Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:245

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
201605457/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3187, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft de burgemeester geweigerd [appellante] krachtens de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) een vergunning te verlenen voor de exploitatie van [club], aan de [locatie] te Katwijk. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft de burgemeester geweigerd [appellante] krachtens de Algemene plaatselijke verordening Cuijk (hierna: de Apv) een vergunning te verlenen voor de exploitatie van [club] als seksinrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/148 met annotatie van Redactie, B. van der Vorm
Module Horeca 2018/2945
JOM 2018/80
JGROND 2019/70 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605457/1/A3.

Datum uitspraak: 24 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Katwijk, gemeente Cuijk,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 juni 2016 in zaak nrs. 16/1247 en 16/1248 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Cuijk.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft de burgemeester geweigerd [appellante] krachtens de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) een vergunning te verlenen voor de exploitatie van [club], aan de [locatie] te Katwijk. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft de burgemeester geweigerd [appellante] krachtens de Algemene plaatselijke verordening Cuijk (hierna: de Apv) een vergunning te verlenen voor de exploitatie van [club] als seksinrichting.

Bij besluit van 14 maart 2016 heeft de burgemeester het door [appellante] tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [persoon A], middellijk aandeelhouder en middellijk bestuurder, bijgestaan door mr. E.C.W. van der Poel en mr. W. de Vis, advocaten te Alkmaar, en vergezeld door [persoon B], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat te Nijmegen, en C.M.A.P. Burgman-Linssen LLB, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante bepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob), de DHW, de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm), de Regeling wapens en munitie (hierna: de Rwm), de Apv en de Aanwijzing gebruik sepotgronden van het college van procureurs-generaal van het openbaar ministerie van 1 september 2014 (hierna: de aanwijzing) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2. [ appellante] heeft een drank- en horecavergunning en een exploitatievergunning aangevraagd om aan voormeld adres te Katwijk een parenclub met de naam [club] te gaan exploiteren. De daartoe door [appellante] ingediende aanvragen vermelden dat [persoon A] en [persoon B] de leidinggevenden van [club] zijn. [persoon A] en [persoon B] zijn met elkaar getrouwd. Naar aanleiding van deze aanvragen heeft de burgemeester het Landelijk Bureau Bibob (hierna: het Bureau) gevraagd advies uit te brengen. In zijn advies van 3 november 2015 komt het Bureau tot de conclusie dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het Bureau heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een ernstig vermoeden bestaat dat [persoon A] op 28 mei 2012 en op verschillende tijdstippen in de vijf daaraan voorafgaande jaren geweldsdelicten tegen [persoon B] heeft gepleegd en dat [persoon A] op 5 februari 2015 een verboden wapen in bezit heeft gehad. Voorts heeft het Bureau daaraan ten grondslag gelegd dat [appellante] in relatie staat tot deze strafbare feiten, omdat [persoon A] als middellijk en enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante] leiding geeft aan, en zeggenschap heeft over [appellante]. [persoon A] is de enige aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf A], welke vennootschap de enige aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf B], welke vennootschap de enige aandeelhouder en bestuurder is van [appellante]. Bij brief van 18 november 2015 heeft de burgemeester zijn voornemen om de aanvragen af te wijzen, kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellante] van 25 november 2015 op dat voornemen heeft de burgemeester bij brief van 3 december 2015 aanvullende vragen aan het Bureau gesteld. In een aanvullend advies van 30 december 2015 heeft het Bureau deze vragen beantwoord. Het Bureau heeft daarbij de in het advies van 3 november 2015 vervatte conclusies gehandhaafd.

De besluiten

3. Bij besluiten van 12 januari 2016 heeft de burgemeester, onder verwijzing naar voormelde adviezen van het Bureau, de aanvragen van [appellante] afgewezen met toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Bij besluit van 14 maart 2016 heeft de burgemeester, door naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 8 maart 2016 te verwijzen en de daarin vermelde motivering te onderschrijven en over te nemen, de besluiten van 12 januari 2016 gehandhaafd.

De aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester na de heroverweging in bezwaar aan de weigering van de aangevraagde vergunningen heeft mogen vasthouden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de burgemeester ten aanzien van de aan die weigering ten grondslag gelegde adviezen van het Bureau aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Op grond van die adviezen heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat een ernstig vermoeden bestaat dat [persoon A] strafbare feiten heeft gepleegd en dat deze strafbare feiten samenhangen met activiteiten waarvoor [appellante] vergunningen heeft aangevraagd. Gelet daarop heeft de burgemeester zich onder verwijzing naar die adviezen op het standpunt mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Gelet op de mate van het gevaar heeft de burgemeester de aanvragen moeten afwijzen en deze afwijzing is niet in strijd met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

5. [ appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester, door de adviezen van het Bureau aan het besluit van 14 maart 2016 ten grondslag te leggen, niet in strijd met de op hem rustende vergewisplicht heeft gehandeld. [appellante] voert daartoe aan dat de in de adviezen van het Bureau vervatte informatie niet aannemelijk maakt dat [persoon A] strafbare feiten heeft gepleegd. Ter zake van de in dit kader op de burgemeester rustende bewijslast verwijst [appellante] naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2279. De strafzaak tegen [persoon A], waarin [persoon A] werd vervolgd als verdachte van het plegen van een geweldsmisdrijf tegen [persoon B] op 28 mei 2012, is op 23 september 2014 om beleidsmatige redenen geseponeerd (hierna: het sepot) en na die datum heeft zich tussen [persoon A] en [persoon B] geen fysiek geweld meer voorgedaan. Voorts is niet aannemelijk dat het luchtdrukwapen dat [persoon A] vrijwillig bij de politie heeft ingeleverd een verboden wapen is als bedoeld in de Wwm, omdat de politie dat luchtdrukwapen heeft laten vernietigen en derhalve niet meer kan worden vastgesteld dat dat luchtdrukwapen een sprekende gelijkenis met een vuurwapen vertoont. Ter zake van het begrip 'sprekende gelijkenis' verwijst [appellante] naar een conclusie van Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad mr. E.J. Hofstee van 13 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:224, welke conclusie de Hoge Raad in zijn arrest van 24 maart 2014, ECLI:NL:HR:712, heeft gevolgd. Een vaststelling dat aannemelijk is dat [persoon A] een strafbaar feit heeft gepleegd, is bovendien in strijd met de ingevolge artikel 6, tweede lid, van het EVRM geldende onschuldpresumptie.

Voorts voert [appellante] aan dat de in de adviezen van het Bureau vervatte conclusie dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten niet strookt met de door [appellante] aangevoerde en door het Bureau bij die adviezen betrokken feiten en omstandigheden. [appellante] verwijst in dit kader naar de in een e-mail van het openbaar ministerie van 2 oktober 2015 vermelde redenen voor het sepot en naar de grond van het sepot volgens de Aanwijzing. Ook wijst [appellante] op de omstandigheid dat [persoon A], hoewel de politie niet wist dat hij een luchtdrukwapen voorhanden had, uit eigen beweging contact met de politie heeft opgenomen over dat wapen en dat wapen vrijwillig bij de politie heeft ingeleverd. Gelet op het aldus aangevoerde heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de burgemeester zich, gelet op die adviezen, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de door [appellante] aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, aldus [appellante]. Het Bureau heeft zijn conclusie over het bestaan van ernstig gevaar bovendien ten onrechte gebaseerd op de conclusie dat de strafbare feiten die vermoedelijk door [persoon A] zijn gepleegd, samenhangen met activiteiten waarvoor [appellante] vergunningen heeft aangevraagd, aldus [appellante]. [appellante] verwijst daartoe naar de in de memorie van toelichting bij artikel 3 van de Wet bibob (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 882, nr. 3, blz. 62) en op de website www.justis.nl vermelde voorbeelden van samenhang. Samenhang ontbreekt in dit geval eveneens, omdat het gestelde geweld nooit buitenshuis heeft plaatsgevonden, de aanleiding daarvoor niet in drankgebruik van [persoon A] is gelegen en geweldpleging in een parenclub ertoe zal leiden dat klanten wegblijven, hetgeen uiteindelijk tot het faillissement van die parenclub zal leiden, aldus [appellante].

5.1. Ten aanzien van de ingevolge artikel 3:9 van de Awb geldende vergewisplicht heeft de Afdeling eerder (onder meer in voormelde uitspraak van 20 juli 2011) overwogen, dat een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van diens advies mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

5.2. Ten aanzien van hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de aannemelijkheid dat [persoon A] strafbare feiten heeft gepleegd, overweegt de Afdeling het volgende.

5.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:331), valt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens af te leiden dat, wil de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM, van toepassing zijn, hetzij sprake moet zijn van een "criminal charge", bijvoorbeeld in een punitieve bestuursrechtelijke procedure, hetzij sprake moet zijn van een niet-punitieve bestuursrechtelijke procedure waarbij het bestuursorgaan terugvalt op het feit dat een strafrechtelijke procedure aanhangig is, dan wel op een nog niet onherroepelijke veroordeling. Nu geen van deze situaties zich in deze zaak voordoet, is artikel 6, tweede lid, van het EVRM, anders dan [appellante] stelt, in dit geval niet van toepassing.

5.2.2. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in voormelde uitspraak van 20 juli 2011, is het in artikel 3 van de Wet bibob genoemde begrip "vermoeden" betrokken op het in relatie staan tot strafbare feiten en niet op die strafbare feiten. Ten aanzien van die strafbare feiten is niet vereist dat die op grond van een onherroepelijke veroordeling van de dader in rechte zijn vastgesteld. Wel moet aannemelijk zijn dat die strafbare feiten zijn gepleegd. Dat betekent dat zozeer waarschijnlijk is dat die feiten hebben plaatsgevonden, dat ze daarom als vaststaand behoren te worden aangenomen. Een vermoeden dat een feit heeft plaatsgevonden, houdt daarentegen slechts een veronderstelling in, waarvan de houdbaarheid nader bewijs vergt. Dat een feit redelijkerwijs kan worden vermoed te hebben plaatsgevonden, houdt in dat voor dit vermoeden een begin van bewijs aanwezig is en dat het vermoeden aldus een objectieve grondslag heeft, aldus de Afdeling in die uitspraak.

5.2.3. Het advies van het Bureau vermeldt dat voormelde strafzaak tegen [persoon A] wegens gewijzigde omstandigheden is geseponeerd en verwijst daarbij naar een e-mail van het openbaar ministerie van 2 oktober 2015 waarin staat: "verdachte is individueel en met partner (slachtoffer) in therapie gegaan en dit verloopt goed. Slachtoffer verzocht de zaak te seponeren en de politie zou hebben toegezegd dat, indien het paar meewerkte aan de aangifte, de zaak waarschijnlijk zou worden geseponeerd. Vervolgens kreeg het paar ook een oproep van 'steunpunt huiselijk geweld' waar zij nog regelmatig heen gaan/gingen. Ik zie geen andere aanleiding dan deze brief die heeft geleid tot de beslissing te seponeren." Het Bureau komt evenwel tot de conclusie dat een ernstig vermoeden bestaat dat [persoon A] op 28 mei 2012 en op verschillende tijdstippen in de vijf daaraan voorafgaande jaren in de huiselijke sfeer geweldsdelicten tegen [persoon B] heeft gepleegd op grond van het vermelde in een proces-verbaal van aangifte van 28 mei 2012, een proces verbaal van verhoor van verdachte van 28 mei 2012 en een proces-verbaal van bevindingen van 29 mei 2012. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van verdachte heeft [persoon A] bevestigd dat hij [persoon B], als vermeld in het proces-verbaal van aangifte, op 28 mei 2012 in de thuissituatie heeft geslagen. Uit deze processen-verbaal blijkt tevens dat [persoon A] in de vijf daaraan voorafgaande jaren meer dan één keer in de thuissituatie fysiek geweld tegen [persoon B] heeft gebruikt. [persoon A] heeft te kennen gegeven dat hij alle keren dat hij [persoon B] heeft geslagen, alcoholhoudende drank had genuttigd. Het proces-verbaal van bevindingen vermeldt dat een verbalisant op 29 mei 2012 heeft waargenomen dat [persoon B] een rode krans op haar keel en wang had, dat aan de rechterzijde van haar gezicht beurse plekken zaten, dat deze plekken ter hoogte van haar kaaklijn en jukbeen enigszins groen/blauw van kleur waren en dat een beurse plek bij haar kin rood was. Aldus de conclusie van het Bureau over door [persoon A] gepleegde geweldsdelicten.

De conclusie dat een ernstig vermoeden bestaat dat [persoon A] op 5 februari 2015 een verboden wapen in bezit heeft gehad, heeft het Bureau blijkens zijn advies gebaseerd op een mutatie van de regionale eenheid Noord-Holland van 5 februari 2015 waarin staat: "[persoon A] kwam een luchtdrukwapen gelijkend op echt wapen inleveren. Had hierover telefonisch contact gehad met [collega] van bijzondere wetten. Afstandsverklaring en KVI opgemaakt. Wapen in wapenkluis Mallegatsplein gedaan." en op een afstandsverklaring van 5 februari 2015 waarin [persoon A] verklaart: "Teneinde dit voorwerp ik weet dat het voor de wet aangerekend wordt als zijnde een echt wapen, wil ik niet meer in mijn bezit hebben." Het aanvullend advies van het Bureau vermeldt dat het door [persoon A] ingeleverde luchtdrukwapen in de mutatie van 5 februari als volgt wordt omschreven: "luchtdrukwapen, Heckler & Koch Usp, kleur zwart, Nederland, registratienummer […], serienummer […], bijzonderheden hk luchtdrukpistool, gelijkend op incl 1 patronenhouder". Verder maakt het aanvullend advies melding van een e-mail van 14 december 2015 waarin de regionale eenheid Noord-Holland het Bureau desgevraagd als volgt heeft geantwoord. "Dit wapen is niet bij het WME aangekomen voor onderzoek. Het wapen is bij het KBH te Haarlem afgestort in een integricontainer (bijgevoegd een afdruk van het beslagportaal). Er is geen 'wapen beschrijving' gemaakt. Naar aanleiding van de in deze zaak opgemaakte stukken kan en ga ik geen uitspraken doen over het soort en categorie van dit wapen." Het aanvullend advies vermeldt dat het Bureau op grond van de mutatie van 5 februari 2015 aannemelijk acht dat het wapen dat [persoon A] voorhanden heeft gehad een luchtdrukreplica is van een Heckler & Koch pistool. Het gaat blijkens die mutatie om een replica van een USP, een zogenoemde Universale Selbtsladepistole. Dat is een semiautomatisch pistool, ontwikkeld door de Duitse wapenfabrikant Heckler & Koch. Replica's van deze wapens worden in ieder geval gefabriceerd door Uramex en onder andere gebruikt voor het uitoefenen van de militaire simulatiesport Airsoft. Deze wapens worden in de volksmond ook wel BB-guns genoemd en zijn nauwelijks van echt te onderscheiden. Derhalve zijn de wapens naar het oordeel van het Bureau voor bedreiging of afdreiging geschikt en vallen zij daarmee onder categorie I van de Wwm, zodat het voorhanden hebben van een dergelijk wapen ingevolge artikel 13 strafbaar is. In het aanvullend advies kent het Bureau ten slotte betekenis toe aan voormelde inhoud van de afstandsverklaring van [persoon A] van 5 februari 2015.

5.2.4. Hoewel het Bureau, doordat het heeft beoordeeld of een ernstig vermoeden bestaat dat [persoon A] geweldsdelicten heeft gepleegd, van een onjuiste bewijsmaatstaf is uitgegaan, kan [appellante] niet worden gevolgd in haar stelling dat op grond van de inhoud van de hiervoor onder 5.2.3 weergegeven processen-verbaal niet aannemelijk is dat [persoon A] op 28 mei 2012, alsmede op meer dan één tijdstip in de vijf daaraan voorafgaande jaren, geweldsmisdrijven heeft gepleegd. Dat [persoon A] nimmer strafrechtelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsmisdrijf doet daaraan niet af, gezien hetgeen de Afdeling eerder in haar uitspraak van 20 juli 2011 heeft overwogen. Dat de strafzaak tegen [persoon A] is geseponeerd, doet daaraan evenmin af, omdat het openbaar ministerie die strafzaak niet wegens onvoldoende bewijs heeft geseponeerd. Vergelijk in dit geval de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:333.

5.2.5. [appellante] voert terecht aan dat de hiervoor onder 5.2.3 weergegeven informatie niet aannemelijk maakt dat [persoon A] op 5 februari 2015 een verboden wapen in bezit heeft gehad. Een luchtdrukwapen is een categorie IV wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wwm, tenzij dat wapen een sprekende gelijkenis met een vuurwapen vertoont in de zin van artikel 3 van de Rwm. In het geval van een sprekende gelijkenis is een luchtdrukwapen een categorie I wapen. Het voorhanden hebben van een categorie I wapen is ingevolge artikel 13, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 55, eerste lid, van de Wwm verboden en strafbaar. Het voorhanden hebben van een categorie IV wapen is ingevolge artikel 26, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 54, alleen verboden en strafbaar voor personen die, anders dan [persoon A], de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt. [persoon A] heeft in zijn afstandsverklaring, door te verklaren dat het wapen "voor de wet aangerekend wordt als zijnde een echt wapen", niet te kennen gegeven dat het om een categorie I wapen gaat, omdat een categorie IV wapen in de Wwm ook als een wapen wordt aangemerkt. Nu vaststaat dat het door [persoon A] ingeleverde luchtdrukwapen is vernietigd, kan niet meer worden vastgesteld of het wapen een sprekende gelijkenis met een vuurwapen vertoont. Nu voorts uit de e-mail van de regionale eenheid Noord Holland van 14 december 2015 kan worden afgeleid dat de in de mutatie van 5 februari 2015 vermelde aanduiding van het wapen geen deskundige wapenbeschrijving is aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of het wapen een categorie I wapen is, heeft de burgemeester de conclusie van het Bureau over verboden wapenbezit in strijd met zijn vergewisplicht aan het besluit van 14 maart 2016 ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

5.3. Ten aanzien van hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob, overweegt de Afdeling het volgende.

5.3.1. Voor zover het Bureau zijn conclusie over het bestaan van ernstig gevaar op verboden wapenbezit van [persoon A] heeft gebaseerd, heeft de burgemeester, gezien hetgeen hiervoor onder 5.2.5 is overwogen, die adviezen in strijd met de op hem rustende vergewisplicht aan het besluit van 14 maart 2016 ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Voor zover het Bureau die conclusie heeft gebaseerd op de geweldsdelicten waarvan aannemelijk is dat [persoon A] die heeft gepleegd, overweegt de Afdeling het volgende.

5.3.2. Het Bureau heeft geconcludeerd dat in dit geval ernstig gevaar bestaat dat [appellante] de aangevraagde vergunningen, indien verleend, mede zal gaan gebruiken voor het plegen van strafbare feiten. Bij brief van 3 december 2015 heeft de burgemeester het Bureau gevraagd hoe het strafrechtelijke sepot zich verhoudt tot de aldus in het advies vastgestelde mate van gevaar. Blijkens het aanvullend advies heeft het Bureau daarop geantwoord dat het sepot, gezien de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, hiervoor vermeld onder 5.2.4, irrelevant is voor de beoordeling van de mate van gevaar.

5.3.3. Anders dan het Bureau in het aanvullend advies heeft gesteld, is in de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015 geen grond gelegen voor het oordeel dat het sepot irrelevant is voor de beoordeling of in dit geval ernstig gevaar in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet bibob bestaat. Deze beoordeling beperkt zich immers niet tot de vraag of aannemelijk is dat [persoon A] strafbare feiten heeft gepleegd, maar ziet op de vraag of ernstig gevaar bestaat dat [appellante] de aangevraagde vergunningen mede zal gaan gebruiken om in de toekomst strafbare feiten te plegen. De strafzaak waarin [persoon A] als verdachte van het plegen van een geweldsmisdrijf op 28 mei 2012 is vervolgd, is wegens gewijzigde omstandigheden geseponeerd. Volgens de Aanwijzing houdt deze sepotgrond in: "Verbeterd levensgedrag van verdachte; dan wel omstandigheden die tot het delict hebben geleid of die tot recidive zouden kunnen leiden, bestaan niet meer of zijn in belangrijke mate gewijzigd". De hiervoor onder 5.2.3 weergegeven e-mail van het openbaar ministerie van 2 oktober 2015 vermeldt de redenen die in dit geval tot de toepassing van deze sepotgrond hebben geleid. Nu de strafzaak tegen [persoon A] is geseponeerd wegens verbeterd levensgedrag van [persoon A], dan wel wegens wijziging of niet meer bestaan van omstandigheden die tot het delict hebben geleid of tot recidive zouden kunnen leiden, biedt de enkele omstandigheid dat aannemelijk is dat [persoon A] de desbetreffende strafbare feiten heeft gepleegd onvoldoende grondslag voor het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Voor zover het Bureau zijn conclusie over het bestaan van ernstig gevaar heeft gebaseerd op de geweldsdelicten waarvan aannemelijk is dat [persoon A] die heeft gepleegd, heeft de rechtbank derhalve evenmin onderkend dat de burgemeester die adviezen in strijd met de op hem rustende vergewisplicht aan het besluit van 14 maart 2016 ten grondslag heeft gelegd.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellante] overigens in hoger beroep over de toepassing van de Wet bibob heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 maart 2016 van de burgemeester alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob voor vernietiging in aanmerking.

7. De burgemeester moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juni 2016 in zaken nrs. 16/1247 en 16/1248;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Cuijk van 14 maart 2016, kenmerk Z/C/16/27742 - UIT/C/16/43440;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt de burgemeester van Cuijk tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de burgemeester van Cuijk aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 834,00 (zegge: achthonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Borman w.g. Robben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op

610.

Het EVRM

Artikel 6

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

De Awb

Artikel 3:9

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […]

Artikel 8:113

2. Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.

De Wet bibob

Artikel 3

1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

[…], of

b. strafbare feiten te plegen.

3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

[…],

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Artikel 7

1. Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2. Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen.

Artikel 8

Er is een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 9

1. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen, voorzover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de ernst van de feiten […].

De DHW

Artikel 3

1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Artikel 27

3. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet [bibob].

4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet [bibob], om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

De Wwm

Artikel 2

1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

[…];

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

[…]

Categorie IV

[…];

4°. lucht-, gas- en veerdrukwapens, behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn;

[…].

Artikel 13

1. Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan.

Artikel 26

5. Het is personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt verboden een wapen van categorie IV voorhanden te hebben.

Artikel 54

Met geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die handelt […] in strijd met [artikel] 26, vijfde lid […].

Artikel 55

1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met de artikel […] 13, eerste lid […].

Artikel 56

[…] De in artikel 55 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

De Rwm

Artikel 3

Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens […];

[…].

De Apv

Artikel 3:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

[…]

c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

[…].

Artikel 3:2

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3:4

1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

De Aanwijzing

Punt 4

Voor elke sepotbeslissing wordt de motivering - de sepotgrond - aangetekend in het strafdossier. Wanneer op meer dan één grond wordt geseponeerd, worden de sepotgronden in volgorde van belangrijkheid genoteerd (beginnend met de belangrijkste sepotgrond). Alle gronden worden doorgegeven aan de justitiële documentatiedienst.

De officier van justitie registreert de sepotgrond(en) door middel van (een) cijfercode(s) (zie de bijlage).

[…]

Bijlage 1

Overzicht sepotgronden

Technische sepots

[…]

Beleidssepots

[…]

Gronden die samenhangen met de persoon van verdachte

[…]

[…]