Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
201800386/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2016 heeft DNB het verzoek van [appellant] om vierhonderd beschadigde eurobankbiljetten met de denominatie EUR 500 te vervangen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/256
JB 2018/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800386/1/A2.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 september 2017 in zaak nr. 16/7946 in het geding tussen:

[appellant]

en

De Nederlandsche Bank N.V. (hierna: DNB).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2016 heeft DNB het verzoek van [appellant] om vierhonderd beschadigde eurobankbiljetten met de denominatie EUR 500 te vervangen afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft DNB het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.H. Hordijk en mr. drs. G. van der Wende, beiden advocaat te Capelle aan den IJssel, vergezeld door ing. J.R. ten Hove en J. Westerburger, beiden werkzaam bij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V., en DNB, vertegenwoordigd door mr. T.M. Tempelaars en mr. G.T. Koster, beiden advocaat te Amsterdam, vergezeld door mr. H.R.J. Kok en mr. P.L. Reeser-Cuperus, beiden werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken van DNB, zijn verschenen.

Overwegingen

Het wettelijk kader

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Op 6 november 2015 is het bedrijfspand van [appellant] getroffen door een brand. Als gevolg van deze brand zijn, naar [appellant] stelt, vierhonderd eurobankbiljetten met de denominatie EUR 500 beschadigd geraakt. Op 10 november 2015 heeft [appellant] DNB, onder overlegging van een kartonnen doos met daarin verbrande restanten van de vermeende eurobankbiljetten, verzocht om deze eurobankbiljetten te vervangen. Bij besluit van 31 mei 2016, gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2016, heeft DNB dit verzoek afgewezen. Daaraan heeft DNB ten grondslag gelegd dat in de door [appellant] overgelegde kartonnen doos geen vierhonderd beschadigde echte eurobankbiljetten met de denominatie EUR 500 zijn aangetroffen. De verbrande materie is onderzocht op de aanwezigheid van publiekelijk bekende en verborgen echtheidskenmerken. Uit dit onderzoek volgt slechts dat de verbrande restanten een vorm hebben gekend die vergelijkbaar is met die van een eurobankbiljet en dat deze restanten evenals eurobankbiljetten vervaardigd zijn van katoen. In de door [appellant] overgelegde restanten is ook geen spoor aangetroffen van een zich doorgaans in een eurobankbiljet bevindend metalen veiligheidsdraadje.

Voor zover de door [appellant] overgelegde kartonnen doos eurobankbiljetten bevatte, dan zijn deze onherkenbaar beschadigd, aldus DNB.

Het oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat het verzoek van [appellant] ziet op echte eurobankbiljetten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover er al sprake zou zijn van een gebrek in de motivering van het besluit van 31 oktober 2016, dit gebrek door DNB is hersteld in het verweerschrift. DNB heeft daarin vermeld dat, nog daargelaten dat in de door [appellant] overgelegde restanten geen spoor is aangetroffen van een zich doorgaans in een eurobankbiljet bevindend metalen veiligheidsdraadje, ook geen sporen zijn aangetroffen van de overige echtheidskenmerken. Dat de resultaten van het onderzoek van DNB niet zijn vastgelegd in een afzonderlijk rapport, doch zijn verwerkt in het besluit van 31 oktober 2016, is volgens de rechtbank niet van belang. [appellant] is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

    De rechtbank heeft voorts overwogen dat uit de door [appellant] overgelegde contra-expertise van 11 april 2016 van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. (hierna: de NFO) niet volgt dat sporen zijn aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van echte eurobankbiljetten met de denominatie EUR 500. DNB heeft aan deze contra-expertise dan ook niet die betekenis hoeven toekennen die [appellant] daaraan hecht. DNB kon, volgens de rechtbank, ook voorbijgaan aan de constatering van het NFO dat op de door haar gemaakte foto’s kenmerken zijn waar te nemen die te relateren zijn aan een eurobankbiljet met de denominatie EUR 200. Het verzoek betreft immers de vervanging van eurobankbiljetten met een denominatie van EUR 500 en [appellant] stelt zich eerst in de bezwaarfase op het standpunt, naar de rechtbank heeft begrepen, dat zich in de doos tevens biljetten met een denominatie van EUR 200 bevonden. Dat, zoals [appellant] stelt, de inhoud van de door hem overhandigde doos als gevolg van de gedwongen wijze van aanbieding via een afgifteloket dusdanig is gefragmenteerd dat uitsluitend als gevolg daarvan geen enkel echtheidskenmerk meer te detecteren was, heeft de rechtbank tot slot niet aannemelijk geacht.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat het verzoek van [appellant] ziet op het vervangen van echte eurobankbiljetten. Daartoe voert hij aan dat door het ontbreken van een onderzoeksrapportage niet met zekerheid is vast te stellen dat DNB een onderzoek heeft verricht. Ook kan niet worden vastgesteld door wie en hoe dat onderzoek is verricht. Het ontbreken van een onderzoeksrapportage klemt te meer nu beschadigde eurobankbiljetten slechts kunnen worden ingeleverd bij DNB en alleen DNB bekend is met alle echtheidskenmerken van een eurobankbiljet. Het had, zeker nu DNB erkent dat de door [appellant] overgelegde restanten vervaardigd zijn uit hetzelfde materiaal als een eurobankbiljet en de restanten oorspronkelijk een vorm hadden die overeenkomt met een eurobankbiljet, op de weg van DNB gelegen om een zorgvuldig gedocumenteerd onderzoeksrapport aan het besluit van 31 oktober 2016 ten grondslag te leggen. Het besluit van 31 oktober 2016 is, aangezien een onderzoeksrapportage ontbreekt, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, aldus [appellant].

4.1.    Vooropgesteld moet worden dat het ontbreken van een onderzoeksrapportage niet zonder meer betekent dat het door DNB verrichte onderzoek naar de inhoud van de door [appellant] overgelegde kartonnen doos onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Omdat in dit geval een onderzoeksrapportage ontbreekt, had het evenwel op de weg van DNB gelegen om in het besluit van 31 oktober 2016 voldoende inzichtelijk te maken waarom het verzoek van [appellant] is afgewezen. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat DNB dit in het besluit van 31 oktober 2016 onvoldoende heeft gedaan.

    Afgezien van een verwijzing naar de op de website van DNB bekend gemaakte echtheidskenmerken, heeft DNB in het besluit van 31 oktober 2016 noch ter zitting toe kunnen lichten hoe en wanneer het door haar verrichte onderzoek precies heeft plaatsgevonden, welke onderzoekshandelingen zijn verricht en welke onderzoeksmethoden zijn gehanteerd. DNB heeft ook, afgezien van enkele foto’s van de kartonnen doos met daarin de verbrande restanten, geen foto’s van het onderzoek kunnen overleggen. Dit klemt te meer nu [appellant] een contra-expertise van NFO van 11 april 2016, voorzien van foto’s, heeft overgelegd. DNB was reeds ten tijde van het nemen van het besluit van 31 oktober 2016 op de hoogte van deze contra-expertise. Volgens die contra-expertise zijn in de kartonnen doos restanten aangetroffen met kenmerken van een eurobankbiljet met de denominatie EUR 200. Bovendien heeft het NFO volgens een in hoger beroep overgelegde contra-expertise van 24 november 2017, met gebruikmaking van de haar toen ter beschikking staande apparatuur, echtheidskenmerken kunnen vaststellen én heeft zij met het blote oog een metalen veiligheidsdraad waargenomen.

    Gelet op het vorenoverwogene, is de Afdeling in dit geval van oordeel dat het besluit van 31 oktober 2016 niet berust op een deugdelijke motivering en daarmee in strijd is met artikel 7:12 van de Awb.

    Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

5.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling DNB op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen het hiervoor onder 4.1 geconstateerde gebrek in het besluit van 31 oktober 2016 binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen door een nieuw besluit te nemen. De Afdeling gaat er vanuit dat [appellant] daaraan zijn medewerking verleent door de doos met de verbrande restanten van de vermeende eurobankbiljetten aan DNB over te dragen.

    DNB dient de Afdeling de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

6.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt DNB op om binnen acht weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

1.    de gebreken die kleven aan het besluit van 31 oktober 2016, met kenmerk 2016/788436 te herstellen en een nieuw besluit te nemen, en

2.    de Afdeling de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Lodder

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

17-854. BIJLAGE Wettelijk kader

Besluit verwisseling en intrekking van bankbiljetten

Artikel 6

1. Wegens verlies van bankbiljetten luidend in euro's wordt door De Nederlandsche Bank N.V. geen vergoeding verleend.

2. Wegens gehele of gedeeltelijke vernietiging van bankbiljetten luidend in euro's wordt door De Nederlandsche Bank N.V. vergoeding verleend overeenkomstig de regels die de Europese Centrale Bank daartoe heeft vastgesteld in haar Besluit van 30 augustus 2001 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (ECB/2001/7).

Besluit van de Europese Centrale Bank van 19 april 2013 (ECB/2013/10, 2013/211/EU)

Artikel 3

Vervanging van beschadigde echte eurobankbiljetten

1. Op verzoek en onder de in lid 2 en in het desbetreffende in artikel 6 genoemde besluit van de Raad van bestuur vastgelegde voorwaarden,

vervangen NCB’s beschadigde echte eurobankbiljetten, indien:

a) meer dan 50 % van het eurobankbiljet wordt aangeboden; of

b) 50 % of minder van het eurobankbiljet wordt aangeboden, als de aanvrager aantoont dat de ontbrekende delen zijn vernietigd.