Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201709264/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft het CBR aan [wederpartij] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709264/1/A2.

Datum uitspraak: 18 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR)

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2017 in zaak nr. 17/2440 in het geding tussen:

het CBR

en

[wederpartij].

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft het CBR aan [wederpartij] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 9 maart 2017 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2017 heeft de rechtbank het door het CBR daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2017 vernietigd en het besluit van 31 januari 2017 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2018, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. I.S.B. Metaal, is verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het relevante wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Het CBR heeft aan [wederpartij] een EMG - een cursus over verantwoord rijgedrag - opgelegd naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de Politie Eenheid Amsterdam van 18 januari 2017 van het vermoeden dat [wederpartij] niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid waaraan hij gezien het aan hem afgegeven rijbewijs moet voldoen. Dit vermoeden is gebaseerd op een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de politie van 12 januari 2017. Volgens dat proces-verbaal hebben de verbalisanten op 12 januari 2017 omstreeks 12:12 uur waargenomen dat [wederpartij] als bestuurder van een motorrijtuig in Uithoorn ruim 60 kilometer per uur reed in een 30 kilometer per uur zone en een door hen gegeven stopteken heeft genegeerd. Zij zagen dat het voertuig op een kruising slipte en daarbij naar rechts gleed. Het voertuig kwam met dermate hoge snelheid aanrijden en slippen dat de verbalisanten zagen dat de mensen op de kruising schrokken. Op het moment van het slippen van het voertuig reden de verbalisanten vlak achter het voertuig. Zij moesten ook hard remmen om een aanrijding te voorkomen. Volgens het CBR heeft [wederpartij] met zijn rijgedrag herhaaldelijk gedragingen vertoond als genoemd in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, te weten gedrag waaruit een gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer blijkt. Op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994), gelezen in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, diende dan ook een EMG te worden opgelegd, aldus het CBR.

Oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR ten onrechte een EMG aan [wederpartij] heeft opgelegd. Zij heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat de snelheid waarmee [wederpartij] zou hebben gereden niet door middel van apparatuur dan wel een geijkt meetinstrumentarium is opgemeten. Blijkens het proces-verbaal heeft de verbalisant kort op zijn snelheidsmeter gekeken en zag hij dat hijzelf ruim 60 kilometer per uur reed. [wederpartij] heeft gemotiveerd, met verwijzing naar de aard van de weg, betwist dat hij ruim 60 km/u reed op dat moment. Er is geen test gedaan waarbij een geijkte dienstmotorfiets achter het dienstvoertuig heeft gereden. Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van het CBR dat [wederpartij] met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers heeft gereden niet op een zorgvuldig onderzoek naar de feiten. Zij heeft het besluit op bezwaar daarom in strijd geacht met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] door het aantrekken van zijn handrem waardoor zijn auto in de slip raakte, een gedraging heeft verricht als genoemd in de bijlage bij de Regeling, is één gedraging niet genoeg om een EMG op te leggen. Omdat de snelheid van [wederpartij] niet achteraf alsnog kan worden gemeten, zag de rechtbank geen aanleiding het CBR in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen.

Het hoger beroep

4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2204), mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

4.1.    De rechtbank heeft vastgesteld dat het CBR geen test heeft gedaan waarbij een geijkte dienstmotorfiets achter het dienstvoertuig heeft gereden, zoals dat wel in de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330 het geval was. Het CBR betoogt terecht dat deze omstandigheid onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat zijn standpunt dat [wederpartij] met een niet aan de snelheid van de overige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid heeft gereden niet berust op een zorgvuldig onderzoek naar de feiten. Niet is vereist dat het CBR eigen onderzoek doet naar de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, tenzij het objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen. In de omstandigheid dat de snelheid niet met een geijkte boordsnelheidsmeter is gemeten, is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1586, geen grond gelegen om aan de betrouwbaarheid en de juistheid van het proces-verbaal te twijfelen.

    Voor zover de rechtbank heeft overwogen dat [wederpartij], onder verwijzing naar de aard van de weg, gemotiveerd heeft betwist dat hij 60 km/u reed op het moment dat de verbalisant op zijn snelheidsmeter heeft gekeken, heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele opmerking van [wederpartij] dat hij niet zo hard heeft gereden, omdat de weg daar smal is, geen gemotiveerde betwisting is. Een smalle weg staat immers niet in de weg aan een snelheidsovertreding. Blijkens het aanvullend proces-verbaal van 16 november 2017 is het mogelijk om 60 kilometer per uur te rijden over de Wilhelminakade te Uithoorn en is de Wilhelminakade, die overloopt in het Marktplein, gevolgd door de Dorpsstraat, een rechte weg zonder scherpe bochten.  

    Verder heeft het CBR erop gewezen dat uit navraag bij de betreffende verbalisant bovendien is gebleken dat de dienstvoertuigen die de politie Aalsmeer-Uithoorn dagelijks gebruikt zijn voorzien van een geijkte snelheidsmeter en dat ook het voertuig waarmee de verbalisant op 12 januari 2017 omstreeks 12:15 uur reed een geijkt voertuig betreft. Ten bewijze daarvan heeft het CBR aanvullende processen-verbaal van de verbalisant van 16 november 2017 en van 12 december 2017 overgelegd.

    Gelet op het voorgaande heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen grond was om aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisant over de door [wederpartij] gereden snelheid te twijfelen. Gelet op de in het proces-verbaal en in de aanvullende processen-verbaal vermelde feiten en omstandigheden is aannemelijk dat [wederpartij] op 12 januari 2017 de in het besluit van 31 januari 2017 omschreven gedragingen heeft verricht, zodat het CBR op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994, in samenhang gelezen met artikel 14 van de Regeling, gehouden was aan [wederpartij] een EMG op te leggen.

4.2.    Het betoog slaagt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het CBR van 9 maart 2017 alsnog ongegrond verklaren.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2017 in zaak nr. 17/2440;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018

97. BIJLAGE - Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…]

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

[…]

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

Artikel 14

1.    Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

a.    betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

[…]

III. Rijgedrag

[…]

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

[…]

c) niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het ‘hand held bellen’, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

[…]

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a) rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

[…].