Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201705897/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3794, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant sub 1] heeft op 13 mei 2016 een aanvraag ingediend ter legalisatie van de verbouwing van een gedeelte van het pand tot drie appartementen. Het gebruik van een gedeelte van het pand als woning is in strijd met de bestemming "Bedrijventerrein" die het bedrijventerrein Kreitenmolen, waarop het pand is gelegen, ingevolge het bestemmingsplan "Kreitenmolen 2011" (hierna: het bestemmingsplan) heeft. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bewoning op het bedrijventerrein om milieutechnische redenen niet wenselijk acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705897/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juni 2017 in zaak nr. 16/9814 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 1] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van het pand aan de [locatie] te Udenhout (hierna: het pand).

Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2018, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. F.C.J.J. Jessen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door L.P.A. Janssen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant sub 1] heeft op 13 mei 2016 een aanvraag ingediend ter legalisatie van de verbouwing van een gedeelte van het pand tot drie appartementen. Het gebruik van een gedeelte van het pand als woning is in strijd met de bestemming "Bedrijventerrein" die het bedrijventerrein Kreitenmolen, waarop het pand is gelegen, ingevolge het bestemmingsplan "Kreitenmolen 2011" (hierna: het bestemmingsplan) heeft. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bewoning op het bedrijventerrein om milieutechnische redenen niet wenselijk acht.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

2.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het college zich, gelet op de bedrijfsactiviteiten die op de omliggende percelen zijn toegestaan, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlening van de vergunning in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hij wijst er op dat de afstand van de appartementen tot het naastgelegen perceel, waar activiteiten van categorie 3.2 zijn toegestaan, ongeveer 50 m bedraagt en dat op dit perceel een aannemingsbedrijf is gevestigd. Volgens [appellant sub 1] heeft het college bij zijn besluit niet in aanmerking genomen dat op grond van artikel 3.1.1, aanhef en onder a, van de planregels de vestiging van risicovolle inrichtingen en inrichtingen die in belangrijke mate geluidshinder veroorzaken op het naastgelegen perceel en elders op het bedrijventerrein is  uitgesloten. Vanuit milieutechnisch oogpunt is er dan ook geen reden de vergunning te weigeren, aldus [appellant sub 1]. In dat kader wijst hij er ook op dat in de omgeving al tal van bedrijfswoningen aanwezig zijn.

2.1.    Artikel 3.1.1 van de planregels luidt: "De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     bedrijven die zijn genoemd in de bij dit plan gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 2 tot en met 3.2, met dien verstande dat risicovolle inrichtingen en inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht jo. artikel 41 van de Wet geluidhinder, niet zijn toegestaan;

[…]."

2.2.    De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsruimte heeft. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning te weigeren heeft kunnen komen.

2.3.    Het college heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat de afstand van de appartementen tot het meest nabij gelegen perceel met de bestemming "Bedrijventerrein" minder dan 20 m bedraagt. Gelet op de afstand tot omliggende percelen en op de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden die de bestemming "Bedrijventerrein" biedt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bewoning op het bedrijventerrein uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de appartementen zijn gelegen binnen de richtafstand van 100 m die volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor activiteiten van categorie 3.2 geldt.

    Dat bepaalde activiteiten, namelijk risicovolle inrichtingen als gedefinieerd in artikel 1.90 van de planregels en inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld artikel 2.1, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht gelezen in samenhang met artikel 41 van de Wet geluidhinder, binnen de bestemming "Bedrijventerrein" niet zijn toegestaan, betekent niet dat het realiseren van de appartementen niet leidt tot een beperking van de activiteiten die op de omliggende percelen mogelijk zijn. Zo worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten ook bedrijfsactiviteiten genoemd die vanwege het aspect geur een richtafstand van 100 m hebben en bedrijfsactiviteiten die deze richtafstand vanwege het aspect geluid hebben en die niet behoren tot de op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht aangewezen inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken.

    Ook het feit dat op enkele van de omliggende percelen bedrijfswoningen zijn gelegen, leidt niet tot de conclusie dat het college de vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hierbij is allereerst van belang dat een bedrijfswoning alleen bestemd is voor een huishouden wiens huisvesting daar - gelet op de werkzaamheden van het bedrijf - noodzakelijk is. De aanvraag van [appellant sub 1] betreft niet een bedrijfswoning, maar drie appartementen. Een noodzaak tot huisvesting op het bedrijventerrein is niet gesteld of gebleken. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit paragraaf 5.2 van de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat de situatie op het bedrijventerrein in het verleden is ontstaan en dat de inzichten over de wenselijkheid van het wonen op een bedrijventerrein sindsdien zijn gewijzigd.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant sub 1] stelt verder dat uit de door hem overgelegde koopovereenkomst uit 1996 blijkt dat de gemeente Udenhout bij de verkoop van het perceel waarop het pand is gerealiseerd aan zijn rechtsvoorganger de toezegging heeft gedaan dat op het perceel een (bedrijfs)woning mag worden gerealiseerd. Toen [appellant sub 1] het perceel met de inmiddels gerealiseerde opstal in 2005 van zijn rechtsvoorganger kocht, was de inpandige woning voor een groot gedeelte al opgericht. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij zijn belangenafweging had moeten betrekken dat de gemeente bij het vaststellen van een nieuwe bestemmingsplan rekening had moeten houden met een eerder verleende bouwtitel en dat hij er op kon vertrouwen dat hij een volwaardige bedrijfswoning in het pand mocht realiseren.

3.1.    De rechtbank heeft onweersproken vastgesteld dat de koopovereenkomst uit 1996 is gesloten tussen derden en de toenmalige gemeente Udenhout, dat uit de koopovereenkomst uit 2005, waarmee [appellant sub 1] het perceel heeft gekocht van zijn rechtsvoorganger en waarbij de gemeente geen partij was, niet blijkt dat hij een (bedrijfs)woning heeft gekocht en dat evenmin is gebleken dat er in dit verband door of namens het college concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Verder voorziet de aanvraag niet in het realiseren van één (bedrijfs)woning, maar in het realiseren van drie appartementen. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij zijn belangenafweging geen groot gewicht heeft hoeven toekennen aan de koopovereenkomst uit 1996. Het college was niet gehouden om op grond van die overeenkomst van het bestemmingsplan af te wijken en heeft na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning kunnen weigeren.

    Het betoog faalt.

Het incidenteel hoger beroep van het college

4.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gevraagde omgevingsvergunning slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan worden verleend. Volgens het college zou de vergunning ook met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo verleend kunnen worden.

4.1.    Het incidenteel hoger beroep van het college richt zich niet tegen dragende overwegingen van de aangevallen uitspraak, zodat dit niet kan leiden tot vernietiging daarvan.

Conclusie

5.    Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Schueler    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018

457-845.