Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
201709678/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:13058, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellante] voor 2016 opnieuw berekend en onderscheidenlijk op nihil en € 296,00 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709678/1/A2.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [den haag],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2017 in zaak nr. 17/683 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellante] voor 2016 opnieuw berekend en onderscheidenlijk op nihil en € 296,00 gesteld.

Bij besluit van 19 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] stond volgens de basisregistratie personen (hierna: BRP) het gehele jaar 2016 met haar zoon, [zoon], ingeschreven op het adres [locatie] te Den Haag. Tot 27 december 2016 stond volgens de BRP op dit adres ook de broer van [appellante], [broer], ingeschreven.

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft in zijn bij besluit van 19 december 2016 gehandhaafde besluit van 21 juli 2016 [broer] als toeslagpartner van [appellante] aangemerkt en zijn inkomen betrokken bij de berekening van het toetsingsinkomen van [appellante].

3.    In hoger beroep betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van haar broer niet bij de berekening van het toetsingsinkomen had mogen betrekken. Volgens [appellante] woonde haar broer feitelijk niet op het adres [locatie], maar gebruikte hij dit adres alleen als postadres. Sinds november 2016 is het mogelijk een postadres in te schrijven in het BRP. De Belastingdienst/Toeslagen had haar geval overeenkomstig de later in werking getreden regels moeten behandelen, aldus [appellante].

3.1.    Artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen luidt als volgt:

"In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de BRP als de belanghebbende en: […]

e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander; […]"

3.2.    Zoals [appellante] zelf heeft aangegeven was het pas vanaf november 2016 mogelijk een postadres in te schrijven in het BRP. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting verklaard dat hij die mogelijkheid ook hiervoor al bood. Vast staat echter dat [appellante] van deze mogelijkheid, ook vanaf november 2016 tot 27 december 2016, geen gebruik heeft gemaakt. [appellante] en [broer] stonden in het jaar 2016 tot 27 december op hetzelfde adres ingeschreven in de BRP. Nu [appellante] ook niet heeft aangetoond dat [broer] een gedeelte van haar woning huurde, volgt uit de hierboven aangehaalde bepaling dat [broer] moet worden aangemerkt als haar partner. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van [broer] mocht betrekken bij de berekening van het toetsingsinkomen van [appellante].

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

735.