Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
201706122/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2017 heeft het college de vierde wijziging van het Aanwijzingsbesluit ondergrondse containers voor huishoudelijk restafval vastgesteld. Hierbij is onder meer locatie OG0250, ter hoogte van de hoek van de Herculesstraat en de Turnstraat, aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer. [appellant] woont aan de [locatie], vlakbij locatie OG0250. Hij kan zich niet verenigen met de aanwijzing van die locatie. Volgens [appellant] is locatie OG0250 niet geschikt als locatie voor een orac en zijn er meerdere alternatieve locaties die wel geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/601
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706122/1/A1.

Datum uitspraak: 25 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2017 heeft het college de vierde wijziging van het Aanwijzingsbesluit ondergrondse containers voor huishoudelijk restafval vastgesteld. Hierbij is onder meer locatie OG0250, ter hoogte van de hoek van de Herculesstraat en de Turnstraat, aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: orac).

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M. Schipper, advocaat te Breda, en door I.M.J. Wilms en A.J.H.J. Thijssen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij het bestreden besluit heeft het college locaties aangewezen waar orac’s worden geplaatst. Onder meer locatie OG0250, ter hoogte van de hoek van de Herculesstraat en de Turnstraat, is aangewezen als locatie voor het plaatsen van een orac. [appellant] woont aan de [locatie], vlakbij locatie OG0250. Hij kan zich niet verenigen met de aanwijzing van die locatie. Volgens [appellant] is locatie OG0250 niet geschikt als locatie voor een orac en zijn er meerdere alternatieve locaties die wel geschikt zijn.

Beoordelingskader

2.    Bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van een orac komt het college beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling, aan de hand van de beroepsgronden, beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor locatie OG0250 heeft kunnen komen. Daarbij wordt allereerst beoordeeld of het college locatie OG0250 geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een orac. Als dat zo is, wordt vervolgens beoordeeld of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van locatie OG0250 vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan locatie OG0250, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor locatie OG0250, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

3.    Bij het bepalen van locaties voor orac’s hanteert het college een aantal randvoorwaarden, neergelegd in het stuk "Procedure invoering ondergrondse inzameling restafval gemeente Breda", en een checklist waarin de toepassing van de randvoorwaarden nader is uitgewerkt. [appellant] heeft het hanteren van de randvoorwaarden niet bestreden, zodat daarvan bij de beoordeling wordt uitgegaan.

    De randvoorwaarden houden, voor zover hier van belang, in:

A. Loopafstand

De containers moeten zodanig gesitueerd worden dat de loopafstand - de daadwerkelijk te lopen route dus niet hemelsbreed gemeten - tussen de grens van een op de containerlocatie aan te sluiten perceel en de ondergrondse container telkens maximaal de hiertoe in de Afvalstoffenverordening opgenomen afstand bedraagt.

C. Verkeersveiligheid

De container moet zowel voor de inzameldienst als voor de gebruiker op een veilige wijze te bereiken zijn. Vanuit de kant van de inzameldienst houdt dit minimaal in dat de container geleegd moet kunnen worden zonder dat hierdoor een gevaarlijke verkeerssituatie ontstaat. Vanuit de kant van de gebruiker betekent dit dat zij hun afval kwijt moeten kunnen, zonder hiervoor verkeersonveilige handelingen te moeten verrichten. Het moeten oversteken van een druk bereden rijweg, zonder dat er een veilige oversteekplaats - bijvoorbeeld een voetgangersoversteekplaats, al dan niet met verkeerslicht - in de directe nabijheid is, is een voorbeeld van een verkeersonveilige handeling. De container mag nooit zo worden geplaatst dat het verkeer hier hinder van ondervindt.

D. Ondergrondse infrastructuur

Bij het bepalen van locaties wordt de ondergrond onderzocht op de aanwezigheid van obstakels. Belangrijkste voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van kabels en leidingen. Tot de omlegging van kabels en leidingen gaat de gemeente alleen over indien dit tegen relatief geringe kosten mogelijk is. Hoofd(transport)leidingen, hoofdriool en glasvezelkabels vallen hier niet onder. Voor overige kabels en leidingen die tot een lokaal netwerk behoren, huisaansluitingen en straatkolken, weegt de gemeente de overlast en kosten voor verleggen af tegen het belang van de locatie.

F. Bomen en groenvoorzieningen

Gelet op het belang van het aanwezige groen in wijken, zullen bomen nooit wijken voor een ondergrondse container. Ook groenvoorzieningen zullen zoveel mogelijk onaangetast blijven. Echter waar plaatsingsruimte in de verharding onvoldoende is of ontbreekt, zal aanliggend groen benut worden.

Locatie OG0250

4.    [appellant] betoogt dat locatie OG0250 ongeschikt is voor het plaatsen van een orac, omdat dit tot verlies van een laurierstruik en een boom zal leiden. Volgens [appellant] ligt locatie OG0250 bovendien niet centraal in de wijk, is een orac op deze locatie esthetisch onwenselijk en zal de orac veel auto’s en verkeerd aangeboden afval aantrekken en tot geuroverlast leiden.

4.1.    Het college heeft uiteengezet dat locatie OG0250 voldoet aan de randvoorwaarden, ook aan randvoorwaarde F, en daarom geschikt is als locatie voor plaatsing van een orac. Het betoog van [appellant] geeft geen reden om hieraan te twijfelen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij ter zitting heeft gesteld, maar door het college is betwist, plaatsing van een orac op locatie OG0250 ertoe leidt dat een nabijgelegen boom verloren gaat. Dat een ter plaatse aanwezige laurierstruik deels moet worden verwijderd voor het plaatsen van de orac, maakt de aanwijzing van locatie OG0250 niet in strijd met randvoorwaarde F. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de orac niet volledig op het trottoir past, zodat in zoverre enige benutting van aanwezig groen nodig is. Overigens heeft het college ter zitting opgemerkt bereid te zijn om de orac na plaatsing daarvan met nieuwe laurierbegroeiing af te schermen.

    Ook hetgeen [appellant] voor het overige aanvoert, kan niet leiden tot het oordeel dat het college locatie OG0250 niet geschikt heeft kunnen achten als locatie voor een orac. De stelling dat een orac op deze locatie esthetisch onwenselijk is en de stelling dat de orac veel auto’s aantrekt, zijn voor dat oordeel niet voldoende. Dit geldt ook voor de stelling dat locatie OG0250 niet centraal gelegen is. Het college heeft in zoverre toegelicht dat, anders dan [appellant] veronderstelt, de opmerking in het verweerschrift dat huishoudelijk restafval op centrale punten in de wijk wordt ingezameld, niet zo moet worden begrepen dat elke orac centraal in de wijk komt te liggen. Het verkeerd aanbieden van afval, en de eventueel daarmee gepaard gaande geuroverlast, betreft verder een kwestie van handhaving. Dat bij normaal gebruik van de orac op de locatie OG0250 sprake zal zijn van onaanvaardbare geuroverlast is niet aannemelijk.

    Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

5.    [appellant] betoogt dat het college had moeten kiezen voor de door hem in zijn zienswijze over het ontwerpbesluit voorgestelde alternatieve locatie, 20 m verderop langs de Herculesstraat. Die locatie is volgens hem geschikter, onder meer omdat een orac daar niet ten koste van bestaand groen gaat. In zijn nader stuk heeft [appellant] twee andere alternatieve locaties voorgesteld, een locatie bij de kruising van de Turnstraat en Piet Avontuurstraat en een locatie bij het Wilhelminapark. Deze locaties zijn volgens hem geschikter dan locatie OG0250, omdat zij centraler in de wijk zijn gelegen.

5.1.    Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, heeft het college locatie OG0250 geschikt kunnen achten voor het plaatsen van een orac. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem voorgestelde alternatieve locaties zodanig geschikter zijn dan locatie OG0250, dat het college niet in redelijkheid voor die locatie heeft kunnen kiezen. Daarbij overweegt de Afdeling met betrekking tot de door [appellant] genoemde alternatieve locaties als volgt.

    De alternatieve locatie in de Herculesstraat is volgens het college niet geschikt, omdat aanwijzing daarvan zou leiden tot een overschrijding van de in randvoorwaarde A genoemde maximale loopafstand van 300 m. Dit standpunt is door het college onderbouwd met tekeningen met loopafstanden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] aanvoert geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

    De alternatieve locatie bij de kruising van de Turnstraat en Piet Avontuurstraat is volgens het college niet geschikt vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid, vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen aldaar, en omdat een deel van het trottoir blijkens het kadaster niet in eigendom van de gemeente is. In hetgeen [appellant] aanvoert ziet de Afdeling geen reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

    De voorgestelde locatie bij het Wilhelminapark is volgens het college ten slotte niet geschikt, omdat aan de rand van het park kabels en leidingen liggen, zodat een orac hier in het park zelf zou komen te liggen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college dat niet in redelijkheid onwenselijk heeft kunnen achten.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2018

462.