Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201708328/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:7864, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2016 aan [appellant] herzien naar € 1.096,00. [appellant] woont in een woning op het adres [locatie] in Amsterdam. Deze woning huurt hij van woningbouwvereniging Eigen Haard. Op een bepaald moment heeft [appellant] de huurcommissie ingeschakeld, omdat hij stankoverlast had in zijn woning. De huurcommissie heeft een onderzoek ter plaatse laten uitvoeren. Uit de uitspraak van de huurcommissie van 15 maart 2017 blijkt dat de afvoer van het toilet in de woning gebroken was, met ernstige stankoverlast in de woning tot gevolg. De huurcommissie heeft met terugwerkende kracht vastgesteld dat de huurprijs die werd betaald in de periode 1 mei 2016 tot 1 januari 2017  onredelijk was. Zij heeft Eigen Haard opgedragen voor die periode de huurprijs te verlagen naar € 262,07 per maand. Bij brief van 4 mei 2017 heeft Eigen Haard aan deze uitspraak gehoor gegeven. Het bedrag van € 1.514,64 dat [appellant] van Eigen Haard tegoed had, is verrekend met een achterstand in de huurbetaling. Een restantbedrag van € 127,14 is aan [appellant] uitbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708328/1/A2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2017 in zaken nrs. 17/3760 en 17/3762 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2016 aan [appellant] herzien naar € 1.096,00.

Bij besluit van 28 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot huurtoeslag over 2017 aan [appellant] toegekend van € 2.386,00.

Bij afzonderlijke besluiten van 27 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] tegen de voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2017 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont in een woning op het adres [locatie] in Amsterdam. Deze woning huurt hij van woningbouwvereniging Eigen Haard. Op een bepaald moment heeft [appellant] de huurcommissie ingeschakeld, omdat hij stankoverlast had in zijn woning. De huurcommissie heeft een onderzoek ter plaatse laten uitvoeren. Uit de uitspraak van de huurcommissie van 15 maart 2017 blijkt dat de afvoer van het toilet in de woning gebroken was, met ernstige stankoverlast in de woning tot gevolg. De huurcommissie heeft met terugwerkende kracht vastgesteld dat de huurprijs die werd betaald in de periode 1 mei 2016 tot 1 januari 2017  onredelijk was. Zij heeft Eigen Haard opgedragen voor die periode de huurprijs te verlagen naar € 262,07 per maand. Bij brief van 4 mei 2017 heeft Eigen Haard aan deze uitspraak gehoor gegeven. Het bedrag van € 1.514,64 dat [appellant] van Eigen Haard tegoed had, is verrekend met een achterstand in de huurbetaling. Een restantbedrag van € 127,14 is aan [appellant] uitbetaald.

    Voor de woning ontving [appellant] in de jaren 2016 en 2017 huurtoeslag. In de tijdelijke huurverlaging heeft de Belastingdienst/Toeslagen aanleiding gezien om het voorschot huurtoeslag over 2016 te verlagen.

Besluitvorming

2.    Voor het jaar 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 28 december 2015 een voorschot huurtoeslag van € 2.475,00 aan [appellant] toegekend. Voor de berekening van het voorschot huurtoeslag heeft de Belastingdienst/Toeslagen een rekenhuur van € 447,71 gehanteerd. Bij besluit van 2 juni 2017, gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen dat voorschotbedrag verlaagd naar € 1.096,00. Daaraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de huurprijs van 1 mei 2016 tot en met 31 december 2016 is verlaagd van € 447,71 naar € 262,07 per maand en dat de huurtoeslag op die verlaging is aangepast.

    Voor het jaar 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 28 december 2016 een voorschot huurtoeslag voor 2017 toegekend van € 2.386,00. [appellant] heeft in bezwaar verzocht om een bedrag van € 1.514,64 aan te merken als bijzonder inkomen of vermogen. Aan het besluit op bezwaar van 27 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat uit de door [appellant] aangeleverde stukken blijkt dat hij het bedrag van € 1.514,64 terugkrijgt van zijn verhuurder in verband met een huurverlaging en dat teruggave van huur niet kan worden aangemerkt als bijzonder inkomen of vermogen.

Oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag 2016 terecht heeft herzien. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag heeft verlaagd omdat de rekenhuur was verlaagd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] geen stukken heeft overgelegd die aantonen dat het bedrag van € 1.514,64 schadevergoeding zou zijn.

    De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag 2017 voor het juiste bedrag heeft toegekend. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen het in het bezwaar gedane verzoek van [appellant] om een deel van zijn vermogen buiten beschouwing te laten, terecht heeft afgewezen.

Hoger beroep

4.    [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. In essentie betoogt hij dat de huurverlaging een schadevergoeding is voor de jarenlange overlast die hij in zijn woning heeft gehad. Door de huurtoeslag te verlagen is de Belastingdienst/Toeslagen de enige die voordeel heeft van zijn inspanningen om een genoegdoening te krijgen. Mensen met een laag inkomen zoals hij zijn dus de dupe van het indienen van hun klacht, aldus [appellant]. Zij kunnen dus beter geen klachten indienen.

4.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

4.2.    De huurcommissie heeft vastgesteld dat de door [appellant] te betalen huurprijs over de periode 1 mei 2016 tot en met 31 december 2016 niet redelijk was omdat de woning gebreken vertoonde. Daarom heeft de huurcommissie de huurprijs voor de voornoemde periode verlaagd naar € 262,07 per maand. Het gevolg daarvan is dat Eigen Haard het teveel betaalde bedrag aan huur in beginsel aan [appellant] diende te restitueren. Eigen Haard heeft het uit te betalen bedrag uiteindelijk grotendeels verrekend met een achterstand in de huurbetaling. Die terugbetaling staat echter los van de berekening van de huurtoeslag.

    Het voorschot huurtoeslag is afhankelijk van de te betalen huurprijs, zodat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag terecht tijdelijk heeft verlaagd toen de te betalen huurprijs ook tijdelijk werd verlaagd. De terugvordering van teveel betaalde voorschotten is dus niet het gevolg van het uitbetalen van het bedrag door Eigen Haard, maar het gevolg van de tijdelijke verlaging van de huurprijs. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat het bedrag van € 1.514,64 schadevergoeding zou zijn, heeft hij dat niet met stukken aangetoond. De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2016 op goede gronden heeft herzien.

4.3.    Voor zover [appellant] heeft beoogd op te komen tegen het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst/Toeslagen de teruggave van de huur voor een bedrag van € 1.514,64 niet als bijzonder vermogen hoefde aan te merken en buiten beschouwing hoefde te laten, is de rechtbank in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op deze door [appellant] ook in beroep al naar voren gebrachte grond ingegaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om over deze beroepsgrond anders te oordelen dan de rechtbank.

4.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Pans

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018

705. BIJLAGE - Wettelijk kader

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 47

Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, […] mochten voordoen.

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 9

1. Artikel 7, derde en vierde lid, van de wet blijft op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met:

a. […]

b. een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig jaar zijn ontvangen:

1˚. immateriële schadevergoedingen;

[…].

Wet op de huurtoeslag

Artikel 5

1. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder rekenhuur: de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd, of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte daarover gestelde regels […].

2. Bij de toepassing van het eerste lid kan het in de aanhef van dat lid laatstbedoelde bedrag slechts in de plaats van de verschuldigde huurprijs in aanmerking worden genomen nadat, op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen, de huurcommissie, dan wel de voorzitter van de huurcommissie, aan de Belastingdienst/Toeslagen en aan de huurder advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over de redelijk te achten huurprijs. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent die verklaring nadere regels worden gesteld.