Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2566

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201707710/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft het college aan Recreatie Beheer B.V. omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een hotel met restaurant, 71 recreatieappartementen, drie winkels, drie woningen en een parkeerkelder op het perceel Zeeweg 39a te Sint Maartensvlotbrug (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707710/1/A1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen, en

[appellant B], wonend te Waverveen, gemeente De Ronde Venen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 augustus 2017 in zaken nrs. 16/2133 en 16/2135 in het geding tussen:

[appellant B],

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft het college aan Recreatie Beheer B.V. omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een hotel met restaurant, 71 recreatieappartementen, drie winkels, drie woningen en een parkeerkelder op het perceel Zeeweg 39a te Sint Maartensvlotbrug (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 9 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 maart 2018 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2018, waar [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Moraal en J.C. Blaauw, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het project zal, voor zover het het hotel met restaurant, de 71 recreatieappartementen en de parkeerkelder betreft, worden gerealiseerd op een braakliggend terrein aan de Zeeweg. Het andere deel, de drie winkels met daarboven drie appartementen, wordt gerealiseerd op gronden gelegen tussen drie in het verlengde van elkaar gelegen bouwblokken. Deze bouwblokken liggen evenwijdig aan de Zeeweg. In deze bouwblokken bevinden zich op de begane grond winkelruimten en op de verdieping appartementen. De bouwblokken zijn verbonden door een overkapping aan de kant van de Zeeweg. Aan die zijde is ook, over de gehele lengte, een alleen voor voetgangers toegankelijke promenade aanwezig. Deze promenade is vanaf het achter de bouwblokken gelegen parkeerterrein via de tussen de bouwblokken gelegen open ruimtes toegankelijk.

    Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] ziet alleen op een deel van het project, te weten de drie winkels met daarboven de drie appartementen.

2.    [appellant A] is eigenaar van een winkelruimte in een van de reeds aanwezige bouwblokken. Hij verhuurt deze winkelruimte. [appellant B] is eveneens eigenaar van een winkelruimte in een van de bouwblokken en exploiteert daarin een reisbureau. Zij woont in de woning boven deze winkelruimte.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het college in de Nota van Zienswijzen van 24 februari 2016 behorende bij het besluit van 15 maart 2016 ten onrechte niet is ingegaan op de problemen die volgens [appellant A] zullen ontstaan bij de bevoorrading van de winkels wanneer het project wordt uitgevoerd en heeft het beroep van [appellant A] om die reden gegrond verklaard en het besluit van 15 maart 2016 vernietigd. Omdat het college in het verweerschrift alsnog heeft gemotiveerd waarom dit bezwaar geen reden vormt om de omgevingsvergunning te weigeren, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Omdat [appellant B] de hiervoor genoemde grond volgens de rechtbank niet had aangevoerd, is het beroep van [appellant B] ongegrond verklaard.

De beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ook [appellant B] in haar zienswijze van 21 december 2015 en in haar beroepschrift van 7 mei 2016 heeft aangevoerd dat het college niet heeft onderkend dat het project met zich brengt dat er problemen zullen ontstaan bij de bevoorrading van de winkels. De rechtbank had haar beroep om die reden ook gegrond moeten verklaren, aldus [appellant A] en [appellant B].

4.1.    [appellant B] heeft in haar zienswijze aangevoerd dat de bevoorrading van de winkels wordt bemoeilijkt en beperkt door de smalle achteringang van de winkels. De rechtbank heeft echter terecht geoordeeld dat [appellant B] over dit onderwerp geen beroepsgrond naar voren heeft gebracht. [appellant B] heeft in haar beroepschrift volstaan met het verzoek de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen. [appellant B] heeft echter geen redenen aangevoerd waarom de reactie van het college op dit onderdeel van de zienswijze in de Nota van Zienswijzen onjuist zou zijn. Omdat [appellant B] dit heeft nagelaten, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een gegrondverklaring van het beroep van [appellant B] op dit punt.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank bij de beoordeling van hun beroepen is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden. Volgens hen heeft zij niet onderkend dat [appellant B] eigenaar is van een winkel en een appartement in het meest westelijke bouwblok en niet in het middelste bouwblok. Verder is de rechtbank uitgegaan van onjuiste afstanden als het gaat om de bevoorrading van de winkel van [appellant A]. Door de realisering van het bouwplan wordt de afstand die voor het bevoorraden moet worden overbrugd vergroot tot meer dan 55 m en vanaf de westelijke toegang meer dan 110 m. Bovendien is er geen ruimte meer voor laden en lossen, aldus [appellant A] en [appellant B]. Verder is de rechtbank er volgens hen ten onrechte van uitgegaan dat de drie woningen recreatiewoningen zijn.

5.1.    [appellant A] en [appellant B] betogen weliswaar terecht dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de winkel van [appellant B] zich in het middelste bouwblok bevindt, maar dat maakt niet dat de rechtbank alleen om die reden de beroepsgronden van [appellant B] onjuist heeft beoordeeld. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het appartement van [appellant B] een hoekappartement is, gelegen in het meest westelijke bouwblok vlakbij het middelste bouwblok, in de directe nabijheid van het middelste bouwblok.

    Het betoog faalt in zoverre

5.2.    Uit een door het college in hoger beroep overgelegde uitdraai volgt dat de kortste afstand van de voordeur van de winkel van [appellant A] tot het parkeerterrein in de nieuwe situatie ongeveer 40 m bedraagt. [appellant A] en [appellant B] hebben alleen gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de door de rechtbank, in navolging van het college, gehanteerde afstand onjuist is.

    Het betoog faalt in zoverre.

5.3.    [appellant A] en [appellant B] betogen terecht dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de drie woningen waarvoor omgevingsvergunning is verleend recreatiewoningen zijn. [appellant A] en [appellant B] voeren echter niet aan dat de rechtbank door deze onjuiste aanname hun beroepsgronden onjuist heeft beoordeeld.

    Het betoog faalt ook in zoverre.

6.    [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat het college volgens hen door middel van een distributie planologisch onderzoek (hierna: DPO) had moeten motiveren waarom er behoefte bestaat aan de ontwikkeling die het project mogelijk maakt.

6.1.    [appellant A] en [appellant B] betogen terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op deze beroepsgrond. Dit leidt, gelet op het hiernavolgende, echter niet tot het door hen beoogde doel.

    Het college heeft zich in de Nota van Zienswijze, die deel uitmaakt van het besluit van 15 maart 2016, op het standpunt gesteld dat het de verwachting is dat realisatie van het bouwplan, op deze locatie buiten het centrum, een belangrijke impuls zal geven aan de toeristische/recreatieve aantrekkingskracht van Sint Maartenszee. De verwachte toename van het aantal toeristen zal er volgens het college voor zorgen dat de relatief beperkte extra oppervlakte aan winkelruimte blijvend kan worden ingevuld/gebruikt, zonder enig effect voor voorzieningen in het centrum. De nieuwe winkels zullen dus naar verwachting niet tot gevolg hebben dat voor de inwoners van het nabij gelegen Petten en Sint Maartensbrug een onvoldoende voorzieningenniveau behouden blijft, in die zin, dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen niet kunnen doen, aldus het college. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het overleggen van een DPO niet noodzakelijk is. [appellant A] en [appellant B] hebben dit standpunt van het college niet inhoudelijk betwist.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor de drie winkels en drie woningen heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de eigenaren van de winkels. Zij verwijzen naar de gevolgen die het project heeft voor het winkelend publiek. Zij moeten vanaf de parkeerplaats aan de achterzijde, na realisering van de drie winkels en de drie woningen, een grotere afstand overbruggen naar de winkels. Verder had het college volgens hen niet in redelijkheid tot het verlenen van omgevingsvergunning voor de drie woningen kunnen overgaan, omdat het bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" dat niet toestaat.

7.1.    Het college heeft zich in de Nota van Zienswijzen naar aanleiding van de zienswijze van [appellant A] op het standpunt gesteld dat naast de klandizie bestaande uit de gebruikers van het parkeerterrein ook de hotelgasten en de bewoners van de recreatie-appartementen een nieuwe doelgroep voor de winkels vormen en dat het de verwachting is dat een langere looproute geen aanleiding is om de winkels te mijden, juist ook omdat het project voorziet in een aaneengesloten, overdekte promenade.

    De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor de drie winkels en de drie woningen heeft kunnen verlenen. [appellant A] en [appellant B] hebben slechts gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de realisering daarvan een negatieve invloed heeft op het winkelend publiek. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het project in zijn geheel moet worden bezien, dus met het hotel, restaurant, 71 recreatieappartementen en de parkeerkelder. Voor zover bij [appellant A] en [appellant B] de vrees bestaat dat alleen de ruimtes tussen de bouwblokken worden opgevuld met drie woningen en drie winkels en het hotel met restaurant, 71 recreatieappartementen en de parkeerkelder niet zullen worden gebouwd, wordt overwogen dat het college in een anterieure overeenkomst met de vergunninghouder afspraken heeft gemaakt over de oplevering van het gehele project. Over het door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde met betrekking tot de drie woningen, overweegt de Afdeling als volgt. Het feit dat de woningen in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" is onvoldoende voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor de woningen heeft kunnen verlenen, omdat met het verlenen van omgevingsvergunning voor de drie woningen immers van het bestemmingsplan wordt afgeweken. In het door [appellant A] en [appellant B] overigens aangevoerde wordt ook geen grond gevonden voor het oordeel dat deze te realiseren woningen in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

8.    Het betoog van [appellant A] en [appellant B], dat de rechtbank ten onrechte hun beroepsgrond, dat vergunninghouder niet de financiële middelen zou hebben om het project te realiseren, buiten bespreking heeft gelaten, faalt. De rechtbank is terecht niet op deze grond ingegaan, omdat [appellant A] en [appellant B] deze grond niet eerder in hun zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Conclusie en slot

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Helder    w.g. Kamphorst-Timmer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018

776.