen gegeven geen aanleiding te zien voor nadere opmerkingen.

4.    Uit de tussenuitspraak volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2015 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

5.    Uit de zienswijze van [appellant] op het nieuwe besluit van het college volgt dat hij zich daarmee kan verenigen, zodat geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb is ontstaan, waarop nog dient te worden beslist.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 augustus 2016 in zaak nr. 15/6180;

III.    verklaart het beroep van [appellant A], [appellant B] en [appellante C] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 3 augustus 2015 gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 3 augustus 2015, kenmerk 492-7727 492-9499;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zeeland tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B] en [appellante C] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zeeland aan [appellant A], [appellant B] en [appellante C] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Baart

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

799.