Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201709827/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:10241, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2016 heeft het college van gedeputeerde staten aan Boskalis Nederland Infra B.V. omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het in het provinciale inpassingsplan "Buitenring Parkstad Limburg 2012" (hierna: het inpassingsplan 2012) opgenomen dwarsprofiel te hoogte van metrering 5200 te Brunssum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/818
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709827/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Brunssum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 oktober 2017 in zaken nrs. 17/93 en 17/1255 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2016 heeft het college van gedeputeerde staten aan Boskalis Nederland Infra B.V. omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het in het provinciale inpassingsplan "Buitenring Parkstad Limburg 2012" (hierna: het inpassingsplan 2012) opgenomen dwarsprofiel te hoogte van metrering 5200 te Brunssum.

Bij besluit van 1 december 2016 heeft het college van gedeputeerde staten het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 december 2016 heeft het college van gedeputeerde staten het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen Boskalis afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2017 heeft het college van gedeputeerde staten het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2017 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 1 december 2016 en 24 april 2017 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college van gedeputeerde staten heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2018, waar [appellant], het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. E.H.J. Eussen, R.P.T. Kengen, mr. Y. Schönfeld, ing. J. van Rooij en mr. M.J.G. Snijders, en Boskalis, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij besluit van 29 juni 2012 hebben provinciale staten het inpassingsplan 2012 vastgesteld. Met de vaststelling van het inpassingsplan 2012 wordt voorzien in de aanleg van een ongeveer 26 km lange ringweg (de Buitenring Parkstad Limburg) in het gebied van de Stadsregio Parkstad Limburg. Het inpassingsplan 2012 is met de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:706, in rechte onaantastbaar geworden.

2. Artikel 7.1 van het inpassingsplan 2012 luidt:

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen, met niet meer dan 2 x 2 rijstroken, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten en de daarbij behorende bermen en taluds ingericht volgens de op de verbeelding aangeduide dwarsprofielen;

[..]."

Het dwarsprofiel ter hoogte van metrering 5200 is als volgt afgebeeld.

Artikel 7.4.1 luidt:

"Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het inrichten van gronden in afwijking van de aangegeven dwarsprofielen.

Artikel 7.5 luidt:

"Gedeputeerde Staten kunnen, in geval het bepaalde in artikel 2.5 niet toereikend is, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1 sub a. en lid 7.4.1 en toestaan dat van de aangegeven dwarsprofielen wordt afgeweken:

a. indien en voor zover uit overleg met de wegbeheerder blijkt dat daartegen uit hoofde van het wegbeheer, de verkeersveiligheid daaronder begrepen, geen bezwaar bestaat, en

b. indien geen wezenlijke verslechtering van de geluidsituatie optreedt. Van een wezenlijke verslechtering van de geluidsituatie is sprake wanneer:

1. de geluidbelasting op (de gevel van) een geluidgevoelig object de wettelijke voorkeurswaarde overschrijdt en voor dit object geen hogere grenswaarde geldt;

2. de geluidbelasting op (de gevel van) een geluidgevoelig object de toegestane verleende hogere grenswaarde overschrijdt;

3. de geluidbelasting een extra verstoring van de Natura2000-gebieden, de Brunssummerheide en het Geleenbeekdal, ten gevolge heeft;

c. indien en voor zover daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 nodig is."

3. Het project ziet op de wijziging van het dwarsprofiel ter hoogte van metrering 5200 in die zin dat zowel aan de noord- als de zuidzijde de hellingsgraad of schuinte van het talud wordt verminderd. Het project is in strijd met de ter plaatse ingevolge het inpassingsplan 2012 geldende bestemming "Verkeer". Het voorziene dwarsprofiel zal er (bij benadering) als volgt uit komen te zien.

4. [ appellant] woont op het perceel [locatie] te Brunssum dat grenst aan de Buitenring Parkstad Limburg ter hoogte van metrering 4920. [appellant] vreest dat als gevolg van de vermindering van de hellingsgraad van het talud de geluidsbelasting op zijn woning zal toenemen.

5. Het college van gedeputeerde staten heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wet algemene bepalingen in samenhang gelezen met artikel 7.5 van het inpassingsplan 2012 omgevingsvergunning verleend voor het project.

Het college heeft aan zijn besluitvorming het advies van Witteveen+Bos van 2 juni 2015 ten grondslag gelegd, waarin is geconcludeerd dat ter plaatse van de woning van [appellant] de voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting, die als gevolg van de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg ter plaatse 48 dB bedraagt, niet wordt overschreden en de geluidbelasting een fractie lager ligt, te weten 1,5 dB, dan de in het kader van de totstandkoming van het inpassingsplan 2012 berekende geluidsbelasting. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat door verlening van de omgevingsvergunning de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] niet zal toenemen en de voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting niet wordt overschreden.

Omgevingsvergunning

6. [ appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om af te wijken van het bepaalde in lid 7.1 sub a. en lid 7.4.1 en toe te staan dat van de aangegeven dwarsprofielen wordt afgeweken. Volgens [appellant] treedt ter plaatse van zijn woning een wezenlijke verslechtering van de geluidssituatie op, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden om toepassing te kunnen geven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.5 van het inpassingsplan. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat sprake is van een afname van de geluidbelasting op de gevel van zijn woning en heeft miskend dat zich een toename van de geluidsbelasting op (de gevel van) zijn woning voordoet. De rechtbank heeft miskend dat voor een vergelijking van de geluidsbelasting in de omgevingsvergunningsprocedure gerekend had moeten worden met hetzelfde Reken- en meetvoorschrift in de inpassingsplanprocedure, te weten Reken- en Meetvoorschrift 2006, en dat Witteveen+Bos bij de berekening in het advies van 2 juni 2015 ten onrechte gebruik hebben gemaakt van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. De rechtbank heeft miskend dat rekening had moeten worden gehouden met een toename van het verkeer. De rechtbank heeft verder miskend dat het geluidsrapport, vanwege onjuiste berekeningen, niet aan het besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. De taludverhouding ter hoogte van zijn woning en elders langs de woonwijk wijkt af van de bij het besluit van 1 december 2016 vergunde taludverhouding, als ook van de taludverhouding ter hoogte van metrering 5200 uit het inpassingsplan 2012. Ten onrechte is bij de berekening van het vergunde gewijzigde dwarsprofiel ter hoogte van metrering 5200 uitgegaan. De rechtbank heeft voorts miskend dat hetgeen ter zitting door het college van gedeputeerde staten is aangevoerd over het effect van het verschuiven van het talud richting de weg als een verzonnen argument moet worden gezien.

6.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde om af te wijken van het bepaalde in lid 7.1 sub a. en lid 7.4.1 en toe te staan dat van de aangegeven dwarsprofielen wordt afgeweken als bedoeld in artikel 7.5, aanhef en onder b, onder 1, van het inpassingsplan 2012. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een wezenlijke verslechtering van de geluidssituatie en heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van Witteveen+Bos van 2 juni 2015. In dit advies is geconcludeerd dat ter plaatse van de woning van [appellant] de voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting, die als gevolg van de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg ter plaatse 48 dB bedraagt, niet wordt overschreden en de geluidbelasting een fractie lager ligt, te weten 1,5 dB, dan de in het kader van de totstandkoming van het inpassingsplan 2012 berekende geluidsbelasting.

Het door [appellant] aangevoerde biedt geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusie in het advies van Witteveen+Bos van 2 juni 2015, gelet op het navolgende.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 op 1 juli 2012 in werking is getreden (Staatscourant 2012, nr. 11810) en op grond van artikel 8.1 van dat voorschrift het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 is ingetrokken, zodat het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012, anders dan [appellant] betoogt, van toepassing is op de omgevingsvergunning van 23 juni 2016.

Voor zover [appellant] stelt dat bij de berekening van de geluidsbelasting ten onrechte geen rekening is gehouden met een toename van het verkeer in de regio door een beperktere krimp van de bevolkingsgroei dan waar eerder vanuit werd gegaan, biedt dit geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het advies van Witteveen+Bos of althans dat de daarmee gepaard gaande toename van het verkeer zodanig is dat de geluidbelasting op zijn woning de wettelijke voorkeurswaarde overschrijdt. Een concrete onderbouwing door middel van een berekening ontbreekt.

Voor zover [appellant] stelt dat bij de berekening van de geluidbelasting ten onrechte is uitgegaan van de voorziene taludverhouding van het dwarsprofiel ter hoogte van metrering 5200, omdat de taludverhouding ter hoogte van zijn woning daarvan afwijkt en de berekening alleen al om die reden niet juist kan zijn, wordt als volgt overwogen. Vooropgesteld zij dat niet voor ieder wegdeel dwarsprofielen in het inpassingsplan 2012 zijn opgenomen. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat met betrekking tot de locatie van de dwarsprofielen duidelijk is hoe de inrichting er uit moet zien en dat voor de daar tussenliggende weggedeelten moet worden uitgegaan van geleidelijke en logische overgangen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college ter zake heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7022 met betrekking tot het voorheen geldende inpassingsplan 2010. De Afdeling heeft in die uitspraak over de in het inpassingsplan 2010 opgenomen regeling met betrekking tot de dwarsprofielen, die overeenkomt met het inpassingsplan 2012, overwogen dat het standpunt van provinciale staten dat het inpassingsplan voldoende duidelijk is, niet onjuist wordt geacht. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat een op ruime afstand van een bepaald wegdeel ingetekend dwarsprofiel geen bindende kracht heeft voor verder weggelegen weggedeelten als niet expliciet in de planregels is bepaald dat het dwarsprofiel voor het gehele weggedeelte geldt. Vast staat dat in het inpassingsplan 2012, noch in de omgevingsvergunning voor het gewijzigde dwarsprofiel is bepaald dat het dwarsprofiel ter hoogte van metrering 5200 voor het gehele weggedeelte, en meer specifiek ter hoogte van de woning van [appellant], geldt. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat bij de berekening van de geluidsbelasting ter hoogte van zijn woning, waarbij gebruik is gemaakt van een 3D-model, niet is uitgegaan van geleidelijke en logische overgangen tussen de dwarsprofielen.

Ter zitting heeft geluidsdeskundige J. van Rooij, net als bij de rechtbank, toegelicht dat het verschuiven van het talud richting de geluidsbron, de weg, een afschermend effect heeft waardoor ter plaatse van de woning van [appellant], alsmede de rest van het gebied waar de taluds minder steil worden, de geluidbelasting, ondanks de omstandigheid dat berekeningen met gebruikmaking van Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 in het algemeen tot hogere geluidwaardes leiden dan onder het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, toch lager bleek dan voorheen. De enkele omstandigheid dat niet reeds bij de totstandkoming van het inpassingsplan 2012 voor deze verschuiving van het talud richting de geluidsbron is gekozen biedt onvoldoende grond om aan de uitleg van Van Rooij te twijfelen.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de verwijzing naar het artikel van ir. G. Janssen, ir. J. Hooghwerff en mr. L.P. de Wit [appellant] niet kan baten, nu dit artikel geen betrekking heeft op de situatie zoals die zich ter plaatse voordoet, maar daarin slechts in het algemeen uitspraken worden gedaan over uitkomsten van berekeningen op grond van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.

Uit het voorgaande volgt dat het college het advies van Witteveen+Bos aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat door verlening van de omgevingsvergunning de geluidsbelasting niet zal toenemen en de voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting niet wordt overschreden.

Het betoog faalt.

7. [ appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het gewijzigde dwarsprofiel. Volgens [appellant] handelt het college van gedeputeerde staten hiermee in strijd met een eerder gedane toezegging in de procedure bij de Afdeling met betrekking tot het inpassingsplan 2012 dat de taluds op het traject van de buitenring gelegen langs de gehele woonwijk Amstenraderveld in een verhouding van 2:1 zullen worden aangelegd.

7.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan, of in dit geval het inpassingsplan 2012, geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Het college van gedeputeerde staten kan bijvoorbeeld op grond van gewijzigde planologische inzichten afwijken van het inpassingsplan, doch daaraan dient een deugdelijke motivering ten grondslag te liggen. Wat verder ook zij van een door het college gedane toezegging in de procedure bij de Afdeling met betrekking tot het inpassingsplan 2012, biedt bovendien de in artikel 7.5 van de regels van het inpassingsplan 2012 neergelegde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, die deel uitmaakt van een in rechte onaantastbaar geworden inpassingsplan, het college onder voorwaarden de mogelijkheid om af te wijken van de in het inpassingsplan 2012 opgenomen dwarsprofielen.

Het college van gedeputeerde staten heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat omwille van een aantal ontwikkelingen is besloten het talud niet in overeenstemming met het inpassingsplan 2012 te brengen en toepassing te geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat provinciale staten in oktober 2015 een motie hebben aangenomen en de projectorganisatie opgedragen om versoberingen in het gehele project door te voeren zonder dat de leefbaarheid en de natuur negatief worden beïnvloed, dat door het talud niet verder te ontgraven een besparing kan worden gerealiseerd zonder dat de leefbaarheid en de natuur worden aangetast, in de thans aanwezige situatie de insteek van het talud nagenoeg gelijk is aan die in de situatie in het inpassingsplan 2012 en geen sprake is van een verslechtering van de geluidbelasting, maar zelfs sprake van een verbetering. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op de gewijzigde inzichten bij het college, en in aanmerking genomen dat is voldaan aan de ter zake in het inpassingsplan 2012 opgenomen afwijkingsvoorwaarden en niet is gebleken dat [appellant] in zijn belangen is geschaad, aangezien de geluidsbelasting op zijn woning afneemt ten opzichte van de in het inpassingsplan 2012 voorziene weginrichting, de afwijking van het inpassingsplan 2012 deugdelijk is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

8. [ appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten in strijd handelt met de door provincinciale staten op 9 oktober 2015 aangenomen motie 673, nu de leefbaarheid ter plaatse van zijn woning als gevolg van de realisering van het gewijzigde dwarsprofiel zal worden aangetast. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat het college van gedeputeerde staten geen versoberingen mocht doorvoeren en daarom niet bevoegd was de vergunning te verlenen.

8.1. In de op 9 oktober 2015 aangenomen motie 673 is het college van gedeputeerde staten opgeroepen:

"- bij huidige en eventuele toekomstige tekorten bij het project Buitenring Parkstad geen versoberingen van maatregelen ter bescherming van natuur of behoud van leefbaarheid door te voeren;

- uitsluitend besparingen of optimaliseringen van de Buitenring Parkstad na te streven waarvan onomstotelijk vaststaat dat deze de leefbaarheid of kwaliteit van natuur niet aantasten".

Zoals hiervoor is overwogen onder 6.1 heeft het college het advies van Witteveen+Bos aan zijn besluitvorming ten grondslag kunnen leggen en zich op het standpunt kunnen stellen dat door verlening van de omgevingsvergunning de geluidsbelasting niet zal toenemen en de voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting niet wordt overschreden. De rechtbank heeft, gelet daarop, terecht overwogen dat [appellant] niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat de leefbaarheid voor wat betreft het aspect geluid wordt aangetast. Daargelaten of [appellant] zich in deze procedure kan beroepen op de op 9 oktober 2015 door Provinciale Staten aangenomen motie 673, bestaat geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd is met deze motie.

Het betoog faalt.

Afwijzing verzoek om handhaving

9. [ appellant] betoogt dat de rechtbank het handhavingsverzoek te beperkt heeft opgevat. Hij stelt dat zijn verzoek het tracégedeelte langs de gehele woonwijk Amstenraderveld betreft (metrering 4800 tot 6000) en niet uitsluitend de situatie ter hoogte van dwarsprofiel 5200. Verder stelt hij dat zijn handhavingsverzoek zich niet beperkt tot de afwijking met betrekking tot de verhouding van de taluds, maar ook ziet op de vervallen inzijgsloten aan weerszijden van de weghelften van het tracé zoals aangegeven op de dwarsdoorsnede 5200 die deel uitmaakt van het inpassingsplan 2012, de ligging van de as van de weg, de situering van het viaduct over de Buitenring op de Brunsummerweg alsmede het mogelijk bouwen op grond van de bestemming "Agrarisch met waarden". De rechtbank heeft miskend dat de taludverhouding achter zijn woning niet conform het inpassingsplan 2012 en ook niet overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning is uitgevoerd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de stelling met betrekking tot de verlegging van de as van de weg voorts wel geconcretiseerd. [appellant] wijst er verder op dat aan het vervallen van de inzijgsloten en het vervangen ervan door een riolering met aansluiting op het bestaande rioleringsnet middels pompen, en de mogelijk onjuiste situering van het viaduct door de rechtbank ten onrechte geen aandacht is geschonken.

9.1. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het verzoek om handhaving te beperkt heeft opgevat. Het verzoek om handhaving ziet op het weggedeelte gelegen tussen metrering 4800 en 6000. Zoals hiervoor is overwogen onder 6.1 gelden niet voor ieder wegdeel dwarsprofielen. Vast staat dat binnen het weggedeelte waarop het verzoek om handhaving ziet uitsluitend voor metrering 5200 een dwarsprofiel is opgenomen. Bij besluit van 27 juni 2016 is voor deze metrering een gewijzigd dwarsprofiel vastgesteld. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.1, 7.1 en 8.1 volgt dat dit besluit in rechte stand kan houden. De verleende omgevingsvergunning voor het gewijzigde dwarsprofiel en het inpassingsplan 2012, voor zover niet gewijzigd met de omgevingsvergunning, vormen het toetsingskader met betrekking tot het verzoek om handhaving van [appellant].

Het college heeft aan de afwijzing van het verzoek van [appellant] een controlerapport van 21 november 2016 ten grondslag gelegd waarin is geconstateerd dat ter zake geen sprake is van overtredingen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze constatering van het college na inspectie ter plaatse onjuist is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2986. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, nu in het inpassingsplan 2012 niet is bepaald dat de dwarsprofielen voor het gehele weggedeelte gelden en dit ook niet in de omgevingsvergunning is bepaald, uitgegaan moet worden van geleidelijke en logische overgangen tussen de dwarsprofielen. De omstandigheid dat de taludverhouding ter plaatse van de woning van [appellant] mogelijk niet gelijk is aan de taludverhouding van het bij besluit van 1 december 2016 vergunde dwarsprofiel, levert, wat daar verder van zij, geen strijd op met de omgevingvergunning voor het dwarsprofiel of het inpassingsplan 2012, indien die taludverhouding het resultaat is van geleidelijke en logische overgangen tussen de dwarsprofielen. Het is niet gebleken dat van dit laatste geen sprake is.

Er is voorts niet gebleken dat met betrekking tot de as van de weg sprake is van een overtreding van de omgevingsvergunning of het inpassingsplan 2012. Het college heeft toegelicht dat de as van de weg binnen de verkeersbestemming is gelegen. [appellant] heeft dit niet betwist.

Voor zover [appellant] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het vervallen van de inzijgsloten en het vervangen ervan door riolering met aansluiting op het bestaande rioleringsnet middels pompen, alsmede het infiltreren van hemelwater binnen het plangebied, wordt overwogen dat [appellant] bij de rechtbank geen beroepsgrond heeft aangevoerd die daar op ziet. Voor het oordeel dat de rechtbank zich daar ten onrechte niet over uit heeft gelaten bestaat dan ook geen grond.

Voor zover [appellant] stelt dat zijn handhavingsverzoek ook ziet op de situering van het viaduct over de Buitenring op de Brunsummerweg en het mogelijk bouwen op grond van de bestemming "Agrarisch met waarden" wordt overwogen dat [appellant] hier niet op heeft gewezen in zijn verzoek om handhaving van 15 oktober 2016. Verzoeken om handhaving kunnen na een beslissing daarop niet meer worden uitgebreid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI: NL:RVS:2014:4517.

Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kos

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018

580.