Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
201704984/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:1813, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen geweigerd aan [appellant] een vergunning te verlenen om met een woonboot ligplaats te hebben ter hoogte van Hoendiep [nummer], maar aan hem een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgegeven die hem het recht biedt zijn woonboot op die plaats afgemeerd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704984/1/A3.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Groningen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2017 in zaak nr. 16/3502 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant] een vergunning te verlenen om met een woonboot ligplaats te hebben ter hoogte van Hoendiep [nummer], maar aan hem een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgegeven die hem het recht biedt zijn woonboot op die plaats afgemeerd te houden.

Bij besluit van 22 juli 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.O. Bakker en S. de Vries, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft dertig jaar geleden ter hoogte van Hoendiep [nummer] met een woonboot ligplaats ingenomen.

    Bij het Aanwijsbesluit ligplaatsen van 30 juni 2009 heeft het college ter hoogte van het Hoendiep ten westen van de Westelijke Ringweg drieëntwintig ligplaatsen aangewezen. De plaats waar de woonboot van [appellant] ligt, is niet als ligplaats aangewezen.

    In het bestemmingsplan Openbaar vaarwater van de gemeente Groningen van november 2009 is opgenomen dat ten westen van de kruising van het Hoendiep en de Energieweg twee schepen zonder vergunning liggen. Door de smalle oever met daarlangs de doorgaande weg is deze plaats niet geschikt voor woonschepen. De twee schepen ten westen van het bosje ter plaatse van de kruising van het Hoendiep en de Energieweg zullen niet worden gelegaliseerd. Op de plankaart vallen deze boten buiten het aangegeven liggebied. Deze twee schepen moeten worden verwijderd, aldus het bestemmingsplan.

    In het besluit van 19 februari 2016 heeft het college overwogen dat uit brieven van de provincie Groningen, tot 2013 de eigenaar van het desbetreffende water, blijkt dat de provincie de situatie van de op een niet legale ligplaats afgemeerde woonboot van [appellant] heeft gedoogd. In 2013 is de eigendom van dit water naar de gemeente Groningen overgegaan. Het college heeft een beginselplicht tot handhavend optreden tegen de illegale situatie, maar acht dat gezien voormelde voorgeschiedenis onevenredig. Daarom heeft het college een persoonsgebonden gedoogbeschikking aan [appellant] afgegeven, op grond waarvan hij het recht heeft ter plaatse op de woonboot te wonen tot het moment dat hij verhuist, zich bij de basisregistratie personen uitschrijft of overlijdt.

Dit recht is uitdrukkelijk niet overdraagbaar. Na beëindiging van het persoonsgebonden recht moet de woonboot worden verwijderd en de wallekant worden opgeruimd, aldus het college.

    In het besluit van 22 juli 2016 heeft het college overwogen dat de plaats waar de woonboot van [appellant] ligt gezien de verkeerssituatie ter plaatse, die maakt dat de boot niet op een veilige manier kan worden bereikt, niet geschikt is om als ligplaats te worden aangewezen en dat legalisering van de bestaande situatie daarom niet mogelijk is.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van het college om aan hem een ligplaatsvergunning te verlenen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Volgens [appellant] verschilt de verkeerssituatie bij de plaats waar zijn woonboot is afgemeerd niet in belangrijke mate van de situatie bij de drieëntwintig nabijgelegen woonboten. Zijn woonboot is te voet en met de fiets en de auto niet alleen bereikbaar via de drukke doorgaande weg het Hoendiep, maar ook via de minder druk begane Energieweg. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval moet aan hem een ligplaatsvergunning worden verleend, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 8 van de Verordening openbaar vaarwater 2006 luidt:

"1. Het is verboden met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen buiten de door burgemeester en wethouder daartoe aan te wijzen kanaalvakken.

2. Binnen de krachtens het eerste lid aangewezen kanaalvakken is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben.

[-]."

2.2.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ingevolge artikel 8 van de Verordening openbaar vaarwater 2006 aan [appellant] geen vergunning kan worden verleend om ligplaats te hebben ter hoogte van Hoendiep [nummer], omdat die plaats niet als ligplaats is aangewezen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet zijn geschonden. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat de drieëntwintig nabij de woonboot van [appellant] afgemeerde woonboten waarvoor wel een ligplaatsvergunning is afgegeven alle binnen een als ligplaats aangewezen kanaalvlak liggen en de juridische situatie in die gevallen daarom anders is dan die van [appellant]. Of de plaats waar de woonboot van [appellant] is afgemeerd ten onrechte niet als ligplaats is aangewezen, ligt thans niet ter beoordeling voor, zodat hetgeen dienaangaande is aangevoerd niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden. [appellant] had tegen het Aanwijsbesluit ligplaatsen rechtsmiddelen kunnen aanwenden, maar heeft dat niet gedaan. Anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, stond de omstandigheid dat in 2009 nog niet de gemeente Groningen, maar de provincie Groningen eigenaar van het desbetreffende water was, niet in de weg aan de mogelijkheid om in rechte tegen het Aanwijsbesluit ligplaatsen op te komen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Lubberdink

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

598.