Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
201708429/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:8279, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2013 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708429/1/A2.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2017 in zaak nr. 17/2909 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2013 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 1 april 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 4 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Een afschrift van het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

1.    In geschil is of de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2013 terecht heeft vastgesteld op nihil.

2.    De relevante regelgeving is vermeld in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

3.    [appellante] heeft op 7 april 2010 een aanvraag ingediend voor kinderopvangtoeslag voor de opvang van haar dochter in een kinderdagverblijf. De kinderopvang is in november 2012 beëindigd, omdat de dochter vanaf die tijd naar school ging. Bij besluit van 28 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot voor kinderopvang in het berekeningsjaar 2013 toegekend.

4.    Aan het besluit van 10 april 2015, gehandhaafd bij het besluit van 1 april 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de dienst geen bewijsstukken heeft ontvangen waaruit blijkt dat [appellante] in 2013 recht had op kinderopvangtoeslag. Dat de kinderopvangtoeslag rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, neemt niet weg dat [appellante] verantwoordelijk bleef voor het ontvangen voorschot.

5.    De rechtbank heeft overwogen dat de op 7 april 2010 ingediende aanvraag op grond van artikel 15, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt geacht te zijn gedaan voor de volgende berekeningsjaren. Gelet op artikel 17, eerste lid, van de Awir en artikel 5, eerste lid, van de uitvoeringsregeling Awir was [appellante] gehouden alle wijzigingen met betrekking tot de kinderopvang, waaronder het stoppen ervan, tijdig aan de Belastingdienst/Toeslagen door te geven. Zij heeft dat niet tijdig gedaan. De gevolgen hiervan komen, als aanvrager en begunstigde van de toeslag, voor rekening van [appellante]. Dit geldt temeer nu de Belastingdienst/Toeslagen voor het jaar 2013 een voorschot kinderopvangtoeslag heeft verleend. [appellante] had dus kunnen weten dat de aanvraag niet was stopgezet.

    De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat niet in geschil is dat [appellante] in 2013 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dan ook terecht de kinderopvangtoeslag over 2013 definitief vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot teruggevorderd. Dat de kinderopvangtoeslag niet op de rekening van [appellante] zelf is uitbetaald, maar op de rekening van het kindercentrum en dat zij door het faillissement van het kindercentrum in een voor haar ongunstige situatie terecht is gekomen maakt niet dat de Belastingdienst/Toeslagen de onterecht uitgekeerde voorschotten niet van haar mag terugvorderen. De toeslag is immers aan [appellante] als aanvrager verleend. De toepasselijke regelgeving kent geen mogelijkheid tot kwijtschelding, aldus de rechtbank.

6.    [appellante] betoogt dat het oordeel van de rechtbank onredelijk is. Zij voert aan dat zij er niet van op de hoogte was dat de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag vanaf 2013 door de Belastingdienst/Toeslagen werd voortgezet, maar in de veronderstelling verkeerde dat die automatisch zou worden stopgezet, nu haar dochter geen gebruik meer maakte van de kinderopvang. [appellante] woonde in 2012 kort in Nederland en zij was geheel niet op de hoogte van de regels voor de kinderopvangtoeslag. Zij dacht dat de Belastingdienst/Toeslagen ook, zonder haar verzoek, geen voorschotten meer uitbetaalde. [appellante] is nooit betrokken geweest bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag. Het aanvragen destijds van een DigiD werd kennelijk gedaan door de kinderopvanginstelling [kinderopvang]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft haar nimmer aangeschreven en geïnformeerd. Alles ging, achteraf gezien, via "Mijn Toeslagen", hetgeen voor [appellante] niet mogelijk was en is. Indien [appellante] had geweten dat zij zelf de uitbetaling van de voorschotten had moeten stopzetten, had zij dat ook gedaan. Zij stelt dat zij daarom niet nalatig is geweest met de stopzetting van de kinderopvangtoeslag, aangezien zij niet wist dat de uitbetalingen van de voorschotten in 2013 werden voortgezet, zeker niet nu de uitbetalingen rechtstreeks werden verricht op het door de kinderopvanginstelling zelf doorgegeven bankrekeningnummer.

6.1.    De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat niet in geschil is dat [appellante] geen recht had op kinderopvangtoeslag over 2013. De voorschotten voor 2013 zijn daarom ten onrechte aan haar toegekend. In artikel 26 van de Awir is dwingend voorgeschreven dat indien een herziening of een verrekening leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien dan wel de terugvordering kan matigen. Dit betekent dat een belangenafweging bij de terugvordering als zodanig niet aan de orde is. De rechtbank heeft in de door [appellante] geschetste omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen van een terugvordering had moeten afzien.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

17. BIJLAGE

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals deze luidde ten tijde van belang

Artikel 15, vierde lid

Een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.

Artikel 17, eerste lid

Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, is de belanghebbende gehouden die wijziging te melden aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Artikel 26

Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 5, eerste lid

Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en zich in het berekeningsjaar een wijziging van de omstandigheden voordoet waarmee bij het verlenen van het voorschot geen rekening is gehouden en die leidt tot beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming doet de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner daarvan binnen vier weken schriftelijk dan wel elektronisch mededeling aan de Belastingdienst/Toeslagen.