Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201705362/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4335, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2009 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705362/1/A2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2017 in zaak nr. 16/8069 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2009 afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 28 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2009 herzien en op nihil gesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 februari 2016 geoordeeld dat de dienst dit terecht heeft gedaan.

    Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op kinderopvangtoeslag over 2009 vastgesteld op nihil.

2.    Op 30 september 2016 heeft [appellante] een verzoek ingediend om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2009.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit verzoek bij besluit van 10 oktober 2016, gehandhaafd bij besluit van 28 november 2016, afgewezen. Aan deze afwijzing heeft de dienst ten grondslag gelegd dat het herzieningsverzoek te laat is ingediend, nu uit artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) en artikel 5a, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling Awir voortvloeit dat dit uiterlijk op 31 december 2014 gedaan had moeten worden.

3.    De rechtbank heeft onder meer overwogen dat uit artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir voortvloeit dat een verzoek om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag over 2009 uiterlijk op 31 december 2014 diende te geschieden. Omdat [appellante] haar herzieningsverzoek eerst op 30 september 2016 heeft ingediend, was herziening van het besluit tot definitieve berekening van haar recht op toeslag over 2009 in beginsel niet meer mogelijk. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien om in dit geval van de vijfjaarstermijn af te wijken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de definitieve vaststelling van het recht van [appellante] op kinderopvangtoeslag over 2009 dateert van 21 juli 2015. Omdat de vijfjaarstermijn op dat moment al verstreken was, heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] de mogelijkheid ontnomen om tijdig een herzieningsverzoek in te dienen. Gelet hierop kan artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir [appellante] in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Doel en strekking van die bepaling is dat binnen een zekere termijn nadat de gegevens voor het desbetreffende toeslagjaar bekend zijn, definitief vastgestelde toeslagen kunnen worden herzien. De rechtbank heeft daarom beoordeeld of [appellante] het verzoek om herziening heeft ingediend zo spoedig als  redelijkerwijs mogelijk was. Volgens de rechtbank was dat niet het geval, nu het verzoek 16 (lees: 14) maanden na de definitieve vaststelling, waartegen bezwaar openstond, is ingediend. Bij haar oordeel heeft de rechtbank verder nog betrokken dat [appellante] in het verzoek om herziening geen op haar situatie betrekking hebbende feiten of omstandigheden heeft gesteld en zij het verzoek ook ruim een half jaar na de door haar aangehaalde conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus heeft ingediend. Gelet hierop heeft de dienst het verzoek om herziening terecht afgewezen, aldus de rechtbank.

4.    [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

5.    De Afdeling gaat voorbij aan hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:159) en de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1484), reeds omdat deze conclusie en uitspraak niet zien op een verzoek om herziening van een toeslag, zoals hier aan de orde.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het herzieningsverzoek te laat is ingediend. Zowel artikel 21a van de Awir als artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, waarin een herzieningstermijn van vijf jaar is neergelegd, is in werking getreden op 1 januari 2011. In het aan de orde zijnde berekeningsjaar 2009 gold een herzieningstermijn van zeven jaar, aldus [appellante], en die termijn moet voor haar van toepassing blijven. Voor zover al een termijn van vijf jaar zou gelden, is deze voor de toeslag over 2009 pas begonnen op 21 juli 2015, de dagtekening van het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen waarbij de kinderopvangtoeslag over dat jaar is vastgesteld. Anders zou haar de volle termijn van vijf jaar om herziening te vragen zijn ontnomen, doordat de Belastingdienst/Toeslagen zelf de termijn voor vaststelling ruimschoots heeft overschreden. Ten slotte voert [appellante] aan dat strikte handhaving van de vijfjaarstermijn in een geval als dit, waarbij de dienst pas na vijf jaar de tegemoetkoming definitief vaststelt, haar recht om om herziening te verzoeken illusoir maakt.

6.1.    Artikel 21a van de Awir luidt:

"In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden in het voordeel van de belanghebbende."

    Artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir luidt:

"De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, tenzij:

a. vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;

[…]."

6.2.    De gemachtigde van [appellante] heeft reeds in vele andere zaken aangevoerd dat voor de inwerkingtreding van artikel 21a van de Awir een herzieningstermijn van zeven jaar gold en dat voor zover al een termijn van vijf jaar zou gelden, deze pas met ingang van de dagtekening van het besluit tot definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over een bepaald toeslagjaar zou aanvangen, omdat de rechtzoekende anders de volle termijn van vijf jaar om om herziening te vragen wordt ontnomen. De Afdeling heeft het betoog steeds gemotiveerd verworpen. Zie bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) de uitspraken van:

-    5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:932) onder 6.2;

-    4 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2665) onder 6.2 en verder;

-    8 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3027) onder 4.2 en verder;

-    27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2140) onder 9.1 en verder.

6.3.    Zoals uit voormelde uitspraken volgt, is er geen rechtsgrondslag voor het betoog dat voor de inwerkingtreding van artikel 21a van de Awir een herzieningstermijn van zeven jaar gold. Voorts volgt uit die uitspraken dat voor de toepassing van de termijn van vijf jaar niet van belang is op welk berekeningsjaar het verzoek om herziening ziet, maar slechts of na 31 december 2010 - na de inwerkingtreding van artikel 21a van de Awir en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir - op dat verzoek wordt beslist.

6.4.    De Afdeling ziet thans geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in deze uitspraken.

6.5.    Uit artikel 5a, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling Awir volgt dat de termijn van vijf jaar voor het indienen van een herzieningsverzoek begint op de eerste dag na het verstrijken van de laatste dag van het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, in dit geval 31 december 2009. De termijn eindigde in dit geval derhalve, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, op 31 december 2014. Daarmee staat vast dat het herzieningsverzoek van 30 september 2016 buiten de termijn is ingediend. In zoverre faalt het betoog.

6.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie voormelde uitspraak van 27 juni 2018) wordt, indien de Belastingdienst/Toeslagen kort voor of op enig moment na het verstrijken van de vijfjaarstermijn een besluit neemt over de definitieve vaststelling, de mogelijkheid om herziening te verzoeken in feite illusoir gemaakt. Een dergelijke situatie is niet uitzonderlijk. De Afdeling heeft hierin aanleiding gezien voor de rechtspraktijk de regel te formuleren dat in een geval als hier aan de orde, waarbij de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming niet binnen vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft definitief heeft berekend en vastgesteld en dus de wettelijke termijn voor het indienen van een verzoek om herziening reeds is verstreken en waarin de wet- of regelgever niet heeft voorzien, aan de belangen van de rechtzoekende recht wordt gedaan indien hem in beginsel een termijn van één jaar wordt gegund om desgewenst alsnog om herziening te vragen. De termijn wordt berekend vanaf de datum van het besluit waarbij de tegemoetkoming definitief is berekend en vastgesteld.

6.7.    Deze regel leidt ertoe dat het door [appellante] gedane verzoek om herziening, nu dat meer dan een jaar na het besluit tot definitieve vaststelling van de tegemoetkoming over 2009 heeft plaatsgevonden, niet tijdig is ingediend. De Belastingdienst/Toeslagen hoefde het verzoek daarom niet in behandeling te nemen. De rechtbank is, hoewel op andere gronden, tot dezelfde slotsom gekomen. Dit betekent dat het betoog ook in zoverre faalt.

7.    Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellante] het herzieningsverzoek te laat heeft ingediend, komt de Afdeling niet toe aan de bespreking van hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de hoogte van de vastgestelde kinderopvangtoeslag over 2009.

8.    [appellante] betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Nu uit het voorgaande volgt dat het herzieningsverzoek van [appellante] te laat is ingediend, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen kon afzien.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Pans    w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018

752.