Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201703920/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:3816, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college besloten een dossier aan onder meer [appellant] te verstrekken onder oplegging van geheimhouding op grond van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet. [appellant] is lid van de raad van de gemeente Bloemendaal. Hij heeft het college verzocht het dossier, dat documenten bevat over (vermeende) intimidaties en bedreigingen van onder andere ambtenaren door twee inwoners van de gemeente Bloemendaal en die in 2014 zijn verzameld door de voormalig wethouder M. de Rooij, aan hem over te leggen. Het college heeft daaraan gehoor gegeven, onder oplegging van geheimhouding. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/811
BA 2018/255
JBP 2018/90
Gst. 2018/170 met annotatie van G.J. Stoepker
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703920/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Overveen, gemeente Bloemendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 april 2017 in zaak nr. 16/1083 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college besloten een dossier aan onder meer [appellant] te verstrekken onder oplegging van geheimhouding op grond van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet.

Bij besluit van 27 augustus 2015 heeft het college het besluit van 4 november 2014 gewijzigd en de geheimhouding ten aanzien van de documenten met nrs. 2, 6-I, 7, 8, 8-I tot en met 15, 17-II tot en met 20, 23 tot en met 26, 28, 28-II tot en met 36, 36-II tot en met 41, 41-II tot en met 44-III, 44-V, 45, 45-II tot en met 46, 46-II tot en met 47, 47-II, 48, en 48-III tot en met 50, zoals aangeduid op de bijbehorende inventarislijst, opgeheven.

Bij besluit van 21 januari 2016 heeft het college het door [appellant] tegen die besluiten gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de geheimhouding ten aanzien van documenten met nrs. 36-I, 41-I, 44-IV, 45-I en 46-I eveneens opgeheven en het bezwaar overigens ongegrond verklaard.

Bij beslissing van 9 mei 2016 heeft de rechtbank met inachtneming van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat beperking van de kennisneming van het dossier, alsmede van de bijbehorende aanbiedingsbrief van het college van 18 april 2016, gerechtvaardigd is.

Bij uitspraak van 19 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 21 januari 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan - behoudens de handhaving van de weigering de geheimhouding van onderdeel I van document 16 op te heffen - in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het college, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, een nieuw besluit genomen en besloten de geheimhouding ten aanzien van document nr. 16, onderdeel I, eveneens op te heffen.

[appellant] heeft daarover een zienswijze naar voren gebracht.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2018, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te Den Haag, en mr. V. Luckers, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    De van belang zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] is lid van de raad van de gemeente Bloemendaal. Hij heeft het college verzocht het dossier, dat documenten bevat over (vermeende) intimidaties en bedreigingen van onder andere ambtenaren door twee inwoners van de gemeente Bloemendaal en die in 2014 zijn verzameld door de voormalig wethouder M. de Rooij, aan hem over te leggen. Het college heeft daaraan gehoor gegeven, onder oplegging van geheimhouding op grond van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Zijn belang om de opgelegde geheimhouding ongedaan te maken is hierin gelegen, dat hij overweegt om de stukken te laten onderzoeken door een externe partij in verband met de integriteit van het toenmalige college. Een verzoek om opheffing van de geheimhouding op grond van artikel 25, vierde lid, van de Gemeentewet biedt [appellant] geen soelaas omdat hij - zoals hij ter zitting heeft toegelicht - geen raadsmeerderheid krijgt die aan de doorbreking van de geheimhouding zou willen meewerken.

    Het college heeft naar aanleiding van het door [appellant] ingediende bezwaar de geheimhouding van een groot aantal stukken in het dossier opgeheven. Voor zover het college meent dat de op de stukken rustende geheimhouding niet kan worden opgeheven, is dat in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en onevenredige benadeling.

Aangevallen uitspraak

3.    Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellant] aangegeven dat de geheimhouding van de stukken met de nummers 6 en 7.1 geen geschilpunt meer vormt.

    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard. Zij heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het college ten aanzien van de resterende stukken in het dossier ten onrechte niet per document of onderdeel daarvan heeft gemotiveerd dat aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt. De rechtbank heeft evenwel overwogen dat indien het college tot een dergelijke motivering was overgegaan, dit zou hebben geleid tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Zij heeft daarom onderzocht of de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand gelaten kunnen worden. Na bestudering van de stukken is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de belangen als verwoord in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), worden geschaad indien de geheimhouding van de documenten wordt opgeheven. Dat geldt volgens de rechtbank niet voor onderdeel I van document 16. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom geheimhouding op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob geboden is. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande de rechtsgevolgen van het besluit van 21 januari 2016 in stand gelaten, behoudens de handhaving van de weigering om geheimhouding van onderdeel I van document 16 op te heffen.

Hoger beroep

* Procesbeslissing rechtbank

4.    De rechtbank heeft in haar procesbeslissing van 9 mei 2016 op het verzoek van het college om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb overwogen, dat de bekendmaking of -wording van de stukken inzet is van het geschil en deze procedure illusoir wordt indien de kennisneming niet wordt beperkt. De rechtbank heeft daarom gewichtige redenen aanwezig geacht die beperkte kennisneming van het dossier rechtvaardigen.

4.1.    [appellant] kan zich niet verenigen met deze procesbeslissing. Het hem onthouden van de stukken in de beroepsprocedure acht [appellant] in strijd met de belangen die hij als raadslid behartigt.

4.2.    Het college betwist de ontvankelijkheid van het hoger beroep van [appellant], voor zover het is gericht tegen de hiervoor genoemde procesbeslissing. Volgens het college heeft [appellant] geen procesbelang meer bij dit onderdeel van het hoger beroep. Het college voert aan dat op het moment van de daadwerkelijke uitspraak van de rechtbank, waarin de beslissing tot beperkte kennisneming is gehandhaafd, de procesbeslissing van 9 mei 2016 geen zelfstandige betekenis meer had.

4.3.    Tegen een tussenbeslissing van de rechtbank als die van 9 mei 2016 kan bij de einduitspraak van de rechtbank hoger beroep worden ingesteld. Dit heeft [appellant] ook gedaan. Anders dan het college stelt, valt niet in te zien waarom [appellant] geen procesbelang meer heeft bij dit onderdeel van het hoger beroep. Dat die procesbeslissing in de hogerberoepsfase geen zelfstandige betekenis meer heeft, neemt niet weg dat de Afdeling tot het oordeel kan komen dat de rechtbank artikel 8:29 van de Awb niet juist heeft toegepast. Een vernietiging van de aangevallen uitspraak kan er dan toe leiden dat opnieuw op het beroep van [appellant] en het verzoek tot beperkte kennisneming moet worden beslist. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

    Het betoog van het college faalt.

4.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 mei 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6091), is een onjuiste toepassing van artikel 8:29 van de Awb in het algemeen geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak, maar in het geval dat die onjuiste toepassing dusdanige gevolgen heeft gehad voor de aangevallen uitspraak dat zich een onaanvaardbaar verlies van instantie zou voordoen, is vernietiging van die uitspraak en terugwijzing van de zaak aangewezen. Daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank artikel 8:29 van de Awb juist heeft toegepast, doen die gevolgen zich in het onderhavige geval niet voor. Daarbij is van belang dat [appellant] de inhoud van de documenten ten aanzien waarvan het college om geheimhouding heeft verzocht, kende en hem in die zin in de beroepsprocedure geen stukken uit het dossier zijn onthouden. Bovendien heeft hij daarover naar het oordeel van de Afdeling bij de rechtbank - en overigens ook in hoger beroep bij de Afdeling - genoegzaam zijn standpunten naar voren kunnen brengen.

    Het betoog van [appellant] faalt.

* Geen zitting achter gesloten deuren

5.    [appellant] brengt voorts als formele grond naar voren dat de rechtbank, ondanks zijn verzoek daartoe, niet het dossier met hem in een zitting achter gesloten deuren heeft besproken. De geheime documenten waren reeds in zijn bezit en zij waren hem volledig bekend. Juist in een besloten zitting, waarbij niemand anders aanwezig mag zijn, had hij per (onderdeel van een) document aan de rechtbank kunnen vertellen waarom dat volgens hem openbaar zou moeten zijn. Deze handelwijze van de rechtbank acht [appellant] in strijd met zijn recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

5.1.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat [appellant], zelfs indien sprake was geweest van een besloten zitting bij de rechtbank, wegens de op hem en op de rechtbank rustende geheimhoudingsplicht, niet over de inhoud van de documenten had kunnen spreken. Van schending van artikel 6 van het EVRM kan reeds daarom volgens de rechtbank geen sprake zijn.

5.2.    In dit concrete geval kende [appellant] de inhoud van de documenten ten aanzien waarvan het college om geheimhouding heeft verzocht. De Afdeling begrijpt dat [appellant] met het oog op de verhandelingen over de geheime stukken heeft verzocht de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Weliswaar kan gelet op het bepaalde in artikel 8:62, tweede lid, van de Awb de zitting onder omstandigheden achter gesloten deuren plaatsvinden, maar de in dit artikellid genoemde situaties doen zich in dit geval niet voor. De rechtbank heeft terecht de openbare behandeling van de zaak van groot belang geacht. Niet is gebleken van de door [appellant] gestelde schending van het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde beginsel van een recht op een eerlijk proces, nog daargelaten of hiermee een burgerlijk recht of burgerlijke verplichting van [appellant] aan de orde is.

    Het betoog faalt.

* Omvang van het geding

6.    De Afdeling stelt vast dat gelet op het hogerberoepschrift in beginsel de geheimhouding in geding is ten aanzien van de documenten met nrs. 1, 3 tot en met 5, 16 (met uitzondering van onderdeel I) tot en met 17-I, 21 tot en met 22, 27, 28-I, 47-I en 48-II. Ter zitting heeft [appellant] evenwel gesteld dat het hem te doen is om de documenten 21, 22 en 27. Ten aanzien van de overige stukken heeft hij geen bezwaren tegen de opgelegde geheimhouding. Voor zover in de documenten 21, 22 en 27 de namen van ambtenaren voorkomen, heeft [appellant], zoals hij ter zitting eveneens naar voren heeft gebracht, eveneens geen bezwaren tegen de opgelegde geheimhouding. Gelet hierop vat de Afdeling het hoger beroep van [appellant] aldus op dat de rechtbank volgens hem ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van de documenten 21, 22 en 27, voor zover het niet de namen van ambtenaren betreft.

    Voor zover er - zoals ter zitting door [appellant] is gesteld - nog 40.000 e-mails zouden bestaan die eveneens betrekking hebben op de (vermeende) intimidaties en bedreigingen als hiervoor bedoeld, overweegt de Afdeling dat die niet tot het dossier behoren ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Die e-mails kunnen in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.

* Ontbrekend verslag bezwaarschriftencommissie

7.    De rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de stelling van het college dat alle in de voorliggende procedure opgestelde verslagen zijn overgelegd. Nu de door [appellant] genoemde verslagen - waaronder een verslag van het besloten gedeelte van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie - niet zijn opgesteld, heeft het college deze niet kunnen overleggen.

7.1.    [appellant] stelt dat hij bij de hoorzitting van de bezwarencommissie een griffier aantekeningen heeft zien maken. Hij betoogt dat de rechtbank het college had moeten opdragen het dossier compleet te maken door overlegging van het verslag. Nu heeft de rechtbank ten onrechte niet in het procesverloop van de uitspraak opgenomen dat het dossier niet volledig is.

7.2.    Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, dient een bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter te zenden. Nu er geen reden is te twijfelen aan de stelling van het college dat de desbetreffende verslagen niet zijn opgesteld, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college die verslagen niet heeft kunnen overleggen. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt niet zover dat niet bestaande stukken alsnog moeten worden vervaardigd en aan de bestuursrechter worden toegezonden. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechtbank niets over de vermeende onvolledigheid van het dossier in het procesverloop van de aangevallen uitspraak heeft opgenomen.

    Dit betoog faalt.

* Gedeeltelijke geheimhouding op 8 september 2014

8.    De rechtbank heeft geoordeeld dat, anders dan [appellant] in beroep heeft gesteld, het college heeft gereageerd op zijn bezwaar dat de stukken op 8 september 2014 al openbaar waren gemaakt. Het college heeft immers aan het in beroep bestreden besluit een advies van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag gelegd, waarin staat dat de documenten niet al openbaar waren gemaakt voordat de besluiten van 4 november 2014 en 27 augustus 2015 werden genomen. Volgens de rechtbank maakt de enkele omstandigheid dat de voormalig wethouder ermee heeft ingestemd dat een aantal raadsleden, onder wie [appellant], in de gelegenheid is gesteld inzage te hebben in het dossier niet dat het dossier openbaar is gemaakt. Juist ook uit het feit dat het college daarna toepassing heeft gegeven aan de geheimhoudingsbepalingen in de Gemeentewet blijkt dat het college niet de intentie heeft gehad om het dossier openbaar te maken. Voor zover de voormalig wethouder zou hebben gezegd dat de documenten van het dossier zonder geheimhoudingsplicht zouden worden overhandigd, overweegt de rechtbank dat die mededeling niet voor rekening van het college kan komen, omdat de wethouder niet bevoegd was om namens het college toezeggingen te doen.

8.1.    [appellant] bestrijdt dit oordeel. De rechtbank heeft zich ten onrechte geen eigen oordeel gevormd over de onvolledige motivering van het college om de stukken eerst op 4 november 2014 geheel geheim te verklaren. Zij heeft slechts het oordeel van de bezwaarschriftencommissie overgenomen. [appellant] betoogt dat de stukken, met uitzondering van de namen van de betrokken ambtenaren, op 8 september 2014 openbaar waren. De voormalig wethouder, en daarmee impliciet het college, heeft toen mondeling medegedeeld dat de geheimhouding alleen de namen van betrokken ambtenaren betrof. Hiermee heeft onder meer [appellant] ingestemd; dat verzoek zou worden gerespecteerd. Dat die mededeling nadien niet door een schriftelijk besluit van het gehele college is bekrachtigd, doet aan de handeling van de wethouder niet af, aldus [appellant]. Onduidelijk is waarom het college op 4 november 2014 de volledige inhoud van de documenten geheim heeft verklaard.

8.2.    Niet in geschil is dat op 8 september 2014 vijf raadsleden op hun verzoek bij de voormalig wethouder inzage hebben gekregen in het dossier. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de voormalig wethouder op dat moment heeft toegezegd dat slechts de namen van de betrokken ambtenaren geheim dienden te blijven en dat geen geheimhoudingsplicht zou worden opgelegd ten aanzien van het overige deel van het dossier.

8.3.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank zich geen eigen oordeel heeft gevormd, slaagt dit niet. Dat de rechtbank aansluit bij de motivering van de bezwaarschriftencommissie, betekent naar het oordeel van de Afdeling dat de rechtbank dat standpunt juist acht en zich in die zin wel een eigen oordeel vormt.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hetgeen zich heeft voorgedaan op 8 september 2014, niet afdoet aan het feit dat het college in beginsel - mits op grond van een belang als bedoeld in artikel 10 van de Wob, waarop hierna wordt ingegaan - ten aanzien van het gehele dossier geheimhouding kan opleggen. Niet valt in te zien dat op 8 september 2014 de stukken naar hun aard openbaar (de Afdeling begrijpt: niet geheim, omdat personen van de inhoud kennis hebben genomen) zijn geworden, behoudens de namen van de daarin genoemde ambtenaren. Op die datum heeft slechts een inzage in het dossier plaatsgevonden. Er zijn geen stukken uit het dossier aan de raadsleden overgelegd, laat staan met de bedoeling dat derden daarvan kennis zouden mogen nemen. Dat [appellant] bij die inzage aantekeningen heeft mogen maken en dat de mogelijkheid bestond dat in de tussenliggende periode iemand over die stukken de openbaarheid zou hebben gezocht, neemt niet weg dat op 4 november 2014 (alsnog) geheimhouding kon worden opgelegd ten aanzien van het gehele dossier bij de daadwerkelijke verstrekking ervan. Hierbij is niet van belang of de mededeling van de voormalig wethouder als een toezegging aan het college kan worden toegerekend.

    Het betoog faalt.

* Persoonlijke levenssfeer en onevenredige benadeling

9.    De rechtbank heeft, nadat zij kennis heeft genomen van de geheime stukken, geoordeeld dat de belangen als verwoord in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob, worden geschaad indien de geheimhouding van de documenten wordt opgeheven. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang bij geheimhouding in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij opheffing van de geheimhouding.

9.1.    [appellant] stelt dat hij in het geheime dossier interne stukken van een politieke partij heeft aangetroffen. De jurisprudentie van de Afdeling over ambtenaren heeft daarop geen betrekking. Hij voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om van de door haar beoordeelde stukken te bezien of het gehele stuk, dan wel een deel daarvan, openbaar dan wel geheim is.

9.2.    Gelet op het bepaalde in artikel 25, tweede lid, kan de geheimhouding op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wob, door het college worden opgelegd ten aanzien van de stukken die het aan leden van de raad overlegt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:610), is het aan de bestuursrechter om te beoordelen of die bevoegdheid bestaat. Dit is bij de toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet het geval als zich een in artikel 10 van de Wob genoemd belang voordoet. De vraag of een dergelijk belang aanwezig is, dient door de bestuursrechter vol te worden getoetst. Een bevestigend antwoord leidt ertoe dat de rechter vervolgens dient te beoordelen of het college in het voorliggende geval in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van geheimhouding.

9.3.    De Afdeling heeft kennisgenomen van de geheime stukken. Met inachtneming van hetgeen hiervoor in 6 is overwogen, zal de Afdeling deze beroepsgrond beoordelen voor zover het de documenten 21, 22 en 27 betreft.

    Voor de vraag of de rechtbank, in navolging van het college, in deze stukken terecht de belangen als verwoord in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob, aanwezig heeft geacht, wordt als volgt overwogen.

    De Afdeling stelt vast dat documenten 21 en 22 door dezelfde persoon zijn opgesteld. Het betreft een e-mail van 9 augustus 2014 aan een derde, alsmede een ongedateerde en niet-geadresseerde verklaring, beide met uitlatingen over negatieve ervaringen met de vermelde twee inwoners van Bloemendaal. Document 27 betreft een e-mail van een toenmalig raadslid van 17 februari 2014 aan de hiervoor vermelde derde en heeft eveneens deels betrekking op negatieve ervaringen met de twee betrokken inwoners.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden uitgesloten dat openbaarmaking van de namen en documenten van de betrokkenen leidt tot op de persoon gerichte beschuldigingen waarvan deze betrokkenen nadeel kunnen ondervinden. [appellant] heeft dit oordeel niet weersproken. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hier het belang van onevenredige benadeling van bij de bestuurlijke aangelegenheid betrokken natuurlijke personen en hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aan de orde zijn, zodat zich twee in artikel 10 van de Wob genoemde belangen voordoen. Dat één van de documenten afkomstig is van een politieke partij - wat daarvan verder ook zij nu de desbetreffende e-mail zonder partijlogo en vanaf een persoonlijk e-mailadres is verzonden - doet er niet aan af dat het hiervoor genoemde nadeel zich ook voor de hier betrokken personen kan voordoen. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de documenten 21, 22 en 27 terecht geoordeeld dat het geheim houden van de namen niet voldoende is om de privacy van de betrokkenen te garanderen. In dit verband is van belang dat het enkel anonimiseren van de documenten in het dossier volgens het college geen soelaas biedt, omdat uit de informatie zelf valt af te leiden wie de informatie heeft verstrekt. Verder mocht in aanmerking worden genomen dat de door de betrokkenen verstrekte informatie dusdanig is verweven met feiten dat deze laatste niet van bedoelde informatie zijn te scheiden. De belangen op grond van artikel 10 van de Wob betreffen dan ook de volledige inhoud van de documenten 21, 22 en 27.

9.4.    De rechtbank heeft voorts op goede gronden geoordeeld dat het college gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van geheimhouding, mede gelet op de wijze waarop het dat heeft gedaan. In dit verband is van belang dat [appellant] heeft gesteld dat (delen van) het dossier in feite niet meer geheim zijn omdat anderen de documenten kennen. Zijn stelling dat voorafgaand aan het besluit van 4 november 2014 in een raadsvergadering uit de op 8 september 2014 gemaakte aantekeningen is geciteerd, heeft hij echter niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat oplegging van de geheimhouding op dat moment illusoir was, omdat de documenten reeds voor iedereen beschikbaar zouden zijn gekomen. Voorts heeft [appellant] niet onderbouwd waarom de opheffing van de geheimhouding van documenten 21, 22 en 27 voor de uitoefening van zijn taak als raadslid noodzakelijk is. Niet vast is komen te staan dat hij het integriteitsonderzoek naar het voormalige college, zonder doorbreking van de geheimhouding die daarop rust, niet zou kunnen uitvoeren. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang bij geheimhouding in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het terugdraaien van de geheimhouding.

    Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

Besluit van 24 mei 2017

11.    Het college heeft, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist over onderdeel I van document 16, ten aanzien waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat zonder nadere motivering niet in valt te zien waarom geheimhouding op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob geboden was. Het college heeft in dit besluit geconcludeerd dat er geen gronden bestaan voor geheimhouding van het desbetreffende onderdeel. Het heeft besloten om de geheimhouding daarvan op te heffen.

11.1.    Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb heeft het hoger beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Aangezien het college met het nieuwe besluit over onderdeel I van document 16, voor zover daartoe gelet op de vernietiging door de rechtbank de ruimte bestond, tegemoet is gekomen aan het bezwaar van [appellant] in zoverre, heeft [appellant] er geen belang bij dat het hoger beroep zich tot dat besluit uitstrekt. Er is dan ook geen beroep van rechtswege ontstaan.

Proceskosten

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Borman    w.g. Konings

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018

612. BIJLAGE | Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:29

1 Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2 Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.

3 De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

Artikel 8:62

1 De zitting is openbaar.

2 De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk zal plaatshebben met gesloten deuren:

a. in het belang van de openbare orde of de goede zeden,

b. in het belang van de veiligheid van de Staat,

c. indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen, of

d. indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

Gemeentewet

Artikel 25

1 De raad kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de raad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de raad haar opheft.

2 Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.

3  De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

4  De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad haar opheft. De raad kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 10

1 Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;

b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

2  Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3 Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

4 Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

5 Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter.

6 Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.

7 Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;

b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.

8 Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.