Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
201708135/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5540, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2017 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] in Roosendaal (hierna: de woning) met ingang van 14 maart 2017 voor de duur van negen maanden te sluiten. Naar aanleiding van een bedreiging met een vuurwapen heeft de politie op 2 december 2016 de woning doorzocht. Daarbij zijn 7.647 g hennep, 990,9 g cocaïne en twee handvuurwapens aangetroffen. De hoeveelheden drugs overschrijden respectievelijk 1.529 en 1.982 keer de gedoogde gebruikershoeveelheid. De burgemeester heeft in deze omstandigheden aanleiding gezien de woning voor negen maanden te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708135/1/A3.

Datum uitspraak: 25 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Roosendaal,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 augustus 2017 in zaak nrs. 17/5607 en 17/3438 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Roosendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2017 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] in Roosendaal (hierna: de woning) met ingang van 14 maart 2017 voor de duur van negen maanden te sluiten.

Bij besluit van 12 april 2017 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat te Roosendaal, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. Y. Bons, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Naar aanleiding van een bedreiging met een vuurwapen heeft de politie op 2 december 2016 de woning doorzocht. Daarbij zijn 7.647 g hennep, 990,9 g cocaïne en twee handvuurwapens aangetroffen. De hoeveelheden drugs overschrijden respectievelijk 1.529 en 1.982 keer de gedoogde gebruikershoeveelheid. De burgemeester heeft in deze omstandigheden aanleiding gezien de woning voor negen maanden te sluiten.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft allereerst overwogen dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. De rechtbank ziet, anders dan tot nu toe in vaste rechtspraak wordt geoordeeld, geen grond om er bij een aangetroffen hoeveelheid van meer dan 0,5 g harddrugs zonder meer van uit te gaan dat die bestemd zijn voor verkoop, verstrekking of aflevering, behoudens tegenbewijs. In dit geval zijn de hoeveelheden aangetroffen drugs echter dusdanig groot dat is uitgesloten dat de drugs voor eigen gebruik waren bestemd. Door [appellante] is ook niet aannemelijk gemaakt dat de drugs niet waren bedoeld om vanuit de woning te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig waren. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het gelijkheidsbeginsel vereist niet dat de burgemeester op gelijke wijze handelt als burgemeesters in andere gemeenten. De burgemeester heeft beleid vastgesteld ter uitvoering van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid, het "Beleid toepassing artikel 13b Opiumwet" (hierna: de Beleidsregel). Deze Beleidsregel is niet onredelijk. De burgemeester mocht zich op het standpunt stellen dat een sluitingstermijn van negen maanden in dit geval aangewezen is, vanwege de grote hoeveelheden aangetroffen drugs en de aangetroffen vuurwapens. De burgemeester heeft dit standpunt deugdelijk gemotiveerd. Ten aanzien van het beroep van [appellante] op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is volgens de rechtbank van belang dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een sluitingsbevel in beginsel geen punitieve sanctie is en niet is gebaseerd op een 'criminal charge'. Deze sluiting gaat niet verder dan een herstelsanctie en heeft dus geen leedtoevoegend karakter. Er is geen sprake van schending van artikel 6 van het EVRM, aldus de rechtbank.

Procesbelang

3.    De burgemeester heeft ter zitting gesteld dat [appellante] geen procesbelang heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1520)), kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.

    Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat haar woning te koop stond en dat zij de woning pas heeft kunnen leveren nadat de negen maanden durende sluiting geëffectueerd was. Naar het oordeel van de Afdeling is dit schade die tot op zekere hoogte aannemelijk is. Hierdoor heeft [appellante] belang bij de beoordeling van haar hoger beroep.

Beoordeling hogerberoepsgronden

Bevoegdheid tot handhavend optreden

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, gelet op de aard en strekking van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet, een aantoonbare relatie moet bestaan tussen de verkoop, het verstrekken dan wel het afleveren van de drugs en overlast in de buurt dan wel het veroorzaken van een onveilige situatie in de buurt. Het aantreffen van een grote hoeveelheid drugs toont deze relatie niet automatisch aan. Het ligt op de weg van de burgemeester om aannemelijk te maken dat de handel in drugs tot overlast of onveilige situaties heeft geleid. Dit heeft hij niet gedaan. [appellante] heeft van haar kant wel aannemelijk gemaakt dat de rust en veiligheid niet in het geding zijn geweest en geen sprake was van overlast, door het overleggen van twee verklaringen van de buren. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was tot het sluiten van de woning, aldus [appellante].

4.1.    Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt: "De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is."

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362), is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan evenwel worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs of 5,0 g softdrugs (de door het openbaar ministerie gehanteerde criteria voor eigen gebruik) de aangetroffen softdrugs en/of harddrugs in beginsel (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. Het veroorzaken van overlast of een onveilige situatie in de buurt is geen voorwaarde voor het ontstaan van de bevoegdheid van de burgemeester. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) geoordeeld dat geen aanleiding bestaat van deze jurisprudentielijn af te wijken. Dit toetsingskader zal dan ook als uitgangspunt dienen.

    Vanwege de hoeveelheden aangetroffen drugs in de woning, die zeer ruim de gebruikershoeveelheden overschrijden, heeft de burgemeester mogen aannemen dat de drugs voor de handel waren bestemd. [appellante] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was tot het sluiten van de woning.

    Het betoog faalt.

Gebruikmaking van de bevoegdheid

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beleid niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom acht in beginsel een termijn van drie maanden voldoende om de rust en de orde en veiligheid te herstellen. Niet is onderbouwd waarom de burgemeester van Roosendaal in zijn beleid van een termijn van zes maanden uitgaat, terwijl de problematiek identiek is aan de problematiek van de gemeente Bergen op Zoom.

    Verder stelt [appellante] dat in de Beleidsregel geen concrete feiten en omstandigheden staan waaruit kan worden afgeleid onder welke omstandigheden de termijn wordt verlengd. Zonder nadere uitleg is volstrekt onbegrijpelijk waarom een grote hoeveelheid drugs en twee wapens omstandigheden zijn die een langere sluiting rechtvaardigen. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

    Ten slotte betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet afwijkt van het beleid. Zij voert aan dat zij de woning na de vondst heeft verhuurd aan huurders die niet bekend zijn met haar of haar man, er nooit overlast is geweest, zij niet wist dat er drugs en wapens in de woning aanwezig waren en zij zich nooit heeft ingelaten met het plegen van strafbare feiten. De burgemeester had hierin aanleiding moeten zien de woning niet dan wel voor een kortere periode te sluiten, aldus [appellante].

5.1.    In de Beleidsregel staat dat na een eerste constatering van een hoeveelheid harddrugs in de woning een sluiting van twaalf maanden volgt. Vaste praktijk van de burgemeester is echter dat hiervan wordt afgeweken en een sluiting van zes maanden wordt opgelegd die bij verzwarende omstandigheden kan worden verlengd. De rechtbank heeft terecht overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:729), dat de omstandigheid dat de burgemeester van Bergen op Zoom een kortere termijn hanteert niet maakt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De burgemeester heeft beleidsruimte bij het bepalen van de maatregelen die in de gemeente nodig zijn ter handhaving van het in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde verbod. Hij hoeft niet te verantwoorden waarom zijn beleid afwijkt van het beleid van andere burgemeesters. Voor zover [appellante] heeft bedoeld te stellen dat niet is onderbouwd waarom in Roosendaal een sluiting van zes maanden nodig wordt gevonden terwijl de burgemeester van Bergen op Zoom een sluiting van drie maanden genoeg acht, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat een sluiting van in beginsel zes maanden bij handel in harddrugs vanuit een woning niet onredelijk is (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1362)). Dat de burgemeester van Bergen op Zoom uitgaat van een sluiting van drie maanden bij handel in harddrugs, maakt dit niet anders. De keuze voor drie maanden in Bergen op Zoom maakt de keuze voor zes maanden in Roosendaal op zichzelf niet onredelijk.

    De Beleidsregel vermeldt een aantal indicatoren waarmee de burgemeester rekening houdt bij de beslissing welke sluitingstermijn in een concreet geval passend is. Hierbij worden onder meer genoemd: "meer dan een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid van softdrugs, harddrugs of hennepplanten; andere strafbare feiten zoals […] verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie […]."

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester op grond van de aanwezigheid van de grote hoeveelheden aangetroffen drugs, waaronder harddrugs, en de twee wapens, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de situatie in dit geval dermate ernstig was dat een sluiting van negen maanden passend was. De burgemeester heeft blijkens zijn besluit van 12 april 2017 bij de vaststelling van deze termijn de omstandigheden die [appellante] aanvoert betrokken en deugdelijk gemotiveerd waarom hij in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om een sluiting korter dan negen maanden op te leggen. De door [appellante] in hoger beroep overgelegde verklaringen van twee buren tonen niet aan dat de gehele buurt geen overlast heeft ervaren en maken niet aannemelijk dat het doel om verstoring van de openbare orde te beëindigen reeds was bereikt.  De burgemeester heeft ervan mogen uitgaan dat een zichtbare sluiting nog steeds noodzakelijk was om de loop naar het perceel te doorbreken en de openbare orde te herstellen. Voorts heeft hij een zichtbare sluiting in dit geval noodzakelijk mogen achten om een duidelijk signaal te geven dat hij handhavend optreedt indien drugs, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, aanwezig zijn.

    Het betoog faalt.

Artikel 6 EVRM

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen strijd met artikel 6 van het EVRM heeft aangenomen. Door de woning te sluiten, althans langer dan redelijkerwijs noodzakelijk was, had de sanctie een leedtoevoegend karakter.

6.1.    Zoals hiervoor overwogen, heeft de burgemeester in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid. De woning was niet langer dan redelijkerwijs noodzakelijk gesloten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de sluiting een herstelsanctie is en dat deze niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Beek-Gillessen    w.g. Klein

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2018

176-851.