Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
201703180/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:1050, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2014 heeft het Uwv de verzoeken van [appellante] op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) gedeeltelijk afgewezen. Met deze procedure wil [appellante] bereiken dat twee feitelijke onjuistheden in de medische rapportage van [verzekeringsarts A], bezwaar en beroep, van 9 februari 2012 worden verwijderd. De onjuistheden betreffen de vermelding van "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen". Volgens [appellante] is het om twee redenen van groot belang dat dit rapport geen onjuistheden bevat. De eerste reden is principieel van aard. [appellante] wil dat de gemaakte fouten worden hersteld. Zij voelt zich over een lange periode niet goed behandeld door het Uwv vanwege een aaneenschakeling van onjuistheden, trage of onvolledige reacties en het uitblijven van reacties. Ten tweede wil [appellante] dat deze onjuistheden worden verwijderd omdat het rapport wordt betrokken bij haar letselschadezaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2018/89 met annotatie van Lavrijssen, N.
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1236 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703180/1/A3.

Datum uitspraak: 25 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 maart 2017 in zaak nr. 16/2944 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2014 heeft het Uwv de verzoeken van [appellante] op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 13 mei 2016 heeft het Uwv het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. E.A.J. van Meerkerk, advocaat te Woerden, en het Uwv, vertegenwoordigd door mr. K. Bolier, zijn verschenen.

    Overwegingen

Aanleiding

1.    Met deze procedure wil [appellante] bereiken dat twee feitelijke onjuistheden in de medische rapportage van [verzekeringsarts A], bezwaar en beroep, van 9 februari 2012 (hierna: het rapport van [verzekeringsarts A]) worden verwijderd. De onjuistheden betreffen de vermelding van "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen". Volgens [appellante] is het om twee redenen van groot belang dat dit rapport geen onjuistheden bevat. De eerste reden is principieel van aard. [appellante] wil dat de gemaakte fouten worden hersteld. Zij voelt zich over een lange periode niet goed behandeld door het Uwv vanwege een aaneenschakeling van onjuistheden, trage of onvolledige reacties en het uitblijven van reacties. Ten tweede wil [appellante] dat deze onjuistheden worden verwijderd omdat het rapport wordt betrokken bij haar letselschadezaak.

Relevante regelgeving

2.    Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming in werking getreden en de Wbp ingetrokken. Op dit geding is de Wbp van toepassing.

2.1.    Artikel 1 van de Wbp luidt: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

d. verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of te zamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

[…]

Artikel 36, derde lid, van de Wbp luidt: "De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd."

Het vierde lid luidt: "Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel."

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geen grond gezien om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat het rapport van [verzekeringsarts A] digitaal is opgeslagen in het elektronisch archief en dat hierin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht. Voorts heeft de rechtbank deze werkwijze, gelet op de door het Uwv ter zitting gegeven toelichting, niet in strijd met de Wbp geacht. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat uit de memorie van toelichting bij de Wbp (Kamerstukken II, 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 160) volgt dat het onwenselijk is dat de wet de toepassing van bepaalde technieken zou verbieden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat gedigitaliseerde documenten die zijn opgeslagen in een elektronisch archief onder de definitie van ‘gegevensdrager’ in de zin van artikel 36, vierde lid, van de Wbp vallen. Op grond van dit artikellid mag de verantwoordelijke daarom voorzieningen treffen om bij het gebruik van digitaal opgeslagen gegevens de gebruiker te voorzien van de juiste gegevens. Correctie behoeft blijkens de memorie van toelichting niet in alle omstandigheden te betekenen dat de onjuist gebleken persoonsgegevens worden verwijderd of vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat een feitelijke onjuistheid in een geval als dit, waarbij wijziging van een reeds digitaal opgeslagen rapport niet mogelijk en wenselijk is, genoegzaam wordt gecorrigeerd door in het digitaal archief een aanvullend bestand op te nemen waarin de verbeteringen zijn opgenomen. In dit geval blijkt uit de laatstelijk opgestelde medische rapportage van [verzekeringsarts B], verzekeringsarts bezwaar en beroep, van 11 april 2016 (hierna: het rapport van [verzekeringsarts B]) dat de diagnose reumatoïde artritis bij [appellante] in geen enkele medische rapportage of brief van een behandelaar voorkomt. In het door [appellante] aangevoerde heeft de rechtbank geen grond gevonden voor het oordeel dat het Uwv hiermee de feitelijke onjuistheid onvoldoende heeft gecorrigeerd en in strijd met artikel 36 van de Wbp heeft gehandeld.

3.1.    De rechtbank heeft verder geoordeeld dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 februari 2011; ECLI:NL:RVS:2011:BP4759), volgt dat het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht niet is bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Uit de uitspraak van het Gerechtshof’s-Hertogenbosch van 27 mei 2009 (ECLI:NL:GHSHE:2009:BI6357) volgt dat volgens de letterlijke tekst van artikel 36 van de Wbp weliswaar de mogelijkheid bestaat om onjuiste persoonsgegevens te doen verwijderen, maar daarbij gaat het volgens het Hof alleen om gegevens waarvan op eenvoudige en objectieve wijze de onjuistheid valt vast te stellen (bijvoorbeeld niet betwiste feiten). De rechtbank heeft vastgesteld dat de vermeende pijn in de handen, de vermeende gebroken wervels en de afwijking naar rechts, anamnestische gegevens zijn. Het gaat dus om een indruk van de verzekeringsarts. Gelet op de aangehaalde rechtspraak valt dit volgens de rechtbank niet onder het correctierecht van artikel 36, eerste lid, van de Wbp. De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen grond gevonden om op dit punt van de vaste rechtspraak af te wijken.

Het hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat in het rapport van [verzekeringsarts A] ten onrechte melding wordt gemaakt van "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen". Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geen grond gezien om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat het rapport van [verzekeringsarts A] digitaal is opgeslagen in het elektronisch archief en dat hierin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht. In dit verband wijst zij op het rapport van [verzekeringsarts C] van 22 augustus 2013, welk rapport is aangepast hetgeen heeft geleid tot twee nieuwe versies van 10 en 14 april 2014. Het rapport van [verzekeringsarts A] kan dus ook worden gecorrigeerd. Dit geldt eveneens voor de nadien opgestelde rapporten waarin hiernaar wordt verwezen. Verder verzoekt [appellante] de Afdeling om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en wegens onrechtmatig handelen.

Het standpunt van het Uwv

5.    Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht en dat het hier belang bij heeft. In dit verband heeft het Uwv uiteen gezet dat vrijwel alle documenten die door hem in het kader van besluitvorming worden gegenereerd alsmede inkomende poststukken in het Elektronisch Archief - Elektronisch Dossier (hierna: EA/ED) worden geplaatst. Deze documenten worden opgeslagen in PDF/A formaat en kunnen dan niet meer worden gewijzigd. Uit het feit dat een document in het EA/ED is geplaatst kan voorts worden afgeleid dat het als zodanig is verzonden. Wat betreft zijn belang bij de onmogelijkheid om documenten die zich in dit systeem bevinden te wijzigen, wijst het Uwv op het volgende. Besluiten van het Uwv zijn op deze documenten gebaseerd en bovendien zijn deze documenten aan betrokkenen, vaak uitkeringsgerechtigden, gezonden. Voor het Uwv dient te allen tijde duidelijk te zijn waarop het zijn besluiten heeft gebaseerd en hoe de documenten luiden die het aan betrokkenen heeft gezonden. Indien na het opslaan van documenten in het EA/ED nog aanvullende gegevens binnenkomen die moeten leiden tot een ander standpunt of andere conclusie, wordt er een aanvullende rapportage geschreven, aldus het Uwv.

Het oordeel van de Afdeling

Toepasselijkheid correctierecht

6.    In het rapport van [verzekeringsarts B] staat het volgende: "Met betrekking tot de reumatoïde artritis blijkt naar mijn mening dat deze diagnose in geen enkel medische rapportage of brief van een behandelaar voorkomt. Dit kan worden aangemerkt als een feitelijke onjuistheid. Echter de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts [verzekeringsarts A], is zoals is aangegeven in de brief van [verzekeringsarts C] niet te wijzigen daar de rapportages zijn gedigitaliseerd."

    Voorts is niet in geschil dat [appellante] geen reumatoïde artritis heeft en dat aanleiding bestaat voor correctie.

6.1.    In het rapport van [verzekeringsarts A] staat verder het volgende: "Belanghebbende heeft pijn in de handen en zij heeft het idee dat het hoofd aan de linkerzijde rond het oor opzwelt. Belanghebbende heeft in het linkeroor minder gehoor. Belanghebbende heeft pijn in de nek die uitstraalt naar het linker schouderblad en er is pijn in de rechter onderrug die uitstraalt naar het rechterbeen tot aan de teen toe soms." [appellante] ontkent dat zij heeft verklaard dat zij "pijn in de handen" heeft.

6.2.    Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP4759), heeft overwogen is het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR6338) volgt dat het correctierecht slechts kan worden uitgeoefend voor zover het gaat om feitelijke gegevens en dat de weergave van een door betrokkene afgelegde verklaring, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een dergelijk gegeven is. [appellante] dient dan ook aannemelijk te maken dat de weergave van hetgeen zij heeft verklaard, onjuist is. In dit geval acht de Afdeling aannemelijk dat [appellante] niet heeft verklaard dat zij "pijn in de handen" heeft.

6.3.    Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat het bij afwezigheid van een geluidsopname van het gesprek niet mogelijk is voor [appellante] om te bewijzen dat zij dit niet heeft verklaard. [appellante] heeft echter wel aannemelijk gemaakt dat het rapport van [verzekeringsarts A] verscheidene onjuistheden bevat. Zo is niet in geschil dat zij geen "reumatoïde artritis" heeft, terwijl dit wel in het rapport staat. Ook staat in dit rapport dat een werkgever naar voren zou hebben gebracht dat de FML geen goede weergave geeft van de belastbaarheid van belanghebbende en dat in 2010 een behandeling met succes is afgerond. Deze omstandigheden zouden blijkens het rapport zijn overgenomen uit het rapport dat [verzekeringsarts D] op 7 april 2011 heeft opgesteld (hierna: het rapport van [verzekeringsarts D]). [appellante] stelt echter terecht dat in het rapport van [verzekeringsarts D] geen melding wordt gemaakt van een inbreng van een werkgever. Voorts wijst [appellante] er terecht op dat in laatstgenoemd rapport wel melding wordt gemaakt van een in 2010 afgeronde behandeling, maar dat daarin niet staat dat deze behandeling met succes is afgerond. [appellante] stelt terecht dat dit een onjuiste indruk geeft, mede gelet op de omstandigheid dat in een ander rapport van [verzekeringsarts D] van 14 oktober 2010 juist staat dat [appellante] vanaf juni 2010 dagbehandeling heeft gevolgd, dat dit traject medio september is beëindigd en dat er nauwelijks vooruitgang is geboekt.

6.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv in het verzoek van [appellante] wat betreft de vermelding van "pijn in de handen" aanleiding had moeten zien voor correctie overeenkomstig artikel 36 van de Wbp. Voor zover het Uwv heeft verwezen naar het standpunt van [verzekeringsarts B] in het rapport van 11 april 2016 dat dit geen aanname van de bezwaarverzekeringsarts is maar dat dit is weergegeven in de anamnese, dus de verklaring van [appellante] zelf betreft, miskent het Uwv dat het correctierecht ook hierop van toepassing is. De rechtbank heeft dit evenmin onderkend.

Wijze waarop wordt gecorrigeerd

7.    Hoewel het correctierecht uit artikel 36 van de Wbp van toepassing is op "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen", is het Uwv niet gehouden deze vermeldingen uit het rapport van [verzekeringsarts A] te verwijderen. Dit oordeel geldt eveneens voor latere rapporten waarin deze onjuistheden zijn overgenomen. Het Uwv heeft immers met zijn uiteenzetting omtrent de werking van het systeem EA/ED, welk werking is gebaseerd op zijn belang bij de onmogelijkheid om documenten in dit systeem te wijzigen, aannemelijk gemaakt dat de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht. Dit betekent dat artikel 36, vierde lid, van de Wbp van toepassing is. Dat de verzekeringsarts op grond van de "Richtlijn Beheer gegevens vallend onder het medisch beroepsgeheim van de verzekeringsarts" een eigen verantwoordelijkheid heeft aangaande het correctierecht uit artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens, maakt dit niet anders.

    Met de verwijzing van [appellante] naar het rapport van [verzekeringsarts C] waarvan de oorspronkelijke versie dateert van 22 augustus 2013 en de aangepaste versies van 10 en 14 april 2014 heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat documenten in het systeem EA/ED wel kunnen worden gewijzigd. Ter zitting heeft het Uwv immers toegelicht dat de oorspronkelijke versie niet is vervangen door de gewijzigde versies, maar dat zowel de oorspronkelijke versie als de gewijzigde versies in het systeem staan.

7.1.    Weliswaar behoefde het Uwv niet over te gaan tot verwijdering van voornoemde onjuiste gegevens, maar dit betekent niet dat het Uwv heeft voldaan aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 36 van de Wbp. Het Uwv heeft immers niet overeenkomstig artikel 36, vierde lid, van de Wbp onderzocht of er een voorziening kan worden getroffen waarmee degene die het rapport van [verzekeringsarts A] en latere rapporten waarin de "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen" zijn overgenomen, raadpleegt erop wordt gewezen dat deze gegevens onjuist zijn.

7.2.    Wat betreft "pijn in de handen" heeft het Uwv in het geheel geen poging gedaan de gebruiker te informeren over de onjuistheid.

7.3.    Wat betreft de "reumatoïde artritis" overweegt de Afdeling in dit verband dat het rapport van [verzekeringsarts B], waarin staat dat "reumatoïde artritis" een feitelijke onjuistheid is, aan het dossier van [appellante] is toegevoegd. Het Uwv heeft echter niet onderzocht of een voorziening kan worden getroffen waardoor degene die het rapport van [verzekeringsarts A] of latere rapporten waarin hiernaar wordt verwezen, raadpleegt erop wordt geattendeerd dat de daarin opgenomen "reumatoïde artritis" niet juist is. Het enkel toevoegen van een nieuw rapport aan het dossier kan niet als een zodanige voorziening worden aangemerkt. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat het Uwv weliswaar heeft gesteld dat het op dit moment technisch niet mogelijk is dat bij opening van het rapport van [verzekeringsarts A] dan wel latere rapporten een melding verschijnt waarin wordt gewezen op de onjuistheid en wordt verwezen naar het rapport van [verzekeringsarts B] maar dat niet is onderzocht of dit met een kleine inspanning alsnog technisch mogelijk kan worden gemaakt. Evenmin is onderzocht of het mogelijk is de bestandsnaam van het PDF/A document van het rapport van [verzekeringsarts A] en latere rapporten te wijzigen in die zin dat daaraan bijvoorbeeld wordt toegevoegd: "(let op onjuistheid - zie rapport d.d. 11-4-16)". Dit terwijl [appellante] in de hele procedure heeft aangegeven dat een dergelijke signalering (enigszins) tegemoet zou komen aan haar bezwaren. In dit kader wijst de Afdeling op de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 160) waarin het volgende staat: "Het vierde lid voorziet in dit opzicht in een bijzondere regeling. Sommige gegevens worden verwerkt op gegevensdragers die technisch geen wijzigingen toelaten, bijvoorbeeld op microfiche of CD-ROM. De betrokkene kan echter niet van zijn rechten worden ontbloot louter op grond van de beslissing van de verantwoordelijke inzake de door hem te gebruiken techniek. Aan de andere kant is het onwenselijk dat de wet de toepassing van bepaalde technieken zou verbieden. Een oplossing van dit dilemma kan daarin worden gevonden dat de verantwoordelijke aanvullende voorzieningen treft om toch bij het gebruik van de opgeslagen gegevens de gebruiker te voorzien van de juiste gegevens. Dit kan bijvoorbeeld aldus dat bij raadpleging van een duurzame gegevensdrager, de gebruiker telkens wordt gewezen op de noodzaak een aanvullend bestand te raadplegen waarin eventuele verbeteringen zijn opgenomen."

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

8.    Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, pas 14 maanden na ontvangst van haar bezwaarschrift heeft het Uwv hierop besloten, dient te worden afgewezen.

8.1.    De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

8.2.    De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

8.3.    Indien niet bij de rechtbank maar pas bij de Afdeling een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak van de Afdeling, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in zo’n geval ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.13.3).

8.4.    Nu [appellante] zich niet bij de rechtbank maar voor het eerst voor de Afdeling op schending van de redelijke termijn heeft beroepen en sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv tot aan de uitspraak van de Afdeling van heden geen vier jaren zijn verstreken, is de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden afgewezen.

Schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen

9.    [appellante] heeft tevens verzocht om vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van onrechtmatig handelen van het Uwv. Naar het oordeel van de Afdeling is dit een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:91 van deze wet. De Afdeling zal in een afzonderlijke uitspraak over dit verzoek oordelen. Het onderzoek zal daartoe worden heropend onder nr. 201805954/1/A2. In die zaak zal uitsluitend dit verzoek om schadevergoeding ter beoordeling staan. De Afdeling is niet bevoegd om te oordelen over het verzoek om vergoeding van de door [appellante] geleden schade als gevolg van de reactie van het Uwv van 2 maart 2015 op de door haar ingediende klachten.

Overig

10.    Het standpunt van [appellante] dat het vanwege het medisch beroepsgeheim op grond van de Richtlijn BMG verboden is dat een verzekeringsarts en andere medewerkers van het Uwv met één gezamenlijk dossier werken, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

11.    [appellante] voert verder nog aan dat het rapport van [verzekeringsarts C] van 22 augustus 2013 met de versies van 10 en 14 april 2014 niet adequaat is aangepast. Nu deze beroepsgrond bij de rechtbank niet is maar redelijkerwijs wel had kunnen worden aangevoerd, dient deze om die reden buiten beschouwing te blijven.

Conclusie

12.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 mei 2016 van het Uwv alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt, voor zover daarbij het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om correctie van de vermelding van "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen" in het rapport van [verzekeringsarts A] van 9 februari 2012, ongegrond is verklaard, wegens strijd met artikel 36, vierde lid, van de Wbp voor vernietiging in aanmerking. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar dient het bezwaar te worden beoordeeld met toepassing van de op 25 mei 2018 in werking getreden Algemene verordening gegevensbescherming. De Wbp is op die datum vervallen.

13.    Het Uwv dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 maart 2017 in zaak nr. 16/2944;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 13 mei 2016, kenmerk 170470416-SB-004V SLA, voor zover daarbij het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om correctie van de vermelding van "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen" in het rapport van [verzekeringsarts A] van 9 februari 2012, ongegrond is verklaard;

V.    bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 201805954/1/A2 ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding;

VI.    veroordeelt de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.037,97 (zegge: tweeduizend zevenendertig euro en zevenennegentig cent), voor een gedeelte groot € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 296,00 (zegge: tweehonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2018

559.