Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2550

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201709184/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2016 heeft de raad voor rechtsbijstand een aan [appellante] verleende toevoeging ingetrokken en het aan de rechtsbijstandverlener van [appellante] betaalde bedrag, verminderd met de door [appellante] betaalde eigen bijdrage, van [appellante] gevorderd. Bij besluit van 6 maart 2013 heeft de raad aan [appellante] een toevoeging toegekend, waarbij haar een eigen bijdrage is opgelegd van € 129,00. Hierbij is de raad er onder meer van uitgegaan dat partner van [appellante] geen vermogen had. Op dat moment waren het verzamelinkomen en vermogen van [appellante] en haar partner nog niet definitief vastgesteld. Vervolgens heeft de raad een hercontrole uitgevoerd. Uit die hercontrole is gebleken dat het definitief vastgestelde vermogen van haar partner in 2011 € 143.388,00 bedroeg en daarom boven de wettelijke grens ligt. Op grond hiervan heeft de raad de aan [appellante] verleende toevoeging ingetrokken en het bedrag van € 411,51 dat de raad aan de rechtsbijstandverlener van [appellante] heeft uitbetaald van haar gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709184/1/A2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2017 in zaak nr. 17/2988 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2016 heeft de raad een aan [appellante] verleende toevoeging ingetrokken en het aan de rechtsbijstandverlener van [appellante] betaalde bedrag, verminderd met de door [appellante] betaalde eigen bijdrage, van [appellante] gevorderd.

Bij besluit van 4 april 2017 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 6 maart 2013 heeft de raad aan [appellante] een toevoeging toegekend, waarbij haar een eigen bijdrage is opgelegd van € 129,00. Hierbij is de raad er onder meer van uitgegaan dat partner van [appellante] geen vermogen had. Op dat moment waren het verzamelinkomen en vermogen van [appellante] en haar partner nog niet definitief vastgesteld. Vervolgens heeft de raad een hercontrole uitgevoerd. Uit die hercontrole is gebleken dat het definitief vastgestelde vermogen van haar partner in 2011 € 143.388,00 bedroeg en daarom boven de wettelijke grens ligt. Op grond hiervan heeft de raad bij het besluit van 13 juni 2016 de aan [appellante] verleende toevoeging ingetrokken en het bedrag van € 411,51 dat de raad aan de rechtsbijstandverlener van [appellante] heeft uitbetaald van haar gevorderd.

    Dit besluit heeft in bezwaar en beroep stand gehouden. [appellante] kan zich daarmee niet verenigen en is daarom in hoger beroep gekomen.

Het hogerberoepschrift

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de raad bij de bepaling van het verzamelinkomen en vermogen uitgaat van de gegevens van de Belastingdienst, dat de Belastingdienst ten tijde van verlening van de toevoeging bekend was met het vermogen van haar partner en dat het voor rekening van de raad komt dat hij destijds enkel heeft gevraagd naar de inkomensgegevens en niet naar de vermogensgegevens. Nu de raad [appellante] nooit naar deze gegevens heeft gevraagd, kan het haar niet worden verweten dat zij deze niet zelf heeft verstrekt en mocht zij vertrouwen op de juistheid van het besluit van 6 maart 2013. Daarbij is tevens van belang dat in laatstgenoemd besluit staat dat de hoogte van de eigen bijdrage afhankelijk is van de hoogte van het (gezamenlijke) inkomen en dat uit dit besluit en de website en voorlichting van de raad niet blijkt dat ook het vermogen van de partner van belang kan zijn. Zij betoogt ten slotte dat zij door de handelwijze van de raad schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

Beoordeling van het hogerberoepschrift

2.1.    Artikel 34a, eerste tot en met derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) luidt als volgt:

"1. Het inkomen van de rechtzoekende is het inkomensgegeven in het peiljaar. Voor zover van de rechtzoekende geen inkomensgegeven beschikbaar is, wordt onder inkomen verstaan het bedrag dat in het peiljaar het inkomen zo goed mogelijk benadert, dan wel het door het bestuur op grond van door de rechtzoekende overgelegde gegevens vastgestelde bedrag aan inkomen. Indien een inkomensgegeven over het peiljaar beschikbaar is dat afwijkt van het eerder toegepaste inkomensgegeven of het bedrag, bedoeld in de tweede volzin, en dat gevolg heeft voor het al dan niet verlenen van een toevoeging of de hoogte van de door de rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage, neemt het bestuur ambtshalve een besluit dat in de plaats komt van het eerder genomen besluit. Artikel 34d, eerste lid, derde volzin, is van toepassing.

2. Indien op grond van het ambtshalve besluit van het bestuur, bedoeld in het eerste lid, de rechtzoekende een hogere eigen bijdrage verschuldigd is, is hij hetgeen meer moet worden betaald verschuldigd aan het bestuur. Is de rechtzoekende een lagere eigen bijdrage of geen eigen bijdrage verschuldigd, dan kan hij het teveel betaalde vorderen van het bestuur. Over de te betalen of te vorderen bedragen worden geen renten en kosten vergoed. Artikel 34f is van overeenkomstige toepassing.

3. Het vermogen is het vermogen in het peiljaar. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing."

2.2.    De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de verlening van de toevoeging bij het besluit van 6 maart 2013 was gebaseerd op niet definitieve gegevens. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat het door de Belastingdienst definitief vastgestelde vermogen van de partner van [appellante] in het peiljaar te hoog was om voor een toevoeging in aanmerking te komen. Het besluit van de raad om de toevoeging op grond artikel 34a van de Wrb ambtshalve in te trekken, is derhalve in overeenstemming met die bepaling.

2.3.    De raad stelt zich terecht op het standpunt dat [appellante] aan het besluit van 6 maart 2013 niet een in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat de raad geen hercontrole zou uitoefenen en daarom niet op basis van zo'n controle zou kunnen besluiten dat zij achteraf bezien geen recht had op een toevoeging voor rechtsbijstand vanwege het vermogen van haar partner. De tekst van het besluit van 6 maart 2013 geeft geen grond voor een zodanig vertrouwen. Weliswaar staat in dit besluit dat de hoogte van de eigen bijdrage afhankelijk is van de hoogte van het gezamenlijke inkomen, maar hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat het vermogen van [appellante] en haar partner niet van belang is voor de aanspraak op een toevoeging. In het besluit van 6 maart 2013 staan immers ook de vermogensgegevens van [appellante] en haar partner vermeld. Bij de gegevens van de partner staat bovendien de aanduiding 'aangegeven', hetgeen volgens de toelichting bij het besluit betekent dat de gegevens over het inkomen en vermogen zijn gebaseerd op de aangifte bij de belastingdienst en nog niet zijn vastgesteld. Ook wijst de raad er terecht op dat in dit besluit staat vermeld dat [appellante] op de "vermelde status betreffende het inkomen en vermogen" moet letten.      

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling van de raad tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek daartoe reeds daarom worden afgewezen.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018

480.