Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201701104/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:131, heeft de Afdeling de gemeenteraad van Middelburg opgedragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 19 december 2016 te herstellen. Bij besluit van 16 april 2018 heeft de gemeenteraad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Mortiere, herziening Paukenweg 3" gewijzigd vastgesteld. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de gemeenteraad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de uitbreiding van het bestaande aantal parkeerplaatsen noodzakelijk is. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt dat het bestaande aantal parkeerplaatsen dat deels ook naar het nieuwe parkeerterrein aan de overzijde van de Paukenweg wordt verplaatst, niet overbemeten is. Het onderzoek naar verkeer en uitbreiding van 15 april 2016 geeft alleen inzicht in het benodigde aantal parkeerplaatsen ten behoeve van de aanwezige hotelkamers inclusief de uitbreiding met 40 kamers. Daaruit is gebleken dat er 119 parkeerplaatsen nodig zijn terwijl er in totaal 286 plaatsen komen inclusief 27 extra parkeerplaatsen ten opzichte van de bestaande situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701104/2/R2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Middelburg,

en

de raad van de gemeente Middelburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:131, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 19 december 2016 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 16 april 2018 heeft de raad ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak het bestemmingsplan "Mortiere, herziening Paukenweg 3" gewijzigd vastgesteld.

[appellant] heeft zienswijzen naar voren gebracht over het besluit van 16 april 2018.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de uitbreiding van het bestaande aantal parkeerplaatsen noodzakelijk is omdat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het bestaande aantal parkeerplaatsen dat deels ook naar het nieuwe parkeerterrein aan de overzijde van de Paukenweg wordt verplaatst, niet overbemeten is. Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen. Het onderzoek naar verkeer en uitbreiding van 15 april 2016 (bijlage 4 bij de plantoelichting) geeft alleen inzicht in het benodigde aantal parkeerplaatsen ten behoeve van de aanwezige hotelkamers inclusief de uitbreiding met 40 kamers. Daaruit is gebleken dat er 119 parkeerplaatsen nodig zijn terwijl er in totaal 286 plaatsen komen inclusief 27 extra parkeerplaatsen ten opzicht van de bestaande situatie. De raad heeft evenwel aan de hand van het onderzoek niet inzichtelijk gemaakt dat voor de overige activiteiten zoals het restaurant, de zalen en de aanwezigheid van personeel de overige parkeerplaatsen nodig zijn.

1.1. Gelet op hetgeen in overweging 9 van de tussenuitspraak is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 19 december 2016 voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Horeca" en de aanduiding "parkeerterrein" aan de overzijde van de Paukenweg niet is voorbereid met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid en is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2. Het beroep tegen het besluit van 19 december 2016 is gegrond. Het besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

2.1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om inzichtelijk te maken dat het bestaande aantal parkeerplaatsen dat deels ook naar het nieuwe terrein wordt verplaatst niet overbemeten is en de uitbreiding van het bestaande aantal parkeerplaatsen noodzakelijk is.

2.2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een aanvullend parkeeronderzoek laten uitvoeren door Juust van 13 maart 2018 dat als bijlage 5 aan de plantoelichting is toegevoegd. Gelet op de uitkomsten van het parkeeronderzoek is aan hoofdstuk 4 van de plantoelichting de volgende passage toegevoegd. "Voor het hotel wordt na uitbreiding voorzien in 286 parkeerplaatsen. Voor het berekenen van de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen voor een hotel met 161 kamers, inclusief de uitbreiding met 40 kamers, wordt gebruikt gemaakt van de rekenmodellen en kencijfers van het CROW. Bij de berekening is uitgegaan van een hotel, zalen en restaurant als drie zelfstandige functies met ieder hun eigen verkeersaantrekkende werking en daarmee eigen CROW kencijfer. Deze drie kencijfers dienen cumulatief te worden gebruikt. Uit het onderzoek blijkt dat met hantering van de CROW normen de parkeerbehoefte uitkomt op een gemiddeld aantal van 275 parkeerplaatsen. Het hotel heeft 286 parkeerplaatsen geprojecteerd."

Tevens zijn aan de planregels de artikelen 3, lid 3.3 onder c, en artikel 5, lid 5.3 toegevoegd. Daarin is onder meer opgenomen dat maximaal 286 parkeerplaatsen zijn toegestaan.

De raad stelt zich op het standpunt dat de uitkomsten van het onderzoek van Juust afgezet tegen het feitelijk aantal parkeerplaatsen laat zien dan van een overbemeten aantal parkeerplaatsen zoals [appellant] stelde geen sprake is.

2.3. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

3. [ appellant] betoogt in zijn zienswijze dat de raad wederom niet inzichtelijk heeft gemaakt dat in een fors aantal meer parkeerplaatsen wordt voorzien dan de planologische ontwikkeling noodzakelijk maakt. Hij voert aan dat bijlage 4 bij de plantoelichting uitkomt op een maximale behoefte van 119 parkeerplaatsen terwijl Juust tot een maximaal aantal van 327 komt. Voorts voert [appellant] aan dat het restaurant noch het zalencomplex onderdeel uitmaken van de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding met 40 hotelkamers. De uitbreiding met 40 hotelkamers brengt ook volgens Juust een totale parkeerbehoefte van slechts 26 tot 30 kamers met zich mee.

3.1. Het plan maakt onder meer een uitbreiding van 40 hotelkamers mogelijk tot in totaal 161 kamers en een fitness-, welness- en verblijfsruimte die worden ondergebracht in een bijgebouw dat deels op het bestaande parkeerterrein is gesitueerd. Ter vervanging van dit bestaande terrein en voor het realiseren van nieuwe parkeerplaatsen ten behoeve van de uitbreiding met 40 hotelkamers worden 155 parkeerplaatsen ondergebracht op een nieuw met het plan mogelijk gemaakt parkeerterrein aan de overkant van de Paukenweg. Uit de stukken blijkt dat er op het oorspronkelijke parkeerterrein 131 parkeerplaatsen gehandhaafd blijven en 128 parkeerplaatsen vervallen. Dat betekent dat in de oude situatie in totaal 259 parkeerplaatsen aanwezig waren en thans sprake is van een toename van in totaal 27 plaatsen. In het besluit van 19 december 2016 was aan de hand van het onderzoek van 15 april 2016 (bijlage 4 bij de plantoelichting) alleen inzichtelijk gemaakt dat er 119 parkeerplaatsen nodig waren voor de 161 kamers.

3.2. In het aanvullende parkeeronderzoek van Juust is thans becijferd dat er voor de 116 hotelkamers 102-110 (minimaal en maximaal aantal) parkeerplaatsen nodig zijn, voor het restaurant 40-47 plaatsen en voor de zalen 81-162 plaatsen. Daarmee zijn 223-327 plaatsen nodig. Het gemiddeld aantal is becijferd op 275 plaatsen.

3.3. Juust heeft de totale parkeerbehoefte becijferd inclusief de behoefte die samenhangt met de exploitatie van het restaurant en de zalen. Daarom komt het tot andere uitkomsten dan het onderzoek in bijlage 4 van de plantoelichting. Nu het aan de overkant van de Paukenweg te realiseren parkeerterrein deels een verplaatsing betreft van het bestaande terrein heeft de raad in redelijkheid ook de bestaande functies in aanmerking kunnen nemen en niet alleen de behoefte die samenhangt met de uitbreiding van 40 kamers. Uit de cijfers van Juust, die niet gemotiveerd zijn bestreden, is gebleken dat het gemiddeld aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor de verschillende functies 275 bedraagt en het maximaal benodigd aantal 327 parkeerplaatsen bedraagt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de uitkomsten van dit parkeeronderzoek in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met een aantal van 259 geen sprake is van een overbemeten aantal parkeerplaatsen zoals [appellant] stelt. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen komen tot een uitbreiding van het bestaande aantal met 27 parkeerplaatsen, zodat in totaal wordt uitgekomen op een aantal van 286.

3.4. Het betoog faalt.

3.5. Het beroep tegen het besluit van 16 april 2018 is ongegrond.

3.6. Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van Middelburg van 19 december 2016 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van Middelburg van 19 december 2016 voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Horeca" en de aanduiding "parkeerterrein" aan de overzijde van de Paukenweg;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van Middelburg van 16 april 2018 waarbij het bestemmingsplan “Mortiere, herziening Paukenweg 3” gewijzigd is vastgesteld ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van Middelburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50 (zegge: twaalfhonderdtweeenvijftig euro en 50 eurocent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van Middelburg aan [appellant] vergoedt het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: (zegge: honderdachtenzestig euro).

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Pans w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018

224.