Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
201707026/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5532, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2016 heeft de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten de aanvraag van [appellant] tot hernieuwing van zijn inschrijving in het register van artsen voor maatschappij en gezondheid en de daaraan gekoppelde profielregisters ‘sociaal medische indicatiestelling en advisering’ en ‘beleid en advies’ afgewezen. Tegen het besluit op bezwaar van 7 februari 2017 heeft [appellant] op 21 mei 2017 beroep ingesteld bij de rechtbank en verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat het te laat is ingediend en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. [appellant] bestrijdt dit oordeel en stelt dat het besluit op bezwaar niet in de envelop bij de aangetekend verzonden post aan zijn adres zat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707026/1/A2.

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2017 in zaken nrs. 17/3258 en 17/3259 in het geding tussen:

[appellant]

en

Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (hierna: RGS).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2016 heeft de RGS de aanvraag van [appellant] tot hernieuwing van zijn inschrijving in het register van artsen voor maatschappij en gezondheid en de daaraan gekoppelde profielregisters ‘sociaal medische indicatiestelling en advisering’ en ‘beleid en advies’ afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2017 heeft de RGS het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RGS heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2017, waar [appellant], en de RGS, vertegenwoordigd door mr. T. Wenniger en H.J. Bueving, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Tegen het besluit op bezwaar van 7 februari 2017 heeft [appellant] op 21 mei 2017 beroep ingesteld bij de rechtbank en verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. [appellant] bestrijdt dit oordeel en stelt dat het besluit op bezwaar niet in de envelop bij de aangetekend verzonden post aan zijn adres zat.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat [appellant] niet geloofwaardig heeft ontkend dat hij het besluit niet heeft ontvangen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de RGS voor de verzending van besluiten gebruik maakt van zogenoemde vensterenveloppen waardoor het adres op het besluit zichtbaar is. Het advies en het verslag van de adviescommissie bevatten geen adressering. Bovendien wordt gebruik gemaakt van een streepjescode die op de envelop wordt geplakt en op het besluit. Daarmee kan, aldus de voorzieningenrechter, worden achterhaald of het besluit daadwerkelijk door de geadresseerde is ontvangen.

Wettelijk kader

3.    Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken".

    Artikel 6:11 bepaalt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest".

Hoger beroep

4.    [appellant] stelt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de RGS voor aangetekende stukken uitsluitend gebruik maakt van vensterenveloppen. De RGS maakt volgens [appellant] voor deze stukken ook gebruik van enveloppen zonder venster waar het adres met de hand op wordt geschreven. Verder wijst [appellant] erop dat hij binnen de bezwaartermijn op 17 maart 2017 een e-mail naar de RGS heeft gestuurd met de vraag waar het besluit op bezwaar bleef. Dit pleit voor zijn stelling dat het besluit op bezwaar niet was meegestuurd bij de aangetekende verzending, aldus [appellant].

5.    De RGS heeft ter zitting erkend dat naast vensterenveloppen ook gebruik wordt gemaakt van dichte enveloppen voor de verzending van aangetekende stukken. De dichte gele enveloppen worden bij uitzondering gebruikt in het geval sprake is van omvangrijke stukken, aldus de RGS. De Afdeling acht het gelet hierop niet buiten twijfel dat in het geval van [appellant] geen gebruik is gemaakt van een andere envelop dan de vensterenvelop die normaal gesproken wordt gebruikt voor het verzenden van besluiten. In dat geval is het mogelijk dat in de envelop het besluit op bezwaar ontbrak.

6.    Het vorenstaande betekent echter niet dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het beroep daardoor verschoonbaar is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9941) moet [appellant], opdat deze termijnoverschrijding krachtens artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar kan worden geacht, dit beroep binnen twee weken nadat hij van de inhoud van het besluit op de hoogte is geraakt, hebben ingesteld. Ter zitting heeft [appellant] erkend dat hij, nadat hij bekend werd met het besluit, nog ongeveer vijf weken heeft gewacht met het instellen van beroep. Dat betekent dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar kan worden geacht. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen, zij het om een andere reden.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Fenwick

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018

608.