Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201709344/1/A1
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RVS:2017:3149, Afwijzing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

[verzoeker] verzoekt om herziening van de uitspraak van 15 november 2017. Volgens [verzoeker] is hetgeen in het controlerapport van 2 maart 2015 is vermeld, namelijk dat voor de stallen 3 en 4 een gecombineerde luchtwasser in aanbouw was, maar dat deze nog niet volledig aangesloten en in werking was, onjuist en strookt dit ook niet met hetgeen het college in andere correspondentie heeft aangegeven. Hiertoe verwijst [verzoeker] naar brieven van het college van 30 april 2015, 9 juni 2015 en 7 juli 2015, waaruit zou volgen dat de installatie feitelijk in werking was. Indien de Afdeling op de hoogte was geweest van deze brieven, zou volgens hem de Afdeling tot een ander oordeel zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709344/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te Breda,

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3149.

Procesverloop

Bij uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3149, heeft de Afdeling:

- het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Breda gegrond verklaard;

- het incidenteel hoger beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard;

- de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 oktober 2016 in zaken nrs. 16/1015 en 16/1016, voor zover deze betrekking heeft op het besluit tot invordering, vernietigd;

- het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van 18 januari 2016 ongegrond verklaard.

De uitspraak is aangehecht.

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2018, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door D. Oostvogels en B. Suntjens, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."

De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

2.    De bovenvermelde uitspraak van 15 november 2017 heeft betrekking op de invordering van dwangsommen van € 30.000,00. [verzoeker] exploiteert een inrichting bestemd voor het houden van fok- en vleesvarkens en het opslaan en verwerken van bijproducten tot veevoer voor eigen gebruik. Hiertoe is aan hem een omgevingsvergunning verleend, waaraan voorschriften zijn verbonden. Bij besluit van 14 juli 2014 heeft het college [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom onder meer gelast de aan deze vergunning verbonden voorschriften na te leven door de stallen 3 en 4 voor het houden van vleesvarkens uit te voeren conform stalsysteem BWL 2008.01.V1 (of vergelijkbaar). Na het verstrijken van de aan de last verbonden begunstigingstermijn is op 2 maart 2015 ter plaatse een controle uitgevoerd en heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] € 30.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd, omdat de stallen 3 en 4 voor het houden van vleesvarkens niet conform het voorgeschreven stalsysteem zijn uitgevoerd. De Afdeling is tot het oordeel gekomen dat het controlerapport van 2 maart 2015 voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat het college zich op basis van dat rapport terecht op het standpunt heeft gesteld dat [verzoeker] niet heeft voldaan aan de opgelegde last.

Beoordeling van het verzoek

3.    [verzoeker] verzoekt om herziening van de uitspraak van 15 november 2017. Volgens [verzoeker] is hetgeen in het controlerapport van 2 maart 2015 is vermeld, namelijk dat voor de stallen 3 en 4 een gecombineerde luchtwasser in aanbouw was, maar dat deze nog niet volledig aangesloten en in werking was, onjuist en strookt dit ook niet met hetgeen het college in andere correspondentie heeft aangegeven. Hiertoe verwijst [verzoeker] naar brieven van het college van 30 april 2015, 9 juni 2015 en 7 juli 2015, waaruit zou volgen dat de installatie feitelijk in werking was. Indien de Afdeling op de hoogte was geweest van deze brieven, zou volgens hem de Afdeling tot een ander oordeel zijn gekomen.

3.1.    De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van een herzieningsverzoek uitsluitend wordt beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Dit rechtsmiddel dient er niet toe om een geschil waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.

3.2.    Met hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in voormelde bepaling. De brieven van 30 april 2015, 9 juni 2015 en 7 juli 2015 zijn gericht aan [verzoeker]. [verzoeker] was derhalve reeds vóór de uitspraak van 15 november 2017 met deze brieven bekend, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Dat de brief van 9 juni 2015, naar [verzoeker] stelt, in het procesdossier van de rechtbank ontbreekt en derhalve ook niet bij de Afdeling bekend was, doet er niet aan af dat de brief bij hem bekend was. Desgewenst had [verzoeker] de brief in hoger beroep kunnen overleggen. Nu niet is voldaan aan het bepaalde onder b, laat de tekst van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb reeds hierom geen andere conclusie toe dan dat het onderhavige verzoek om herziening niet voor inwilliging in aanmerking komt.

4.    Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Roessel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018

457-842.