Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
201705498/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het plaatsingsplan Babberspolder noord-oost vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in een deel van de wijk Babberspolder te Vlaardingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705498/1/A1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Vlaardingen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het plaatsingsplan Babberspolder noord-oost vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in een deel van de wijk Babberspolder te Vlaardingen.

Bij besluit van 18 april 2017 heeft het college het door [appellant] en [partij] hiertegen gemaakte bezwaar, opnieuw daarop beslissend, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H. de Vries, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bij besluit van 11 oktober 2011 vastgestelde plaatsingsplan voorziet onder meer in de plaatsing van een ORAC tegenover de woning van [appellant] aan de [locatie], aan de overzijde van de straat (locatie 5.1.4a; hierna: de locatie). [appellant] kan zich niet met de aanwijzing van de locatie verenigen.

Ontvankelijkheid beroep

2.    Het beroep tegen het besluit van 18 april 2017 is op 2 juni 2017 door de rechtbank Rotterdam ontvangen, derhalve meer dan zes weken na de datum waarop het besluit is genomen. De rechtbank heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld te reageren op de kennelijke overschrijding van de beroepstermijn. [appellant] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.

2.1.    De termijn voor het indienen van een beroepschrift van zes weken is in dit geval aangevangen op de dag na die waarop het college het besluit aan [appellant] heeft verzonden. Het college heeft desgevraagd te kennen gegeven niet te weten op welke datum het besluit is verzonden, maar dat de gebruikelijke werkwijze is dat een besluit wordt verzonden op ofwel de dag dat het is genomen, ofwel de dag daarna. Het maakt geen gebruik van een postregistratiesysteem waaruit kan blijken op welke datum het besluit is verzonden. De Afdeling stelt vast dat hierdoor niet kan worden bepaald op welke datum de beroepstermijn is aangevangen en op welke datum deze is geëindigd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend. Het beroep is ontvankelijk.

Geschiktheid locatie

3.    [appellant] betoogt dat het college de locatie in redelijkheid niet had kunnen aanwijzen. Volgens hem is de locatie niet in overeenstemming met de criteria die het college bij het aanwijzen van locaties voor ORAC's hanteert. Daartoe voert hij aan dat de kap van een boom noodzakelijk was om de ORAC te plaatsen en dat door de ORAC parkeerruimte verloren is gegaan. Bovendien moet de kraan van de inzamelwagen over geparkeerde auto's draaien om de ORAC te legen. Tot slot blokkeert de inzamelwagen bij het legen van de ORAC het verkeer op de Van Linden van den Heuvellsingel, aldus [appellant].

3.1.    Bij het aanwijzen van locaties voor ORAC's hanteert het college criteria, ontleend aan de zogeheten "Standaard Uitvoeringseisen". Deze zien onder meer op de loopafstanden naar de ORAC's, op het zoveel mogelijk handhaven van parkeerplaatsen en bomen, het zo min mogelijk omleggen van kabels en leidingen en op verkeersveiligheid.

3.2.    Vaststaat dat de kap van een boom noodzakelijk was om de ORAC op de locatie te kunnen plaatsen. De locatie bevindt zich verder op een strook groen direct naast een parkeerhaven met twee parkeerplaatsen langs de Van Linden van den Heuvellsingel. Voor deze parkeerplaatsen heeft het college gedurende enkele uren per week een parkeerverbod ingesteld, zodat de ORAC op die tijdstippen vanaf de weg geleegd kan worden. Het college heeft toegelicht dat het dit verlies van een boom en parkeerruimte aanvaardbaar acht. Het heeft doorslaggevend geacht dat de locatie met name uit een oogpunt van verkeersveiligheid en een evenwichtige spreiding van ORAC’s geschikt is. Voor zover illegaal geparkeerde auto's het legen van de ORAC bemoeilijken, vindt het legen volgens het college in beginsel op een later tijdstip plaats, dan wel wordt een toezichthouder ingeschakeld om de auto te laten verwijderen. Het legen van de ORAC duurt volgens het college verder in de regel niet zo lang dat dit leidt tot filevorming op de weg.

3.3.    De toegepaste criteria laten het college ruimte om tot aanwijzing van een locatie voor de plaatsing van een ORAC over te gaan, ook wanneer dat leidt tot de kap van een boom en tot verlies van parkeerruimte. Door de parkeerplaats voor de ORAC niet op te heffen, maar een parkeerverbod gedurende enkele uren per week in te stellen, heeft het college het verlies van parkeerruimte beperkt. Gelet op de toelichting van het college dat de locatie met name vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid en een evenwichtige spreiding van ORAC's geschikt is, hoefde het in de kap van een boom en het verlies van parkeerruimte gedurende enkele uren per week geen aanleiding te vinden om af te zien van aanwijzing van de locatie. Het college hoefde verder geen rekening te houden met eventuele overtredingen van het parkeerverbod die het legen van de ORAC kunnen bemoeilijken. Ook in het eventuele oponthoud van het verkeer tijdens het legen van de ORAC hoefde het college geen aanleiding te vinden af te zien van aanwijzing van de locatie, nu het legen van de ORAC slechts van korte duur zal zijn.

    Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

4.    [appellant] betoogt dat het college de voorkeur had moeten geven aan een alternatieve locatie ter hoogte van de Merellaan 88, gelegen aan een doodlopend pleintje. Hij betwist dat de omstandigheid dat de leegwagen ter plaatse zal moeten draaien en keren maakt dat de verkeersveiligheid zich tegen aanwijzing van die locatie verzet. Daartoe voert hij aan dat de leegwagen voor GFT-afval al langere tijd op dit pleintje komt en dat niet is gebleken dat dit een verkeersonveilige situatie oplevert. Verder wijst hij op een locatie aan de Van Leydenshof die het college wel aanvaardbaar heeft geacht voor de plaatsing van ORAC's, en waar de leegwagen achteruit moet rijden om de ORAC's na het legen te kunnen verlaten.

4.1.    Volgens het college is de door [appellant] voorgestelde alternatieve locatie uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet geschikt, omdat de leegwagen zal moeten draaien en keren om deze locatie te bereiken of te verlaten. Het college heeft toegelicht dat op het pleintje weliswaar ook al GFT-afval wordt opgehaald, maar dat de leegwagen voor GFT-afval, anders dan die voor het legen van de ORAC's, naast de chauffeur door twee extra medewerkers wordt bemand. Deze medewerkers hebben een verkeersveiligheidsopleiding gehad. Verder acht het college de situatie ter plaatse niet vergelijkbaar met die aan de Van Leydenshof. Na het legen van de ORAC's aan de Van Leydenshof zal de leegwagen weliswaar ongeveer 25 m achteruit moeten rijden om het hofje te verlaten, maar een fietspad is hier niet aanwezig.

4.2.    Het college mag er uit een oogpunt van verkeersveiligheid in redelijkheid voor kiezen om situaties waarin een leegwagen voor het legen van ORAC's zal moeten draaien en keren, zoveel mogelijk te vermijden. Daarbij mocht het betrekken dat een leegwagen voor het legen van ORAC's uitsluitend is bemand door de chauffeur en niet tevens door andere medewerkers die kunnen assisteren bij het draaien en keren, zoals het geval is bij leegwagens voor GFT-afval. Voorts leidt de omstandigheid dat het college de plaatsing van ORAC's aan de Van Leydenshof, gelet op de specifieke situatie aldaar, wel aanvaardbaar heeft geacht, er nog niet toe dat het college in andere gevallen geen betekenis mag toekennen aan de omstandigheid dat een leegwagen zal moeten draaien en keren. Nu niet in geschil is dat het aanwijzen van de door [appellant] voorgestelde alternatieve locatie ertoe zou leiden dat de leegwagen zal moeten draaien en keren om de ORAC te legen, kon het college de aangewezen locatie in redelijkheid geschikter achten.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

270-727.