Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2537

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
201708487/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:8775, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708487/1/V2.

Datum uitspraak: 27 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.    de minister van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid),

2.    [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 oktober 2017 in zaak nr. NL16.3689 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 17 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een zienswijze gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling is afkomstig uit Nigeria en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden door zijn bekering tot het christendom en zijn seksuele gerichtheid. De staatssecretaris heeft dit asielrelaas ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is hem hierin gevolgd wat betreft de gestelde bekering, maar heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

2.    Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd over zijn gestelde bekering en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar citaten uit het verslag van het nader gehoor, overwogen dat de vreemdeling, anders dan de staatssecretaris tegenwerpt, wél inzicht heeft gegeven in het proces van acceptatie van zijn gestelde seksuele gerichtheid. De rechtbank leidt uit de verklaringen ook af dat de vreemdeling naast geluk nog druk van zijn omgeving voelde, en volgt de vreemdeling in zijn standpunt dat dit twee parallelle trajecten zijn. Daarnaast heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, overwogen dat de staatssecretaris weliswaar terecht aan de vreemdeling heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het hebben van een relatie met een vrouw, maar dat deze tegenwerping op zichzelf en in samenhang bezien niet voldoende is om het standpunt over de ongeloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid te dragen. Dit gaat volgens de rechtbank ook op voor de tegenwerping dat de vreemdeling geen oprechte asielaanvraag heeft gedaan, omdat hij bij aankomst in Nederland heeft aangegeven dat hij hier voor toeristische doelen is gekomen en pas asiel heeft aangevraagd nadat hem de doorgang is geweigerd.

Grief

4.    De staatssecretaris klaagt in zijn grief dat de rechtbank het vorenstaande ten onrechte heeft overwogen. Hij betoogt hiertoe dat hij de rechtbank volgt in haar oordeel dat druk vanuit de omgeving iets anders is dan zelfacceptatie, maar dat zijn standpunt nu juist ook betrekking heeft op die zelfacceptatie. Volgens hem heeft de vreemdeling met zijn verklaringen geen inzicht gegeven in zijn acceptatie van zijn gestelde seksuele gerichtheid, in het bijzonder in de door hem geschetste overgang van het diep ongelukkig voelen naar uiterst gelukkig voelen. Daarnaast betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte zijn overige tegenwerpingen niet heeft betrokken, dan wel niet kenbaar heeft beoordeeld, en dus ook niet duidelijk is welke tegenwerpingen volgens de rechtbank het standpunt over de geloofwaardigheid niet kunnen dragen.

Beoordeling grief

4.1.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij van het ene uiterste, waarbij hij in de war was door en bezorgd was over zijn gevoelens voor personen van hetzelfde geslacht en zich afvroeg waarom hij zo was, en waarbij hij zijn situatie, onder meer het gevoel er alleen voor te staan, verschrikkelijk vond en niet inzag waarom hij was geboren, en dus echt, zoals hij zelf heeft verklaard, vocht tegen of worstelde met zijn gestelde seksuele gerichtheid, naar het andere uiterste is gegaan, waarin hij zich enkel nog gelukkig voelde over zijn gestelde seksuele gerichtheid. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op dit standpunt gesteld. Inzicht in de overgang van de sterke negatieve gevoelens en daarbij gepaard gaande gedachten en gevoelens naar louter positieve gevoelens heeft de vreemdeling immers niet gegeven met zijn enkele verklaring dat hij rond zijn zeventiende tot het besef kwam dat hij alleen gelukkig was in de nabijheid van een man en zich afvroeg waarom hij zich moet verzetten tegen iets wat hem gelukkig maakt. Dat de vreemdeling in de gestelde periode van zelfacceptatie, en daarna, nog wel druk vanuit de omgeving voelde laat dit standpunt onverlet.

4.2.    Eveneens voert de staatssecretaris terecht aan dat de rechtbank, door enkel een oordeel te geven over twee tegenwerpingen en de overige tegenwerpingen onbesproken te laten, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

4.3.    De grief slaagt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 1 december 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep

6.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Hij komt hierbij, voor zover van belang gelet op het vorenstaande en de overige overwegingen van de rechtbank, op tegen de tegenwerpingen van de staatssecretaris over het niet noemen van zijn laatste adres en het zonder enige voorzichtigheid zoenen van [persoon A] voor een publiek en het hebben van seksueel contact met [persoon B] met raam en gordijnen open. Ook heeft de vreemdeling een e-mail van een medewerker van het COC overgelegd en verzocht de inhoud ervan te betrekken.

6.1.    Het betoog faalt reeds nu de staatssecretaris met de hiervoor besproken tegenwerpingen over de verklaringen van de vreemdeling over zijn eigen ervaringen, zijn in beroep inhoudelijk onbestreden tegenwerpingen over de vage, tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen van de vreemdeling over zijn drie gestelde homoseksuele relaties én het in hoger beroep onbestreden oordeel van de rechtbank over het al dan niet hebben van een relatie met een vrouw, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door de vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. De e-mail van het COC, waaruit blijkt dat de vreemdeling bekend is bij het COC, maakt dit niet anders. Dergelijke informatie kan weliswaar dienen als ondersteuning van een gestelde seksuele gerichtheid, maar laat de verantwoordelijkheid van een vreemdeling onverlet om (ook) tegenover de staatssecretaris aan de hand van zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk te maken (vergelijk de uitspraken van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1256 en 6 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2715).

7.    Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 oktober 2017 in zaak nr. NL16.3689;

IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2018

802.