Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
201703913/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:1923, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703913/1/V1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en

2.    [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 mei 2017 in zaak nr. 17/1911 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 4 mei 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden, heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling heeft de Zimbabwaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door zijn werkzaamheden als vrijwilliger bij de oppositiepartij Movement for Democratic Change (hierna: MDC) problemen heeft ondervonden.

    De staatssecretaris heeft de aanvraag krachtens artikel 31 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) als kennelijk ongegrond afgewezen. De staatssecretaris heeft het lidmaatschap van de vreemdeling en zijn werkzaamheden als vrijwilliger voor MDC van januari tot mei 2008, geloofwaardig geacht. Aan de afwijzing heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'studie' (hierna: de verblijfsvergunning regulier), waarmee de vreemdeling op 31 december 2008 Nederland is ingereisd, bij besluit van 4 maart 2015 met ingang van 15 januari 2015 is ingetrokken en de vreemdeling zich pas op 5 oktober 2015 heeft aangemeld als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Verder heeft de staatssecretaris de door de vreemdeling gestelde problemen als gevolg van zijn werkzaamheden voor MDC niet geloofwaardig geacht.

    Voor zover het asielrelaas geloofwaardig is geacht, heeft de staatssecretaris niet aannemelijk geacht dat de vreemdeling gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

2.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3.    Gezien hetgeen onder 2 is overwogen heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling zich bij binnenkomst in Nederland niet onverwijld heeft gemeld en dat hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

3.1.    In grief 1 klaagt de staatssecretaris ten eerste dat de rechtbank bij de toetsing van het besluit voor zover dat ziet op de geloofwaardigheid van het asielrelaas ten onrechte is voorbijgegaan is aan het onder 3 overwogene en niet heeft betrokken dat hij in dit verband de aanvraag tevens terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

3.2.    De rechtbank is na voormelde onder 3 weergegeven overweging ingegaan op de gronden van de vreemdeling over de beoordeling door de staatssecretaris van het asielrelaas. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank daarbij niet heeft betrokken hetgeen zij heeft overwogen onder 3. De klacht is, mede gelet op de uitspraak van 17 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1442, terecht voorgedragen.

3.3.    In grief 1 klaagt de staatssecretaris verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij tijdens de zitting van 6 maart 2017 naar voren heeft gebracht dat geen sprake is van inconsistenties in het asielrelaas van de vreemdeling. Verder heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat hij geloofwaardig heeft geacht dat bij de begrafenis in 2013 van de moeder van de vreemdeling een 'unmarked car' is gezien en dat er omstreeks maart 2016 meerdere keren mensen aan de deur zijn geweest bij zijn vader die hebben gevraagd waar de vreemdeling was en wanneer hij weer terug zou zijn.

3.4.    De staatssecretaris voert, gezien het proces-verbaal van voormelde zitting terecht aan dat de rechtbank hetgeen hij naar voren heeft gebracht te ruim heeft geïnterpreteerd. De rechtbank heeft niet onderkend dat uit de ter zitting door de staatssecretaris gemaakte opmerking dat een consistent verhaal niet voldoende is voor een vergunning, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van inconsistenties in het asielrelaas van de vreemdeling.

    De staatssecretaris voert verder terecht aan dat hij de door de rechtbank genoemde verklaringen van de vreemdeling niet geloofwaardig heeft geacht, nu hij gezien het proces-verbaal van de zitting van 6 maart 2017 ter zitting heeft toegelicht dat het gaat om niet onderbouwde vermoedens. Gelet hierop is ook deze klacht terecht voorgedragen.

    Grief 1 slaagt.

4.    De rechtbank heeft overwogen dat uit de door de vreemdeling overgelegde van een website afkomstige artikelen 'Political Activist Abductions in Zimbabwe', ongedateerd, en 'Zim Activist Abducted, Left for Dead', uit 2016, anders dan het standpunt van de staatssecretaris hierover, wel blijkt dat de Central Intelligence Organisation (hierna: de CIO) gebruik maakt van 'unmarked cars' en dat uit deze artikelen niet kan worden afgeleid dat achtervolgen in alle gevallen leidt tot ontvoering of arrestatie. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de staatssecretaris geen bronnen heeft genoemd waaruit dit laatste volgt. Dat het hier om algemene informatie gaat die niet specifiek op de vreemdeling betrekking heeft, betekent volgens de rechtbank niet dat daaraan voorbij kan worden gegaan, waarbij de rechtbank heeft gewezen op artikel 31, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Mede in het licht van het niet ongeloofwaardig bevonden verschijnen van een ‘unmarked car’ op de begrafenis van de moeder van de vreemdeling en het bezoek aan de woning van zijn vader, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling door auto's van de ClO zou zijn gevolgd en dat hij in de negatieve aandacht staat van de CIO.

4.1.    Grief 2 is gericht tegen de onder 4 weergegeven overwegingen.

4.2.    De staatssecretaris voert, gezien hetgeen is overwogen onder 3.4, terecht aan dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij het verschijnen van een ‘unmarked car’ op de begrafenis van zijn moeder en het bezoek aan de woning van zijn vader geloofwaardig heeft geacht.

4.3.    Verder voert de staatssecretaris terecht aan dat hij zich in het voornemen en het besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling dat hij in de periode van 6 tot 18 mei 2008 door de CIO gevolgd zou zijn, waarbij auto's zonder kenteken werden gebruikt, niet geloofwaardig is.

    De staatssecretaris heeft hiertoe ten eerste terecht van belang geacht dat de verklaringen van de vreemdeling hierover alleen berusten op veronderstellingen, nu de vreemdeling immers heeft verklaard dat hij wist dat het mensen van de CIO waren omdat zij in auto's reden zonder kenteken. In het voornemen en het besluit heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het rondrijden in auto's zonder kenteken niet zonder meer betekent dat het iemand van de inlichtingendienst betreft en dat dit, anders dan de vreemdeling stelt, geen feit van algemene bekendheid is.

    De staatssecretaris betoogt verder terecht dat het aan de vreemdeling is om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken en dat hij dat met de door hem overgelegde artikelen niet heeft gedaan. In het besluit heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het voormelde eerste artikel niet is af te leiden dat het de CIO is die in 'unmarked vehicles' rijdt, nu in dit verband wordt gesproken over 'unidentifed men'. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het artikel weliswaar staat dat kenbaar is geworden dat de in het artikel genoemde personen waren ontvoerd door veiligheidsagenten van de overheid, maar dat deze enkele vermelding in een ongedateerd artikel van een onbekende schrijver onvoldoende is om dit voor waar aan te nemen. De staatssecretaris heeft verder terecht aangevoerd dat hij in het voornemen en het besluit heeft opgemerkt dat dit artikel en het voormelde tweede artikel betrekking hebben op ontvoeringen van politieke activisten in Zimbabwe en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling niet heeft verklaard te zijn ontvoerd maar alleen te zijn gevolgd. De staatssecretaris betoogt, gelet op het vorenstaande, terecht dat hij in overeenstemming met artikel 31, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bij de beoordeling voldoende rekening heeft gehouden met deze artikelen en dat het niet aan hem is om met stukken te staven dat achtervolgen in alle gevallen leidt tot ontvoering of arrestatie.

    Grief 2 slaagt.

5.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat de vreemdeling zonder problemen een paspoort en een visum heeft kunnen aanvragen en legaal heeft kunnen uitreizen. De rechtbank heeft er in dit verband op gewezen dat de vreemdeling zijn paspoort weliswaar heeft opgehaald in 2008 tijdens de periode dat hij ook ondergedoken zat, maar dat onbetwist is dat hij toen voorzorgsmaatregelen had genomen om niet te worden gezien. De staatssecretaris heeft zich volgens de rechtbank verder bij de beoordeling ten onrechte niet gebaseerd op objectieve bronnen zoals een (algemeen) ambtsbericht waaruit blijkt dat de autoriteiten die verantwoordelijk waren voor de afgifte van een paspoort informatie uitwisselden met de CIO.

    Verder heeft de rechtbank concluderend overwogen dat het standpunt van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van het asielrelaas ondeugdelijk is gemotiveerd.

5.1.    Grief 3 is gericht tegen de onder 5 weergegeven overwegingen.

5.2.    De staatssecretaris heeft zich in het voornemen en het besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over het aanvragen en verkrijgen van zijn paspoort in het licht van zijn gestelde vrees voor de autoriteiten bevreemdend zijn en dat dit wordt versterkt door zijn legale uitreis.

    De staatssecretaris voert terecht aan dat niet in geschil is dat de CIO is gelieerd aan de Zimbabwaanse autoriteiten en dat het reeds daarom bevreemdt dat de vreemdeling zijn paspoort heeft kunnen ophalen bij de Zimbabwaanse autoriteiten in een periode waarover hij stelt dat hij in de gaten werd gehouden door de CIO. De staatssecretaris voert verder terecht aan dat de door de vreemdeling getroffen voorzorgsmaatregelen om niet te worden gezien, zijn veronderstelling dat de CIO hem volgt niet onderbouwen en dat de rechtbank met deze overweging niet heeft onderkend dat zijn tegenwerping niet alleen betrekking heeft op het ophalen van het paspoort maar ook op het regelen van het visum en het legaal uitreizen.

5.3.    De staatssecretaris heeft verder, gezien hetgeen is overwogen onder 3, 3.2, 3.4, 4.2, 4.3 en 5.2, terecht aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich deugdelijk gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling niet geloofwaardig is.

    Grief 3 slaagt.

6.    In grief 4 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van de vreemdeling in 2007 geen aanleiding hebben gevormd Zimbabwe te verlaten. De staatssecretaris klaagt verder dat de rechtbank in dat kader, onder verwijzing naar het vermelde op pagina 15 van het rapport van het nader gehoor, ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling Zimbabwe weliswaar niet direct heeft verlaten, maar wel op het moment dat hij om zich heen zag dat mensen in vergelijkbare posities werden vermoord en hij begon na te denken dat hij zichzelf in veiligheid moest brengen.

6.1.    Gezien pagina 15 van het rapport van het nader gehoor heeft de vreemdeling de vraag of hij er in juli 2007 over heeft nagedacht om Zimbabwe te verlaten, ontkennend beantwoord en daarbij toegelicht dat hij pas in mei 2008 serieus begon te denken dat hij zichzelf in veiligheid moest brengen. Toen is hij naar een schuilplek gegaan omdat hij zag en hoorde dat er mensen werden vermoord en verdwenen.

    De staatssecretaris heeft zich in het voornemen over de werkzaamheden van de vreemdeling als studentenleider in 2007 terecht op het standpunt gesteld dat dit gezien het vermelde op pagina 15 van het rapport van het nader gehoor niet de reden is geweest voor zijn vertrek.

    De staatssecretaris voert verder terecht aan dat in de besluitvormings- en de beroepsfase door de vreemdeling niet is bestreden dat zijn werkzaamheden als studentenleider in 2007 geen reden voor vertrek zijn geweest. Daarbij heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat uit het vermelde op pagina 15 van het rapport van het nader gehoor eveneens volgt dat de vreemdeling er in 2007 nog zelfs niet over had gedacht om Zimbabwe te verlaten. Verder wijst hij er terecht op dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gebeurtenissen in 2007 en 2008 los van elkaar staan en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten naar hem op zoek zouden zijn.

    Grief 4 slaagt.

7.    De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat de vreemdeling in 2007, vanwege zijn activiteiten als studentenleider voor MDC, is gearresteerd en gemarteld. Dat is volgens de rechtbank een daad van vervolging en een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft aansluitend overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat vervolging of de ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank heeft in dit kader herhaald dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen in 2007 geen aanleiding voor de vreemdeling hebben gevormd Zimbabwe te verlaten. Verder heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank zijn standpunt dat de vreemdeling vanwege zijn marginale rol binnen MDC bij terugkeer niet te vrezen zou hebben, onvoldoende onderbouwd. Dit klemt volgens de rechtbank te meer nu de staatssecretaris in het besluit heeft weersproken zich in het voornemen op het standpunt te hebben gesteld dat alleen bekende politici te vrezen hebben bij terugkeer. Verder heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank met alleen het diskwalificeren van de door de vreemdeling in de zienswijze overgelegde informatie evenmin aannemelijk gemaakt dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

7.1.    Grief 5 is gericht tegen de onder 7 weergegeven overwegingen.

7.2.    De staatssecretaris heeft zich in het voornemen en het besluit over de werkzaamheden van de vreemdeling als studentenleider in 2007 terecht op het standpunt gesteld dat dit niet leidt tot vergunningverlening krachtens het Vluchtelingenverdrag en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De staatssecretaris heeft er in dit verband, gezien hetgeen onder 6.1 is overwogen, terecht op gewezen dat die werkzaamheden niet de reden voor het vertrek van de vreemdeling zijn geweest. Verder heeft de staatssecretaris in dit verband terecht gewezen op het tijdsverloop tussen deze werkzaamheden en het vertrek van de vreemdeling en het moment waarop hij zijn asielaanvraag heeft ingediend.

    De staatssecretaris heeft verder terecht aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de marginale rol van de vreemdeling binnen MDC meebrengt dat zijn vrees voor terugkeer niet reëel is en dat hij dit in het voornemen en het besluit heeft onderbouwd door erop te wijzen dat de vreemdeling als vrijwilliger op kantoor heeft gewerkt en zich bezighield met het schrijven van artikelen, waar zijn naam niet onder stond, en het organiseren van persconferenties. De opmerking in het besluit dat hij zich in het voornemen niet op het standpunt heeft gesteld dat alleen bekende politici te vrezen hebben bij terugkeer, doet daaraan niet af, nu de staatssecretaris zich daarbij terecht op het standpunt heeft gesteld dat het op de weg van de vreemdeling ligt om met zijn verklaringen zijn gestelde problemen en zijn vrees bij terugkeer aannemelijk te maken en dat, gezien het vorenstaande, hij daarin niet is geslaagd.

    Zoals onder 4.3 over de daar genoemde overgelegde artikelen is overwogen, betoogt de staatssecretaris verder terecht dat het aan de vreemdeling is om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken en dat hij dat met die artikelen niet heeft gedaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de staatssecretaris zich in dit verband, gezien het vorenstaande, in het besluit terecht en gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling met de verwijzing naar de door hem overgelegde bronnen nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn werkzaamheden voor MDC problemen heeft ondervonden dan wel dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

    Grief 5 slaagt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 januari 2017 alsnog ongegrond verklaren.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van

Justitie en Veiligheid gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 mei 2017 in zaak nr. 17/1911;

IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent, en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. De Vink

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

154.