Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
201704938/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de kern Bunschoten-Spakenburg. Omstreeks oktober 2016 is van gemeentewege een ORAC geplaatst op de hoek van de Bachlaan en de Dopperstraat te Bunschoten-Spakenburg, op het trottoir nabij de woning van [appellant] aan de [locatie] (hierna: de locatie). Omdat hiertoe geen aanwijzingsbesluit was genomen, heeft [appellant] het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden. Het college heeft dat verzoek afgewezen. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1586
JOM 2019/597
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704938/1/A1.

Datum uitspraak: 25 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Bunschoten-Spakenburg,

appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de kern Bunschoten-Spakenburg.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en C.J.A. Peters en P. Smit, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Omstreeks oktober 2016 is van gemeentewege een ORAC geplaatst op de hoek van de Bachlaan en de Dopperstraat te Bunschoten-Spakenburg, op het trottoir nabij de woning van [appellant] aan de [locatie] (hierna: de locatie). Omdat hiertoe geen aanwijzingsbesluit was genomen, heeft [appellant] het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden. Het college heeft dat verzoek afgewezen. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

    Hangende het bezwaar heeft het college op 24 januari 2017 een op ambtelijk niveau genomen besluit tot aanwijzing van de locatie (aangeduid als locatie 35) bekrachtigd. Bij besluit van 16 mei 2017 heeft het vervolgens een plaatsingsplan vastgesteld, waarin locaties voor de plaatsing van ORAC's in de wijk Bunschoten-Spakenburg zijn aangewezen. De eerder aangewezen locatie maakt hiervan deel uit (in het plaatsingsplan aangeduid als locatie 36042). [appellant] kan zich niet met de aanwijzing van deze locatie verenigen.

Mogelijkheid van beroep tegen vaststelling plaatsingsplan

2.    Het college stelt zich in reactie op het beroep van [appellant] op het standpunt dat een locatie voor de plaatsing van een ORAC kan worden bepaald zonder een daartoe strekkend besluit. Voor zover hiertoe wel een besluit wordt genomen, gaat het volgens hem om een besluit van algemene strekking, waartegen geen rechtsmiddelen open staan. Verder stelt het college zich op het standpunt dat het de locatie reeds heeft aangewezen bij eerder besluit van 24 januari 2017. Daartegen heeft [appellant] volgens het college geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Gelet hierop kan [appellant] volgens hem niet meer opkomen tegen de aanwijzing van de locatie door vaststelling van het plaatsingsplan bij besluit van 16 mei 2017. Volgens het college is het beroep dan ook niet-ontvankelijk.

2.1.    Het besluit waarbij het college het plaatsingsplan met concrete locaties voor de plaatsing van ORAC's heeft vastgesteld is geen algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), maar een concretiserend besluit van algemene strekking. Tegen een dergelijk besluit staan, anders dan het college meent, wel rechtsmiddelen open.

2.2.    Een besluit tot aanwijzing van een locatie voor de plaatsing van een ORAC is een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht. Bekendmaking van dat besluit dient op grond van artikel 3:42, tweede lid, van de Awb te geschieden door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op andere geschikte wijze.

    Het college heeft te kennen gegeven dat het besluit van 24 januari 2017 niet is gepubliceerd in de Staatscourant of in een lokaal blad. Volstaan is met verzending van dit besluit aan [appellant] bij brief van 25 januari 2017. Dit besluit is dan ook niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en daarom niet in werking getreden. Daardoor is ook geen termijn voor het maken van bezwaar tegen dat besluit aangevangen. Reeds gelet hierop kan het college niet worden gevolgd in zijn stelling dat [appellant] niet meer kan opkomen tegen de aanwijzing van de locatie bij het besluit van 16 mei 2017.

    Het beroep is ontvankelijk.

Beroepsgronden tegen aanwijzing van de locatie

3.     [appellant] betoogt dat het college bij de aanwijzing van locaties ten onrechte criteria hanteert die zijn opgesteld door de regionale inzamelaar van afval. Volgens hem is slechts het college zelf bevoegd tot het opstellen van beleidsregels die als grondslag voor de aanwijzing van locaties dienen.

3.1.    Bij besluit van 28 februari 2017 heeft het college criteria voor het aanwijzen van locaties voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers vastgesteld. Voor zover deze criteria zijn ontleend aan criteria die door de regionale inzamelaar van afval zijn opgesteld, verzet geen rechtsregel zich daartegen.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat het college de locatie in redelijkheid niet had kunnen aanwijzen. Volgens hem volgt uit jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2326) dat een minimale afstand van 4 m tot de dichtstbijzijnde gevel van een woning moet worden aangehouden, met uitzondering van blinde muren. Hieraan wordt volgens hem niet voldaan. Dit leidt volgens hem tot risico voor schade aan de woning bij het legen van de ORAC, zoals volgens hem ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3362). Bovendien stelt hij geluidhinder te ondervinden van de ORAC. Verder volgt volgens hem uit jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 6 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2390), dat een loopafstand voor gebruikers van de ORAC van meer dan 125 m niet aanvaardbaar is. De verdeling van ORAC's in de wijk leidt er volgens hem echter toe dat de loopafstanden voor sommige gebruikers kunnen oplopen tot ongeveer 400 m.

4.1.    Het betoog berust op een onjuiste lezing van de door [appellant] genoemde uitspraken. In de uitspraken van 30 augustus 2017 en 6 september 2017 heeft de Afdeling aangewezen locaties voor de plaatsing van ORAC's beoordeeld aan de hand van criteria die de colleges van burgemeester en wethouders in die zaken hanteerden. Uit deze uitspraken volgt niet dat een afstand van minder dan 4 m tot de dichtstbijzijnde gevel van een woning en loopafstanden van meer dan 125 m onaanvaardbaar zijn, ongeacht de toepasselijke criteria voor de aanwijzing van locaties.

4.2.    De door het college vastgestelde criteria houden onder meer in:

"- Het opofferen van bomen en parkeerplaatsen wordt zoveel mogelijk voorkomen. Indien er geen andere plaatsingsmogelijkheden zijn, wordt de onttrokken parkeerplaats op een andere plek gecompenseerd;

- Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de omgeving/omwonenden, in welk verband in beginsel ook is gekozen voor gelijke/vergelijkbare loopafstanden (opdat geen sprake kan/zal zijn van 'afvaltoerisme' of dat verschijnsel in ieder geval in voldoende mate wordt ontmoedigd)

- In verband met het vorenstaande wordt zoveel mogelijk gestreefd naar een gelijkmatige verdeling van het aantal ondergrondse containers over de verschillende wijken (in die zin dat in beginsel steeds een ongeveer even groot aantal gebruikers op deze voorziening is aangewezen)".

4.3.    Ter zitting heeft [appellant] naar voren gebracht dat de inmiddels op de locatie geplaatste ORAC op een afstand van ongeveer 4 m van zijn woning is gesitueerd. Gelet op de kaart bij het plaatsingsplan is aannemelijk dat de locatie zoals deze is aangewezen zich niet dichter bij de woning bevindt. Deze afstand is niet zodanig gering, dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen. Het college hoefde er niet van uit te gaan dat risico op schade aan de woning van [appellant] ontstaat bij het legen van de ORAC. De uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016 waarop [appellant] zich in dit verband beroept leidt niet tot een ander oordeel, omdat daarin niet een afstand van 4 m tot een gevel, maar een afstand van minder dan 2 m tot een balkon aan de orde was.

4.4.    Voor zover [appellant] ter zitting naar voren heeft gebracht dat de ORAC tot geluidhinder leidt, overweegt de Afdeling dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de geluidhinder, gelet op de uitvoering van de ORAC's, gering is. In het advies van de commissie bezwaarschriften van 11 mei 2017, dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om handhaving, is uiteengezet dat de ORAC's zijn voorzien van rubberen stootkussens om eventueel geluid van het openen en sluiten van de trommel te beperken. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de gestelde geluidhinder zodanig is, dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen.

4.5.    De criteria bevatten geen maximale loopafstanden voor gebruikers van de ORAC's. Verder heeft [appellant] weliswaar gesteld dat de verdeling van ORAC's over de wijk in sommige gevallen tot onaanvaardbaar grote loopafstanden heeft geleid, maar hij heeft niet gesteld en onderbouwd dat dit ook geldt voor de ORAC op de in geding zijnde locatie. Geen grond bestaat dan ook voor het oordeel dat de loopafstanden voor gebruikers die op deze ORAC zijn aangesloten zodanig groot zijn, dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen.

    Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

5.    [appellant] betoogt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet mogelijk was om te kiezen voor een alternatieve locatie bij een strook groen aan de overkant van de weg, welke locatie het college aanvankelijk op het oog had. Gelet op het criterium dat zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met omwonenden, ligt de keuze voor deze locatie volgens hem meer voor de hand. Voor zover deze locatie tot het verlies van een parkeerplaats leidt, wijst [appellant] op een situatie bij het gebouw "Scala Medica" aan de Bachlaan, waar eveneens afvalcontainers zijn geplaatst op een parkeerplaats. Verder heeft [appellant] ter zitting naar voren gebracht dat een deskundige van Quercus Boomexperts hem heeft laten weten dat de nabijheid van een boom geen belemmering vormt voor de plaatsing van een ORAC op de alternatieve locatie.

5.1.    Het college acht de door [appellant] voorgestelde locatie onder meer ongeschikt omdat zich hier boomwortels in de grond bevinden. Ter zitting heeft het toegelicht dat het niet gaat om wortels van de aanwezige bomen nabij deze locatie, maar om wortels van vroeger aanwezige bomen die de plaatsing van een ORAC belemmeren. Verder acht het college de door [appellant] voorgestelde locatie onwenselijk omdat deze zou leiden tot het verlies van een parkeerplaats. Volgens hem zijn bij het gebouw "Scala Medica" slechts tijdelijk afvalcontainers geplaatst.

5.2.    Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, heeft het college de aangewezen locatie geschikt kunnen achten voor het plaatsen van een ORAC. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem voorgestelde locatie zodanig geschikter is, dat het college in redelijkheid voor die locatie had moeten kiezen. Hij heeft geen bericht van een deskundige overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van boomwortels van vroeger aanwezige bomen geen belemmering vormt voor de plaatsing van een ORAC. Verder is niet is geschil dat plaatsing van een ORAC op de voorgestelde locatie tot het verlies van een parkeerplaats leidt. Voor zover moet worden aangenomen dat het college het verlies van een parkeerplaats elders aanvaardbaar heeft geacht, betekent dat niet dat het geen betekenis meer zou mogen toekennen aan het criterium dat het verlies van parkeerplaatsen zoveel mogelijk wordt voorkomen.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2018

270-727.