Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201707903/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2017 heeft het college zijn beslissing om op 29 juni 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte doos die op 29 juni 2017 is aangetroffen naast een papiercontainer ter hoogte van de [locatie]. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707903/1/A1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2017 heeft het college zijn beslissing om op 29 juni 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 27 september 2017 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2018, waar het college, vertegenwoordigd door S.E. el Boustati, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte doos die op 29 juni 2017 is aangetroffen naast een papiercontainer ter hoogte van de [locatie]. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2.    [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar stelt dat hij de doos in de papiercontainer heeft gedaan. Hij vermoedt dat de doos uit de papiercontainer is gevallen. Hij voert aan dat de vulopening van de papiercontainer vrij groot is en dat er, wanneer de container bijna vol is, makkelijk iets uit kan vallen wanneer er daarna nog iets in de container wordt gedaan. Volgens hem zou hij niet de moeite nemen om de aangetroffen doos netjes plat te maken en naar de papiercontainer te brengen, die verder weg van zijn woning is dan de aanbiedplek voor restafval, om de doos vervolgens niet in de papiercontainer te doen.

    Verder wijst hij erop dat het bij de ondergrondse restafvalcontainers niet mogelijk is dat er iets uit valt en het besluit van 5 juli 2017 hem ertoe dwingt in het vervolg zijn oud papier bij het restafval weg te gooien en niet langer gescheiden weg te brengen.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6561), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.2.    De stelling van [appellant] dat hij de doos in de papiercontainer heeft gedaan en dat hij vermoed dat de doos daaruit is gevallen, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij niet degene is geweest die de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 heeft aangeboden. De omstandigheid dat de vulopening van de papiercontainer vrij groot is, zodat er papier uit kan vallen, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat dat met de aangetroffen doos is gebeurd. Ook de omstandigheid dat [appellant] de moeite heeft genomen om de doos plat te maken en naar de papiercontainer te brengen, maakt niet aannemelijk dat hij niet degene is geweest die de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 heeft aangeboden.

    In de opmerking van [appellant] dat het besluit van 5 juli 2017 hem ertoe dwingt in het vervolg zijn oud papier bij het restafval weg te gooien, kan geen beroepsgrond worden gelezen.

    Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

    Het betoog faalt.

3.     [appellant] stelt het ongeloofwaardig te vinden dat het college opruimwerkzaamheden heeft verricht voor het verwijderen van de aangetroffen doos.

3.1.    In het besluit van 5 juli 2017 staat dat de kosten voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van de doos en de administratieve kosten in totaal € 194,00 bedragen, waarvan bij een eerste overtreding € 126,00 in rekening wordt gebracht. Bij het verweerschrift heeft het college een gespecificeerde kostenberekening gevoegd. Daaruit blijkt dat de kosten van het toepassen van spoedeisende bestuursdwang niet alleen bestaan uit de kosten voor het feitelijk verwijderen van het verkeerd aangeboden huisvuil, maar ook uit het arbeidsloon van de toezichthouder, onder meer voor het opstellen van een rapportage, en het arbeidsloon van de backoffice. [appellant] heeft niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat de op de kostenberekening vermelde onderdelen en bijbehorende bedragen niet overeenkomen met de handelingen die zijn verricht en de kosten die zijn gemaakt voor het verwijderen van de doos.

    Het betoog faalt.

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018

687.