Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
201706805/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Meeuwen-De Brink 2017" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/924
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706805/1/R3.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Groningen,

2.    [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Groningen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Meeuwen-De Brink 2017" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2018, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.M.M. Meinders en J.M. van Uhm, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.    Het bestemmingsplan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de wijken De Meeuwen en De Brink. Het plan maakt de bouw van woningen mogelijk in het gebied tussen de woonwijk De Meeuwen en de Europaweg te Groningen. Het plan voorziet aldaar met de bestemming "Wonen - Uit te werken" in de bouw van maximaal 140 woningen. Daarvoor is nog wel een uitwerkingsplan nodig. [belanghebbende] is de projectontwikkelaar.

    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen wonen in de woonwijk De Meeuwen, aan de Barkmolenstraat te Groningen. Hun beroepen hebben betrekking op het plandeel met de bestemming "Wonen - Uit te werken". [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat, in het bijzonder doordat ter plaatse woontorens zullen worden gerealiseerd.

Het plan is onvoldoende concreet

3.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het plan te vaag is, zodat de gevolgen ervan niet te beoordelen zijn. Het plan is volgens [appellant sub 2] en anderen niet onderbouwd en niet deugdelijk gemotiveerd.

3.1.    De raad stelt dat de bestemming weliswaar globaal van opzet is, maar voldoende inzicht biedt in de toekomstige ontwikkeling van het gebied, zodat wordt voldaan aan artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). De raad verwacht dat in de loop van 2018 een uitwerkingsplan zal kunnen worden opgesteld, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Totdat een uitwerkingsplan is opgesteld mogen de gronden op grond van artikel 8, lid 8.3, van de planregels niet worden bebouwd, aldus de raad.

3.2.    Artikel 8, lid 8.1, van de planregels luidt: "De voor 'Wonen - Uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen;

b. bijzondere vormen van huisvesting, zoals begeleid wonen, met dien verstande dat dit voor groepen van meer dan 10 verminderd-zelfredzame personen niet is toegestaan;

c. logies met ontbijt, met dien verstande dat deze functie uitsluitend mag worden uitgeoefend in het hoofdgebouw en ten dienste van deze functie maximaal twee (slaap)kamers voor toeristisch- recreatief nachtverblijf mogen worden gebruikt;

d. woon-werkcombinaties;

e. wegen en paden;

f. groenvoorzieningen;

g. parkeervoorzieningen;

h. additionele voorzieningen."

    Lid 8.2 luidt: "Burgemeester en wethouders werken de in lid 8.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:

a. het aantal te bouwen woningen mag maximaal 140 bedragen;

b. de bouwhoogte van de gebouwen mag maximaal 24 meter bedragen;

c. het bebouwingspercentage mag maximaal 35% bedragen. Het bebouwingspercentage wordt hierbij, in afwijking van het bepaalde in artikel 1, lid 7, berekend over het totale bestemmingsvlak;

d. geluidgevoelige gebouwen mogen geen hogere geluidsbelasting ondervinden dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde of zij dienen, om een aanvaardbaar binnenniveau te bereiken, te worden voorzien van dove gevels of extra gevelisolatie;

e. tweezijdige bereikbaarheid voor hulpdiensten dient te zijn gewaarborgd;

f. bij het uitwerkingsplan wordt, voor zover een kapvergunning nodig is, een boomeffectanalyse gevoegd."

3.3.    Het behoort tot de beleidsruimte van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die nog moeten worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

    De voor "Wonen - Uit te werken" bestemde gronden zijn onder meer bestemd voor woningen, bijzondere vormen van huisvesting, zoals begeleid wonen, logies met ontbijt, woon-werkcombinaties, wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en additionele voorzieningen. In de planregels zijn onder meer het maximale aantal woningen, de maximale bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage bepaald. Ook is in de regels bepaald dat geluidgevoelige gebouwen geen hogere geluidbelasting mogen ondervinden dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde of voorzien dienen te zijn van dove gevels of extra gevelisolatie, dat tweezijdige bereikbaarheid voor hulpdiensten gewaarborgd dient te zijn en dat voor zover een kapvergunning nodig is een boomeffectanalyse bij het uitwerkingsplan wordt gevoegd. Een nadere concretisering, evenals een invulling van de desbetreffende plandelen, vindt in het uitwerkingsplan plaats. Daarbij vindt tevens een belangenafweging plaats. Bovendien kunnen hiertegen door belanghebbenden rechtsmiddelen worden aangewend.     

    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat, hoewel de planregels globaal zijn en het college van burgemeester en wethouders bij de uitwerking flexibiliteit bieden, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onvoldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van de uit te werken delen in het plangebied als bedoeld in artikel 3.1.4 van het Bro.

    Het betoog faalt.

Karakteristieke buurt

4.    [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de karakteristiek van de bestaande buurt niet wordt voortgezet in de nieuwe bebouwing.

4.1.    In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het karakter van de bestaande buurt, die is opgezet als een wijk met veel groen, niet wordt aangetast door de toevoeging van woningbouw aan de randen van de wijk.

    Het betoog faalt.

Wet natuurbescherming (hierna: Wnb)

5.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat niet duidelijk is of een ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend. [appellant sub 1A] stelt dat diverse soorten vogels en dieren aanwezig zijn.

5.1.    Over het betoog van [appellant sub 1A] dat het plan is vastgesteld in strijd met de Wnb in verband met de aanwezigheid van diersoorten overweegt de Afdeling dat hij geen gegevens heeft overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen planten- en diersoorten bevinden. De enkele stelling dat hij ter plaatse geregeld beschermde diersoorten waarneemt acht de Afdeling in dit verband onvoldoende.

    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    De raad stelt dat het Ingenieursbureau Gemeente Groningen in januari 2015 onderzoek heeft verricht om de risico’s van de aanpassing van het bestemmingsplan voor De Meeuwen en de bouw van woningen en kantoren in het kader van de Flora- en faunawet en het stedelijk ecologisch beleid vast te stellen. Op grond van het onderzoek is geconcludeerd dat geen ontheffing nodig is. De nesten van de aangetroffen vogels zijn niet jaarrond beschermd. Door buiten het broedseizoen te werken kan verstoring voorkomen worden. Wat betreft de vleermuizen kan de bomenrij langs de parallelweg van de Europaweg van belang zijn als vliegroute of foerageergebied. Indien de bomenrij behouden blijft of eventueel versterkt wordt, blijft de functie voor vleermuizen behouden. Verstoring kan overigens voorkomen worden door tussen zonsondergang en zonsopkomst de verlichting aan te passen en geen werkzaamheden uit te voeren die geluid of trillingen veroorzaken. In het plan is aan de bomenrij de bestemming "Groen" toegekend. In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van dit rapport te twijfelen.

    Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Het betoog faalt.

Externe veiligheid

6.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat in het rapport dat de Omgevingsdienst Groningen ten behoeve van het bestemmingsplan heeft opgesteld inzake de externe veiligheid weliswaar is vermeld dat de nieuw te realiseren intense laagbouw niet leidt tot een significante verhoging van het risico, maar dat ten onrechte niet blijkt of hoogbouw leidt tot een significante verhoging van het groepsrisico, nu het plan voorziet in een maximale bouwhoogte van 24 m. Volgens hen is ten onrechte niet gemotiveerd dat het voor de uitvoerbaarheid van het plan noodzakelijk is binnen de invloedssfeer van het tankstation woningen te realiseren. Voorts is volgens hen ten onrechte niet gegarandeerd dat het mogelijk is loodrecht van de bronnen te vluchten. Ten slotte stellen zij dat het plan volgens de raad niet voorziet in de realisatie van objecten waar langdurig groepen verminderd zelfredzame personen verblijven. Het plan maakt echter wel kleinschalige woonvormen met zorg mogelijk, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen.

6.1.    De raad stelt dat het uit het oogpunt van externe veiligheid niet relevant is of hoog- of laagbouw zal worden gerealiseerd, maar hoe groot de toename van het aantal mensen is binnen een cirkel rondom een risicobron. Het relatief beperkte aantal woningen maakt het volgens de raad mogelijk om voornamelijk laagbouw te realiseren, waardoor in het uitwerkingsgebied geen grote aantallen mensen zullen komen te wonen.

    De raad stelt dat in het rapport van de Omgevingsdienst Groningen over de externe veiligheid is vermeld dat de oriëntatiewaarde ten gevolge van het tankstation zowel in de huidige als in de toekomstige situatie wordt overschreden. Het verschil tussen de huidige en de toekomstige situatie is erg klein. De ontwikkelingen leiden tot een marginale verhoging van het groepsrisico. De raad acht de risico’s aanvaardbaar, omdat het aanwezige aantal personen in het invloedsgebied grote schommelingen vertoont, de directe omgeving van het tankstation bestaat uit een parkeerterrein, infrastructuur en berm en voorschriften opgenomen worden die een gunstig effect op de veiligheidssituatie hebben.

    De raad stelt dat in het uitwerkingsplan voldoende vluchtmogelijkheden zullen worden gerealiseerd. Deze zullen door de veiligheidsregio worden beoordeeld.

6.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

6.3.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen doen een beroep op normen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor zover die betrekking hebben op de veiligheid ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen. [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen komen op voor hun woon- en leefklimaat en het behoud van hun woonomgeving en keren zich om die reden in beroep tegen de mogelijkheden voor woningbouw in het plan. Het Bevi strekt daarmee kennelijk niet tot bescherming van hun belangen.

    Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

7.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat bij het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit ten onrechte gebruik is gemaakt van gegevens uit 2011. Zij stellen dat in het onderzoek voorts niet is ingegaan op fijnstof PM 2,5. Zij betogen dat het niet waarschijnlijk is dat de luchtkwaliteit is verbeterd, omdat het verkeer is toegenomen en naar verwachting nog verder zal toenemen in verband met de aanpak van de Ringweg Zuid en de wijziging van het ontwerp-tracébesluit. Ten onrechte is volgens hen niet gemotiveerd wat de verminderde luchtkwaliteit ter hoogte van het Winschoterdiep betekent voor de luchtkwaliteit in het plangebied. [appellant sub 1A] stelt dat de metingen door het meetstation "Europaweg" niet betrouwbaar zijn, omdat dit op 900 m afstand staat en niet in de gangbare windrichting.

7.1.    De raad stelt dat uit zowel het Verslag luchtkwaliteit 2011 als uit het Verslag luchtkwaliteit 2016 blijkt dat aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan en dat de situatie sinds 2011 duidelijk is verbeterd. Daarbij merkt de raad op dat het RIVM de meetwaarde van PM 2,5 in 2014 nog moet kalibreren en de jaargemiddelde concentraties van PM 2,5 in 2015 en 2016 nog moet vaststellen. Volgens de raad is de daggemiddelde norm voor PM10 strenger dan de norm voor PM 2,5, zodat naar verwachting aan de norm voor PM 2,5 zal worden voldaan, nu aan de norm voor PM10 wordt voldaan.

7.2.    Artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer luidt: "Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;".

    Het tweede lid, aanhef en onder c, luidt: "De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in de artikelen 3.1 […] van de Wet ruimtelijke ordening;".

7.3.    In paragraaf 4.5.2 van de plantoelichting is vermeld dat het 'Verslag luchtkwaliteit 2011 gemeente Groningen' met de bijbehorende luchtkwaliteitskaart op 29 januari 2011 is vastgesteld. Uit het verslag met de kaart blijkt volgens deze passage in de plantoelichting dat overal in Groningen ruimschoots aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan, zodat er wat het aspect luchtkwaliteit betreft geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

7.4.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens over luchtkwaliteit zodanig zijn verouderd dat de raad deze niet aan zijn besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. De Afdeling stelt bovendien vast dat de raad in het verslag van de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan "De Meeuwen - De Brink 2017" is ingegaan op de situatie in 2016 en op de concentraties van fijnstof PM2,5. In zoverre mist de beroepsgrond feitelijke grondslag. Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen aanvoeren dat het niet waarschijnlijk is dat de luchtkwaliteit is verbeterd, omdat het verkeer is toegenomen, overweegt de Afdeling dat uit het Verslag Luchtkwaliteit 2016 blijkt dat de luchtkwaliteit is verbeterd. In hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de metingen te twijfelen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

Geluid

8.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat niet duidelijk is of aan de Wet geluidhinder kan worden voldaan. Zij stellen dat de nieuwe woningbouw zo gesitueerd moet worden dat er een voldoende afschermende werking wordt gerealiseerd. [appellant sub 1A] voert aan dat geen rekening is gehouden met de gevolgen van het gewijzigde tracé van de Europaweg. Voorts is er geen rekening mee gehouden dat de geluidbelasting op de woningen al te hoog was. Ook met de belasting door de hulpdiensten is geen rekening gehouden. [appellant sub 1A] twijfelt aan de effectiviteit van genoemde geluidreducerende maatregelen.

8.1.    De raad stelt dat de geluidbelasting pas kan worden berekend als het uitwerkingsplan definitief is. Op basis van een berekening van de te verwachte geluidniveaus is het plan uitvoerbaar. De raad stelt dat de gevelbelasting als gevolg van de Europaweg de voorkeurswaarde van 48 dB op grond van de Wet geluidhinder zal overschrijden, maar de maximale grenswaarde niet. Akoestisch onderzoek in het kader van het uitwerkingsplan moet hierover definitief uitsluitsel geven. Voor zover de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, zal een hogere waarde moeten worden vastgesteld. Door de deels verdiepte ligging en de bronmaatregelen zal de geluidbelasting van de Zuidelijke Ringweg afnemen of gelijk blijven. Voor een aantal nieuw te bouwen woningen zal de gevelbelasting ten gevolge van de Zuidelijke Ringweg de grenswaarde overschrijden, maar de maximale grenswaarde niet. Voor zover dat wel het geval is, zullen de woningen met een dove gevel moeten worden uitgevoerd, aldus de raad.

8.2.    Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat niet duidelijk is of ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen aan de normen voor de geluidbelasting kan worden voldaan, komen zij niet op ter bescherming van hun belangen.

    Gelet op hetgeen is overwogen in 6.2 blijft het betoog in zoverre buiten bespreking.

8.3.    Voor zover [appellant sub 1A] en van Kempen en anderen betogen dat niet duidelijk is of ter plaatse van hun woningen aan de normen voor de geluidbelasting uit de Wet geluidhinder kan worden voldaan, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat uit een berekening volgt dat de geluidbelasting zal dalen. In hetgeen [appellant sub 1A] en van Kempen en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van deze berekeningen te twijfelen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een uitwerking die voldoet aan de normen uit de Wet geluidhinder mogelijk is, zodat geen aanleiding bestaat eisen te stellen aan de situering van de nieuw te bouwen woningen. Anders dan [appellant sub 1A] heeft aangevoerd zijn hierbij ook het tracébesluit en de bestaande belasting van de bestaande woningen betrokken. In hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de effectiviteit van de in 8.1 vermelde geluidwerende maatregelen.

    Het betoog faalt.

Hittestress

9.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat in het plan ten onrechte geen voorschriften zijn opgenomen om hittestress te voorkomen. Zij wijzen erop dat volgens de hittestresskaart van Groningen de buurt De Meeuwen warmer is dan gemiddeld. Bebouwing zal volgens hen de hittestresswaarden verhogen. Daarom moeten maatregelen worden opgenomen, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen.

9.1.    De raad stelt dat er geen wettelijke regels zijn voor hittestress, maar dat bij de uitwerking kan worden beoordeeld in hoeverre aan de voorgestelde maatregelen uitvoering kan worden gegeven.

9.2.    Dat dit aspect niet expliciet is betrokken bij de vaststelling van het plan, betekent niet dat de raad het plan niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan voorziet in een maximaal bebouwingspercentage van 35, zodat de raad er op voorhand van mocht uitgaan dat bij de uitwerking van het plan kan worden voorzien in een toereikende regeling.

    Het betoog faalt.

Aardbevingsrisico

10.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat in het plan ten onrechte voor de nieuw te bouwen woningen geen voorschriften over aardbevingsbestendig bouwen, zoals de Nederlandse Praktijkrichtlijn 9998, zijn opgenomen. Zij wijzen erop dat in de omgeving aardbevingen zijn voorgekomen die tot schade hebben geleid.

10.1.    De raad stelt dat regels omtrent aardbevingsbestendig bouwen niet in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De raad stelt dat de door [appellant sub 2] en anderen genoemde richtlijn nog geen wettelijke grondslag heeft. Indien deze in het Bouwbesluit wordt opgenomen, zal bij de toetsing van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen worden beoordeeld of hieraan wordt voldaan.

10.2.    De door [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen genoemde Nederlandse Praktijkrichtlijn 9998 heeft betrekking op aardbevingsbestendige constructies. [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen komen op voor hun woon- en leefklimaat en het behoud van hun woonomgeving. De NPR 9998 strekt daarmee kennelijk niet tot bescherming van hun belangen.

    Gelet op hetgeen is overwogen in 6.2 blijft het betoog buiten bespreking.

Klimaatneutraal bouwen

11.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat niet duidelijk is of het mogelijk is om bronnen te slaan ten behoeve van warmte-koude-opslag met warmtelevering of voor warmtepompen, omdat sprake is van vervuild gebied. Zonder deze maatregelen is de EPC-waarde (energieprestatiecoëfficiënt) van 0,4 waarschijnlijk niet te realiseren. [appellant sub 1A] bestrijdt dat een systeem met bodemlussen of het slaan van diepere putten mogelijk is.

11.1.    De raad stelt dat in het kader van de uitwerking kan worden beoordeeld in hoeverre toepassing aan deze maatregelen kan worden gegeven. In de plantoelichting is slechts in algemene zin een aantal ambities genoemd.

11.2.    Artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 luidt:

"Een gebruiksfunctie heeft een volgens NEN 7120 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt van ten hoogste de in tabel 5.1 aangegeven waarde."

    In tabel 5.1 is voor een andere woonfunctie dan een woonwagen een energieprestatiecoëfficiënt opgenomen van 0,4.

11.3.    De Afdeling overweegt dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat geen uitwerkingsplan mogelijk is waarmee op voorhand niet kan worden voldaan aan het Bouwbesluit 2012.

    Het betoog faalt.

Hoogspanningslijn

12.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de hoogspanningsleiding die in het gebied aanwezig is. Het is volgens hen niet duidelijk waar deze ligt. Zij stellen dat de veiligheidsrisico’s ten onrechte niet zijn vermeld. Volgens hen moet worden vastgesteld dat de grenswaarde van 0,4 µT niet wordt overschreden. Zij vrezen dat het gebied waarbinnen woningen gerealiseerd kunnen worden zo klein is dat slechts door middel van hoogbouw 140 woningen kunnen worden gerealiseerd. Ook is volgens hen de invloed op de luchtkwaliteit niet bekend.

12.1.    De raad stelt dat de hoogspanningslijn aan de overkant van de Europaweg ligt op een afstand van 40 tot 50 m van het plandeel met de bestemming "Wonen - Uit te werken". Het betreft een ondergrondse hoogspanningsleiding. Deze vormt geen gezondheidsrisico voor de omgeving.

12.2.    De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding aan de gronden aan de overzijde van de Europaweg de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning" is toegekend. In zoverre faalt het betoog.

    In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat geen plan mogelijk is waarbij wordt voorkomen dat nieuwe gevoelige bestemmingen aan een magnetische veldsterkte boven 0,4 µT (jaargemiddelde) worden blootgesteld.

    Het betoog faalt.

Hondenuitlaatgebied

13.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de open ruimte die als hondenuitlaatgebied wordt gebruikt zal verdwijnen, waardoor de overlast zal toenemen.

13.1.    De raad stelt dat de gronden waaraan de uit te werken woonbestemming is toegekend een losloopgebied vormen, omdat deze al lange tijd braak liggen. De raad geeft aan dat ook in het nieuwe woongebied groen aanwezig zal zijn. Volgens de raad kan een en ander nader aan de orde komen bij het uitwerkingsplan.

13.2.    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Parkeren

14.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat niet duidelijk is of aan de gemeentelijke parkeernormen kan worden voldaan.

14.1.    De raad stelt dat aan de parkeernormen kan worden voldaan door parkeerstroken en parkeervakken te realiseren in het plangebied. De raad geeft daarbij aan dat de conceptuitwerkingsplannen betrekking hebben op 101 woningen, waarvan 80 grondgebonden woningen en 21 appartementen, zodat 152 parkeerplaatsen nodig zijn, nu wordt gerekend met een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen voor de grondgebonden woningen en 1,1 parkeerplaatsen voor de appartementen. De raad stelt dat door de aanleg van een parkeerstrook langs de ventweg langs de Europaweg en met de aanleg van parkeervakken in de nieuw te creëren openbare ruimte daaraan kan worden voldaan. De raad heeft bij het maximale aantal te realiseren woningen rekening gehouden met het mogelijke aantal te realiseren parkeerplekken. Bedrijven in de omgeving die thans gebruik maken van een parkeerterrein langs de Europaweg zullen elders parkeerplekken moeten huren, omdat dit parkeerterrein verdwijnt, aldus de raad.

14.2.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een uitwerking mogelijk is waarbij aan de parkeernormen kan worden voldaan.

    Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

15.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van een tweede ontsluiting voor de verkeersveiligheid in de Barkmolenstraat in verband met mogelijk sluipverkeer.

15.1.    De raad stelt dat een sluiproute door de Barkmolenstraat niet logisch is. Er zal wel een geringe toename van bestemmingsverkeer zijn, maar ten opzichte van de oorspronkelijke plannen waarschijnlijk minder.

15.2.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat het plangebied ook aan de zuidzijde kan worden ontsloten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een uitwerking mogelijk is waarbij de verkeersveiligheid kan worden gewaarborgd.

    Het betoog faalt.

Bouwhoogte

16.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de gevolgen van de bouwhoogte van 24 m voor de inkijk in de bestaande woningen en voor de daglichttoetreding niet zijn onderzocht. Ook de schaduwwerking op de bestaande zonnepanelen is niet onderzocht.

16.1.    De raad stelt dat naar verwachting slechts een klein deel van de locatie met een bouwhoogte van 24 m zal worden ingevuld. De raad geeft aan dat ernaar wordt gestreefd deze zo te situeren dat er nauwelijks nadelige effecten voor de bezonning en evenmin schaduwwerking te verwachten zijn. Daglichttoetreding is volgens de raad gelet op de afstanden gewaarborgd. Inkijk zal niet geheel te voorkomen zijn, aldus de raad.

16.2.    De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het mogelijk zal zijn te voorzien in een uitwerking van het plan waarbij de bebouwing zo kan worden gesitueerd dat nauwelijks nadelige effecten voor bezonning of schaduwwerking te verwachten zijn, terwijl daglichttoetreding gewaarborgd zal zijn. Inkijk zal weliswaar niet geheel te voorkomen zijn, maar de raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet leidt tot onevenredig bezwarende gevolgen, gelet op de afstand van de woningen tot het plandeel met de bestemming "Wonen - Uit te werken" en de ligging in een stedelijke omgeving.

    Het betoog faalt.

Sociale veiligheid

17.    [appellant sub 1A] voert aan dat de gevolgen van het plan voor de sociale veiligheid moeten worden onderzocht.

17.1.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een uitwerking mogelijk is waarbij de sociale veiligheid kan worden gewaarborgd.

    Het betoog faalt.

Conclusie

18.    De beroepen zijn ongegrond.

19.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.

w.g. Kranenburg

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

433.