Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201706287/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3939, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 2 november 2015 heeft [appellante] bij het college een aanvraag ingediend voor een permanente ligplaatsvergunning voor de maanden oktober tot en met april voor het [vaartuig]. In de aanvraag is vermeld dat het een ligplaats betreft aan de Piet Heinkade in de binnenhaven van Vlissingen. Op 22 december 2015 heeft het college aan [appellante] medegedeeld voornemens te zijn de aangevraagde ligplaatsvergunning te weigeren. De Piet Heinkade is volgens het college niet gesitueerd in het beheersgebied van de Havenverordening Vlissingen 2009 en valt daarmee niet onder het bereik van het vergunningstelsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706287/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Vlissingen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juni 2017 in zaak nr. 16/8616 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2016 heeft het college geweigerd aan [appellante] een permanente ligplaatsvergunning voor de maanden oktober tot en met april te verlenen voor het [vaartuig].

Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. T.N. Sanders, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door E. van der Mark, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanvraag

1.    Bij brief van 2 november 2015 heeft [appellante] bij het college een aanvraag ingediend voor een permanente ligplaatsvergunning voor de maanden oktober tot en met april voor het [vaartuig]. In de aanvraag is vermeld dat het een ligplaats betreft aan de Piet Heinkade in de binnenhaven van Vlissingen.

    Op 22 december 2015 heeft het college aan [appellante] medegedeeld voornemens te zijn de aangevraagde ligplaatsvergunning te weigeren. De Piet Heinkade is volgens het college niet gesitueerd in het beheersgebied van de Havenverordening Vlissingen 2009 en valt daarmee niet onder het bereik van het vergunningstelsel. Bovendien zou, zelfs als de locatie onder het bereik van het vergunningstelsel zou vallen, de ligplaatsvergunning moeten worden geweigerd, omdat de Piet Heinkade onderdeel uitmaakt van de milieu-inrichting van de Koninklijke Schelde Groep B.V. en verlening van een vergunning aan [appellante] nadelige gevolgen met zich meebrengt die onevenredig zijn in verhouding met de met het besluit te dienen doelen. Nu de gemeente Vlissingen eigenaar is van het aan de ligplaats gelegen terrein wenst het college bovendien geen privaatrechtelijke toestemming te geven voor het innemen van een ligplaats aan de Piet Heinkade.

    [appellante] heeft in haar zienswijze van 4 januari 2015 haar aanvraag gewijzigd en, naast de aangevraagde ligplaats aan de Piet Heinkade, verzocht om een permanente ligplaatsvergunning voor het [vaartuig] in het beheersgebied van de Havenverordening dan wel de gehele binnenhaven van Vlissingen voor de maanden oktober tot en met april van ieder jaar met ingang van het jaar 2016. Daarnaast heeft [appellante] het college verzocht om haar privaatrechtelijke toestemming te verlenen om aan te meren aan de Piet Heinkade.

Besluitvorming college

2.    In het besluit van 8 februari 2016 heeft het college geweigerd aan [appellante] een ligplaatsvergunning te verlenen. Het college heeft aan deze weigering ten grondslag gelegd dat uitsluitend de delen die op de bij de Havenverordening behorende kaart zijn weergegeven onderdeel uitmaken van het beheersgebied. Met het aanwijzen van het beheersgebied is bepaald wat voor het publiek toegankelijke openbare haven- en kadeterreinen zijn waarvoor ligplaatsvergunning verleend kan worden. De terreinen buiten het beheersgebied zijn niet openbaar. De Piet Heinkade is niet gesitueerd in het beheersgebied en daarmee geen voor het publiek toegankelijk openbaar haven- en kadeterrein waarvoor ligplaatsvergunning verleend kan worden.

    Over de aanvraag van [appellante] om een ligplaatsvergunning in het beheersgebied dan wel de binnenhaven heeft het college gesteld dat er geen ligplaats in dat gebied beschikbaar is. De permanente ligplaatsen zijn reeds vergeven, grotendeels door de rechtsvoorganger van het college, Zeeland Seaports. Het college heeft desondanks gekeken naar de mogelijkheid tot het creëren van een nieuwe ligplaats, bovenop de huidige voorraad. De financiële positie van de gemeente maakt echter dat het college ten aanzien van het creëren van nieuwe ligplaatsen geen investeringen kan en mag doen. [appellante] is voorts niet bereid gebleken om die investeringen te doen. Om die reden is de potentiële ligplaats niet toegevoegd aan de huidige voorraad en wordt vanwege de huidige voorraad de aanvraag van [appellante] om een ligplaatsvergunning afgewezen, aldus het college.

    In het besluit op bezwaar van 17 oktober 2016 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften Vlissingen van 29 september 2016, het bezwaar voor zover gericht tegen de weigering om een ligplaatsvergunning aan de Piet Heinkade te verlenen ongegrond verklaard. Voorts heeft het college het bezwaar voor zover gericht tegen de weigering om privaatrechtelijke toestemming te verlenen voor het innemen van een ligplaats aan de Piet Heinkade niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte heeft het college het bezwaar voor zover gericht tegen de weigering om een permanente ligplaatsvergunning in het beheersgebied dan wel de binnenhaven te verlenen ongegrond verklaard. In dat verband heeft het college, in aanvulling op het besluit van 8 februari 2016, erop gewezen dat langszij gaan geen optie is, omdat moet worden voorkomen dat de bestemmingen van de verschillende schepen elkaar in de weg staan.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft, voor zover in deze zaak thans nog van belang, over de weigering van het college een vergunning voor het innemen van een ligplaats op een locatie in de Binnenhaven van Vlissingen, gelegen in het beheersgebied van de Havenverordening, te verlenen, als volgt overwogen. Het college heeft gesteld geen vergunning te kunnen verlenen, omdat de 22 beschikbare ligplaatsen reeds zijn ingenomen. Het college heeft verklaard dat na de overname van de Binnenhaven in 2009 van Zeeland Seaports ten onrechte was verzuimd voor de reeds ingenomen ligplaatsen vergunning te verlenen dan wel deze te verlengen. Het gaat daarbij om betrokkenen met oudere rechten dan [appellante] hetgeen door [appellante] ter zitting van de rechtbank is erkend. Het college heeft die situatie inmiddels hersteld en geformaliseerd door alsnog ligplaatsvergunningen te verlenen aan betrokkenen. Het college heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat de 22 ligplaatsen niet beschikbaar zijn, aldus de rechtbank.

Omvang hoger beroep

4.    Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op de weigering een ligplaatsvergunning te verlenen op een locatie in de Binnenhaven van Vlissingen, gelegen in het beheersgebied van de Havenverordening.

Bespreking hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar ex-nunc in plaats van ex-tunc heeft getoetst. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank bij haar oordeel dat de 22 ligplaatsen niet meer beschikbaar zijn, ten onrechte de omstandigheid heeft betrokken dat het college op 15 november 2016 alsnog ligplaatsvergunningen heeft verleend aan de betrokkenen met oudere rechten. Deze omstandigheid dateert van na het besluit op bezwaar van 17 oktober 2016, zodat de rechtbank deze omstandigheid buiten beschouwing had moeten laten, aldus [appellante].

5.1.    De rechtbank heeft onderzocht of het college zich ten tijde van het besluit op bezwaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen ligplaatsen meer beschikbaar waren als gevolg van het feit dat deze feitelijk waren ingenomen door betrokkenen met oudere rechten die als gevolg van administratieve onzorgvuldigheden geen vergunning hebben ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat geen ligplaatsen meer beschikbaar zijn. In de omstandigheid dat na het besluit op bezwaar de ligplaatsvergunningen aan de betrokkenen met oudere rechten zijn verleend, heeft de rechtbank slechts een bevestiging gezien van haar oordeel dat het college er terecht van is uitgegaan dat ten tijde van belang geen ligplaatsen meer beschikbaar waren. Er bestaat dan ook geen grond voor de stelling dat de rechtbank het besluit op bezwaar ex-nunc heeft getoetst.

    Het betoog faalt.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van schaarse vergunningen en dat het college derhalve een specifieke rechtsnorm in acht had moeten nemen. De verplichtingen die uit deze rechtsnorm voortvloeien, namelijk het geven van een passende mate van openbaarheid over de vergunningprocedure, zodat gegadigden in staat worden gesteld om mee te dingen naar een vergunning, het hebben van een geschikte verdeelprocedure, en het handelen volgens de juiste procedure bij de vergunningverlening zijn door het college niet nageleefd. De rechtbank heeft aldus niet onderkend dat het college in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur, aldus [appellante].

6.1.    [appellante] heeft deze grond voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. [appellante] heeft ter zitting van de Afdeling de stelling ingenomen dat zij deze grond niet reeds bij de rechtbank kon aanvoeren, omdat zij eerst bij kennisneming van de uitspraak van de rechtbank op de hoogte kon zijn van de omstandigheid dat geen vergunningen meer konden worden verleend. Naar het oordeel van de Afdeling mist deze stelling feitelijke grondslag. De Afdeling overweegt daartoe dat het college tijdens de hoorzitting in bezwaar kenbaar heeft gemaakt een voornemen tot ambtshalve vergunningverlening te hebben verzonden naar de betrokkenen met oude rechten die in het beheersgebied aanwezig zijn. In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft het college er uitdrukkelijk op gewezen dat zij de bestaande situatie in het beheersgebied zou legaliseren en dat dat inmiddels was gebeurd door ambtshalve alsnog ligplaatsvergunningen te verlenen.

    Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, [appellante] het betoog dat sprake is van schaarse vergunningen gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen reeds bij de rechtbank kon aanvoeren, en zij dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1183).

    De beroepsgrond faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Soffner

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018

818.