Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
201704237/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:3758, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 oktober 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704237/1/V2.

Datum uitspraak: 17 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 april 2017 in zaken nrs. NL16.3472, NL16.3473 en NL16.3474 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 oktober 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 24 april 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.C.W. van der Zanden, advocaat te Liempde, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdelingen zijn broers, afkomstig uit Afghanistan. Zij hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij problemen hebben ondervonden met de Taliban. Hun vader is herhaaldelijk bedreigd met de mededeling dat hij zonen moest leveren voor de jihad. Vreemdeling 1 is in 2014 door de Taliban opgedragen om een bom tot ontploffing te brengen bij een tegenover zijn winkel gelegen militaire post, maar heeft dat geweigerd. Vreemdelingen 2 en 3 hebben een lid van de Taliban, [persoon], betrapt toen hij een bom aan het plaatsen was bij hun school, en ervoor gezorgd dat de aanslag voorkomen is en [persoon] opgepakt is. [persoon] heeft vervolgens in de gevangenis aan zijn vader verteld dat hij door vreemdelingen 2 en 3 in de gevangenis zat, waarna die vader de Taliban hiervan op de hoogte heeft gesteld. Op een later moment zijn vreemdeling 1 en de vader van de vreemdelingen gewond geraakt door een mijn en heeft de Taliban in een vergadering besloten dat zij de vreemdelingen desnoods gedwongen mee nemen. Nadat hun vader hiervan op de hoogte werd gesteld, zijn de vreemdelingen gevlucht

Grief over de geloofwaardigheidsbeoordeling

2.    De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdelingen ongeloofwaardig is. Hij betoogt hiertoe dat de rechtbank een eigen oordeel heeft gegeven over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdelingen en daardoor zijn tegenwerpingen niet, of gebrekkig, heeft getoetst. Volgens de staatssecretaris heeft hij in de besluiten, zoals hij in het hogerberoepschrift nader toelicht, deugdelijk gemotiveerd dat de asielrelazen van de vreemdelingen ongeloofwaardig zijn.

Beoordeling grief

2.1.    De rechtbank heeft de besluiten vernietigd en de staatssecretaris opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen zij heeft overwogen. Tevens heeft zij overwogen dat de staatssecretaris zijn besluiten vooralsnog onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij heeft echter ook overwogen dat zij een aantal verklaringen van de vreemdelingen over hun asielrelaas niet op voorhand onaannemelijk acht, en dat toegelicht aan de hand van algemene informatie en de verklaringen van de vreemdelingen. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank daarmee haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van zijn oordeel (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:891 en 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3008). Hierdoor heeft de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris niet daadwerkelijk getoetst.

Gedwongen rekrutering

2.1.1.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen vaag en vreemd hebben verklaard over de wijze van rekrutering door de Taliban. De vreemdelingen zouden telkens aan rekrutering zijn ontkomen door vage smoesjes, wat niet rijmt met de door hun gestelde handelwijze van de Taliban en de door hun gestelde vrees om gedood te worden. Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, maakt de omstandigheid dat, zoals de rechtbank van belang heeft geacht, de Taliban volgens algemene informatie gedwongen rekruteert maar gebruik van geweld daarbij uitzonderlijk is, nog niet dat het hiermee strokende relaas daarmee geloofwaardig is. De staatssecretaris acht bovendien niet ongerijmd dat geen geweld is gebruikt, maar dat de vreemdelingen op de door hun geschetste eenvoudige wijze aan rekrutering konden ontkomen. Dat het, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet ondenkbaar is dat de vader van de vreemdelingen de Taliban aan het lijntje heeft weten te houden, verklaart nog niet de geschetste zeer eenvoudige wijze waarmee hij hen jarenlang aan het lijntje heeft gehouden, wat de staatssecretaris nu juist aan de vreemdelingen tegenwerpt. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen aldus vaag en onlogisch hebben verklaard over het ontkomen aan de gestelde gedwongen rekrutering door de Taliban. Bij zijn standpunt heeft de staatssecretaris voorts niet ten onrechte van belang geacht dat de Taliban vreemdeling 1 en zijn vader niet alleen voor een vrij lange periode hebben benaderd zonder daadwerkelijk gevolgen te verbinden aan hun weigeringen of hun methode aan te passen, maar ook dat de vreemdelingen nog een lange tijd na aanvang van de bedreigingen van de Taliban in Afghanistan zijn gebleven, dat hun vader na hun vertrek weliswaar is meegenomen maar ook weer is vrijgelaten, en dat hun neef wél meteen is doodgeschoten toen hij weigerde zich aan te sluiten bij de Taliban. Dat de moord op de neef volgens de rechtbank verklaard kan worden omdat de Taliban in 2016 machtiger is geworden, is, zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, louter speculatief en niet nader onderbouwd.

Explosief bij school

2.1.2.    Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, is de rechtbank voorbij gegaan aan zijn volledige standpunt over het plaatsen van een explosief door [persoon]. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ongerijmd is dat een lid van de Taliban overdag een explosief aan het plaatsen was bij de school, terwijl er in de buurt kinderen aan het spelen waren en in het gebouw gewerkt werd. Dat [persoon], zoals de rechtbank heeft overwogen, gezien zijn leeftijd niet zou opvallen tussen de kinderen en voor de buitenstaanders zou passen in het normale straatbeeld, laat onverlet dat, zoals de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt, volgens de vreemdelingen iedereen [persoon] kende en wist dat hij bij de Taliban zat. Voorts laat dit ook het moment van het plaatsen van het explosief - overdag terwijl anderen in de buurt zijn en dat kunnen opmerken - onverlet. Ook heeft de staatssecretaris terecht aan de vreemdelingen tegengeworpen dat zij niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij, zoals zij specifiek verklaarden, weten dat [persoon] in de gevangenis door zijn vader is bezocht en aan hem heeft verteld dat vreemdelingen 2 en 3 verantwoordelijk zijn voor zijn detentie en dat die vader dat weer aan de Taliban heeft verteld.

Benadering vreemdeling 1 voor het laten ontploffen van een explosief

2.1.3.    De rechtbank is eveneens voorbij gegaan aan het volledige standpunt van de staatssecretaris over het benaderen van vreemdeling 1 om hem een explosief tot ontploffing te laten brengen. De staatssecretaris heeft niet alleen aan de vreemdeling tegengeworpen dat het vreemd is dat juist hij door de Taliban is benaderd, maar óók dat het vreemd is dat de Taliban het lastigste werk, het plaatsen van een bom bij de controlepost, zelf heeft gedaan. De staatssecretaris heeft het niet ten onrechte ongerijmd geacht dat de Taliban het lastigste werk al heeft gedaan en alleen het tot ontploffing brengen van het explosief heeft overgelaten aan de vreemdeling, die weliswaar, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet eerder specifieke opdrachten had geweigerd, maar die op dat moment al wel herhaaldelijk en op duidelijke wijze had aangegeven dat hij niets met de Taliban te maken wilde hebben.

Overige tegenwerpingen

2.1.4.    Tot slot voert de staatssecretaris terecht aan dat de rechtbank in het geheel niet is ingegaan op enkele andere tegenwerpingen. De staatssecretaris heeft het niet ten onrechte ongerijmd geacht dat de Taliban heeft geprobeerd vreemdeling 1 en zijn vader om te brengen met een landmijn, nu het meer voor de hand lag hen thuis op te zoeken, waar de Taliban al vaker was geweest, in plaats van buiten de stad, met een mijn, op een stuk landbouwgrond dat niet van de vader van de vreemdelingen was. Ook zijn de vreemdelingen vaag gebleven over de wijze waarop vreemdeling 1 en hun vader die aanslag hebben overleefd, kennelijk zelfs zonder ernstige verwondingen. Eveneens heeft hij het niet ten onrechte ongerijmd geacht dat de Taliban, na al die weigeringen gedurende een lange periode, nog een speciale vergadering heeft gehouden over de familie van de vreemdelingen én dat de vriend van de vader, bij wie die vergadering plaatsvond, de familie vervolgens, ondanks de risico's, heeft gewaarschuwd. Ook heeft hij terecht aan de vreemdelingen tegengeworpen dat zij inconsistent hebben verklaard over de periode waarin hun vader door de Taliban is benaderd. Tot slot heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid in algemene zin, dat de vreemdelingen bepaalde documenten, die volgens hun asielrelaas zouden moeten bestaan en die dat relaas zouden moeten kunnen staven, niet hebben overgelegd.

2.2.    De staatssecretaris voert terecht aan dat hij met vorenstaande tegenwerpingen deugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdelingen ongeloofwaardig is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De eerste grief slaagt.

Onderzoek naar documenten

3.    De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn standpunt dat aan de door de vreemdelingen overgelegde verklaringen van hun vader, medeondertekend door stamhoofden, en van de directeur van de school van de vreemdelingen, niet de gewenste waarde toekomt. Dit betoog slaagt. Door te overwegen dat de overgelegde verklaringen de asielrelazen van de vreemdelingen bevestigen, is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat, zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, niet vaststaat dat de verklaringen afkomstig zijn uit objectieve bron en zijn gebaseerd op objectief onderzoek, én dat de verklaring van de directeur van de school bovendien afwijkt van het asielrelaas van de vreemdelingen. Reeds daarom bestond voor de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding om Bureau Documenten nader onderzoek te laten doen naar de authenticiteit van deze documenten.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 26 oktober 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5.    De vreemdelingen hebben in beroep, onder verwijzing naar hun betoog in de zienswijze dat zich in hun provincie een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 voordoet, aangevoerd dat de veiligheidssituatie gelet op het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse zaken van november 2016 zelfs nog is verslechterd. Dit ambtsbericht is betrokken bij de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:915. Zoals volgt uit die uitspraak, doet vorenbedoelde uitzonderlijke situatie zich in Afghanistan niet voor.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 april 2017 in zaken nrs. NL16.3472, NL16.3473 en NL16.3474;

III.    verklaart de in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2018

802.