Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
201707706/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2016 heeft het college een verkeersbesluit genomen inhoudende dat door middel van het plaatsen van een verkeersbord E8(b) van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op de in het besluit genoemde weggedeelten het wordt toegestaan dat voertuigen worden geparkeerd met twee wielen op het trottoir.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707706/1/A1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 augustus 2017 in zaak nr. 17/400 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2016 heeft het college een verkeersbesluit genomen inhoudende dat door middel van het plaatsen van een verkeersbord E8(b) van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op de in het besluit genoemde weggedeelten het wordt toegestaan dat voertuigen worden geparkeerd met twee wielen op het trottoir.

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak tezamen met zaak nr. 201707509/1/A1 ter zitting behandeld op 7 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.A. Thijssen, mr. M.S.M. Vringer en F.R. Kool, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als belanghebbenden gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het besluit van 1 september 2016 maakt het mogelijk dat voertuigen met twee wielen op het trottoir mogen parkeren op de volgende weggedeelten:

- aan beide zijden van de rijbaan op het gedeelte van de Van 't Hoffstraat tussen de aansluitingen met de Sontstraat en het pand met het adres [locatie 1];

- aan beide zijden van de rijbaan op het gedeelte van de Theemsstraat tussen de aansluitingen met het Theemsplein en de Gibraltarstraat;

- aan de oostzijde van de rijbaan op het gedeelte van de Trompstraat tussen de aansluiting met het Theemsplein en het pand met het adres [locatie 2];

- aan beide zijden van de rijbaan op het gedeelte van de Trompstraat tussen het pand met het adres [locatie 2] en de aansluiting met de Gibraltarstraat.

    [appellant] woont aan de Theemsstraat.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit van 1 september 2016 heeft kunnen komen.

[appellant] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 augustus 2017 in zaak nrs. 16/4835 en 17/1317. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over een door het college bij besluit van 24 maart 2016 aan [belanghebbende A] verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van 3 appartementen in een woon/winkelpand op het perceel [locatie 3] te Haarlem.

De beoordeling van het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door het verkeersbesluit te nemen. Volgens hem is het verkeersbesluit alleen genomen, dat het college bij besluit van 24 maart 2016 aan [belanghebbende A] omgevingsvergunning kon verlenen. Zonder het verkeersbesluit kan volgens [appellant] namelijk niet worden voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het bouwplan waarvoor bij besluit van 24 maart 2016 omgevingsvergunning is verleend.

3.1.    Dat de aanvraag om omgevingsvergunning van [belanghebbende A] aanleiding is geweest om het verkeersbesluit te nemen, zoals door het college is toegelicht, is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Het college heeft met het nemen van het verkeersbesluit gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid in artikel 2, aanhef en onder a en c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) te weten, het verzekeren van de veiligheid op de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg. Het college heeft zijn bevoegdheid in artikel 2, aanhef en onder a en c, van de Wvw 1994 dus aangewend voor het doel waarvoor de bevoegdheid is bestemd.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid het verkeersbesluit van 1 september 2016 heeft kunnen nemen. In dat verband voert hij aan dat het verkeersbesluit leidt tot onveiligheid voor trottoirgebruikers. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was het niet aan hem om dit te onderbouwen, maar was het aan het college om te onderbouwen waarom de veiligheid niet in het geding komt, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:489) komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

4.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het bij besluit van 13 december 2016 in stand gelaten besluit van 1 september 2016 heeft kunnen komen. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de veiligheid van trottoirgebruikers niet in het geding komt, omdat al lange tijd gedeeltelijk op de stoep wordt geparkeerd en dit niet heeft geleid tot onveilige situaties. Het college heeft in dat verband toegelicht dat de voertuigen zodanig op de stoep moeten worden geparkeerd dat er voldoende ruimte op het trottoir over blijft voor trottoirgebruikers. Om die reden worden er parkeervakken op de weg en het trottoir ingetekend. Het college heeft ter zitting toegelicht dat wanneer buiten deze parkeervakken wordt geparkeerd daartegen handhavend zal worden opgetreden. Het college heeft verder belang kunnen hechten aan het feit dat de politie met het te nemen verkeersbesluit heeft ingestemd. Gelet op het voorgaande heeft het college voldoende gemotiveerd dat het parkeren met twee wielen op het trottoir maakt dat de bruikbaarheid van de weg wordt vergroot en de verkeersveiligheid is verzekerd.

    Het betoog faalt.

Conclusie en slot

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Kamphorst-Timmer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018

776.