Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201706576/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:3337, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2016 heeft de raad voor rechtsbijstand een verzoek om vaststelling van een dwangsom afgewezen. Bij besluit van 23 juni 2015 heeft de raad de vergoeding voor verleende rechtsbijstand door de gemachtigde van [appellant] op de toevoeging IHA8246 op basis van samenhang op toevoeging IHA7764 vastgesteld. Hiertegen heeft de gemachtigde van [appellant] op 6 augustus 2015 bezwaar gemaakt. Op 2 november 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] de raad in gebreke gesteld voor het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 6 augustus 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706576/1/A2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2017 in zaak nr. 16/2214 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2016 heeft de raad een verzoek om vaststelling van een dwangsom afgewezen.

Bij besluit van 7 juni 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

    Overwegingen

1.    Bij besluit van 23 juni 2015 heeft de raad de vergoeding voor verleende rechtsbijstand door de gemachtigde van [appellant] op de toevoeging IHA8246 op basis van samenhang op toevoeging IHA7764 vastgesteld. Hiertegen heeft de gemachtigde van [appellant] op 6 augustus 2015 bezwaar gemaakt. Op 2 november 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] de raad in gebreke gesteld voor het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 6 augustus 2015. Bij besluit van 8 december 2015 heeft de raad het bezwaar ongegrond verklaard.

    Op 1 en 18 maart 2016 heeft de gemachtigde van [appellant] de raad verzocht om een dwangsombesluit te nemen. Bij het besluit van 6 april 2016 heeft de raad het verzoek om vaststelling van een dwangsom afgewezen. Dit besluit is gericht aan [appellant] en geadresseerd aan het kantoor van zijn gemachtigde. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hij voert aan dat dit besluit ten onrechte aan hem is uitgereikt, omdat hij de raad niet in gebreke heeft gesteld en ook niet heeft gevraagd om een dwangsombesluit. Hij verzoekt de dwangsombeslissing ten aanzien van hem ongedaan te maken, voorts met toekenning van een vergoeding van de door hem voor deze procedure benodigde rechtsbijstand.

    Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar heeft de raad een nieuw dwangsombesluit ten aanzien van de gemachtigde van [appellant] genomen en heeft de raad het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daarbij heeft de raad overwogen dat, hoewel het dwangsombesluit wellicht ten onrechte aan [appellant] is gericht, er voor hem geen sprake is van enig rechtsgevolg.

2.    [appellant] voert aan dat door af te zien van een hoorzitting tijdens de bezwaarprocedure en bovendien in het besluit op bezwaar niet uitdrukkelijk tot uiting te brengen dat de tenaamstelling van het primaire besluit onjuist was, bij hem het idee bleef bestaan dat nog steeds niet duidelijk was of hij materieel gezien terecht niet in aanmerking was gebracht van een dwangsom. Pas in het kader van het beroep heeft de raad onvoorwaardelijk aangegeven dat het primaire besluit ten onrechte op zijn naam stond, aldus [appellant].

2.1.    Als uitgangspunt heeft te gelden dat sprake is van procesbelang als het doel dat degene die beroep heeft ingesteld voor ogen staat ook daadwerkelijk met dit rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:636).

    De raad heeft in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift opgemerkt dat [appellant] een besluit heeft ontvangen dat niet voor hem was bestemd. De onjuiste adressering had voor [appellant] geen rechtsgevolg. Dit betekent dat [appellant] geen rechtens te beschermen belang had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het besluit op bezwaar. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018

97.