Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201708590/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2016 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708590/1/A2.

Datum uitspraak: 18 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2016 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] beëindigd.

Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft het college opnieuw op het daartegen gemaakte bezwaar van [appellante] beslist en dit ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door N.V. Volchenko, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: de Wgs), is een college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. Het college heeft ter uitvoering van die taak de Beleidsregels Schuldhulpverlening Veenendaal (hierna: de Beleidsregels) vastgesteld. Het Budget Advies Centrum (hierna: het BAC) voert de schuldhulpverlening namens het college uit.

2.    Het college heeft [appellante] toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening. Dit betekende dat gedurende een periode van drie jaar haar inkomsten op een hiertoe aangewezen rekening (hierna: de beheerrekening) werden gestort, het BAC het vrij te laten bedrag aan haar voldeed en maandelijks een bedrag, aanvankelijk € 46,00 per maand, reserveerde voor de aflossing van de schulden van in totaal € 8.386,76. Als [appellante] de periode van drie jaar vanaf 1 oktober 2013 goed zou doorlopen, zou de resterende schuld worden kwijtgescholden door de schuldeisers.

3.    Bij het besluit van 26 februari 2016 heeft het college de schuldhulpverlening beëindigd. Het bezwaar van [appellante] hiertegen is niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 26 juli 2016, omdat zij volgens het college geen belang meer had bij een inhoudelijk oordeel hierover. De Afdeling heeft dit besluit bij uitspraak van 19 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1963) vernietigd en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Naar aanleiding hiervan heeft het college het besluit van 19 oktober 2017 genomen.

Bestreden besluit

4.    Aan het besluit van 19 oktober 2017 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellante] de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsplicht heeft geschonden. [appellante] heeft geen melding gedaan van de registratie van een auto op haar naam, noch van de door haar geleende bedragen, noch van uitgaven van in totaal € 674,00 aan tickets. Verder heeft [appellante] volgens het college een boedelachterstand van € 231,00 en een achterstand in de betaling van de vaste lasten laten ontstaan, haar inkomen niet behouden en haar uitkering niet op de beheerrekening laten storten.

Gronden in beroep

5.     [appellante] betoogt dat het college de schuldhulpverlening ten onrechte heeft beëindigd. Volgens [appellante] stond op het moment van de beëindiging nog maar een bedrag van € 600,00 open en was zij bijna klaar met het aflossen van de schulden. [appellante] stelt dat derden slechts kleine bedragen op haar rekening hebben gestort, zodat zij deze niet hoefde te melden, en dat zij geen vermogen heeft, nu de door haar gebruikte auto van haar zus was. [appellante] stelt dat het college haar de kans had moeten geven om de boedelachterstand in te lopen, bijvoorbeeld met een schenking van een familielid. Verder voert zij aan dat zij na haar verhuizing naar Rotterdam steeds de opdracht aan de gemeente heeft gegeven om haar uitkering op de beheerrekening te storten en dat dit dankzij haar inspanningen is gelukt. [appellante] stelt dat het nu eenmaal zo is dat soms wat mis gaat bij trajecten als de onderhavige en dat de kleine onvolkomenheden die zich hier hebben voorgedaan, geen beëindiging van de schuldhulpverlening rechtvaardigen. Op de zitting heeft zij naar voren gebracht dat het college te weinig meegaand is geweest, niet alle mogelijkheden heeft benut om de schuldhulpverlening te continueren en deze te bruusk heeft beëindigd.

Beoordeling

5.1.    De regelgeving die in deze zaak belang is, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5.2.    Bij de geschiedenis van totstandkoming van de Wgs (Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, blz. 1, 11, 14 en 15) heeft de wetgever opgemerkt dat een problematische schuld een belangrijke belemmerende factor voor (volwaardige) participatie is en dat dit de aanleiding is om in te zetten op de brede beschikbaarheid en toegankelijkheid van effectieve gemeentelijke schuldhulpverlening. Deze hulpverlening moet volgens de wetgever toegesneden zijn op de individuele schuldenaar en dus moet er sprake zijn van maatwerk. Dit is voor de schuldenaar niet vrijblijvend. Van de schuldenaar mag volgens de wetgever worden verwacht dat deze zich volledig inzet voor het slagen van de gemeentelijke schuldhulpverlening, omdat de schuldenaar als eerste zelf verantwoordelijk is voor het wegnemen van factoren die participatie belemmeren. Het is daarvoor noodzakelijk dat tijdens een schuldhulpverleningstraject de verplichtingen van de schuldenaar duidelijk vastliggen en dat de schuldenaar ook gehouden is deze verplichtingen na te komen. De wetgever heeft verder opgemerkt dat het voor de effectiviteit van de integrale schuldhulpverlening essentieel is dat de schuldeisers vertrouwen hebben in de wijze waarop de gemeentelijke schuldhulpverlening wordt uitgevoerd, dat recht wordt gedaan aan hun belangen en dat de kwaliteit van de geleverde diensten goed is.

5.3.    In de artikelen 6 en 7, eerste lid, van de Wgs en artikel 4 van de Beleidsregels is neergelegd dat op de verzoeker van schuldhulpverlening een inlichtingen- en medewerkingsplicht rust. Volgens artikel 4 van de Beleidsregels wordt van de verzoeker onder meer verwacht dat hij afspraken nakomt, geen nieuwe schulden aangaat, de vaste lasten (huur, gas, water, licht en ziektekostenpremie) betaalt en zich houdt aan de bepalingen van de schuldregelingsovereenkomst. Volgens artikel 5 van de Beleidsregels kan het college besluiten om de schuldhulpverlening te beëindigen indien de verzoeker de inlichtingen- en medewerkingsplicht niet of in onvoldoende mate nakomt.     

5.4.    Nadat [appellante] tot de gemeentelijke schuldhulpverlening was toegelaten, heeft het BAC haar verzocht het schuldenoverzicht ondertekend te retourneren. Omdat [appellante] niet op dit verzoek, noch op de herhaling hiervan reageerde en zij evenmin was verschenen op de voor haar gemaakte afspraak met een belastingadviseur, heeft het BAC [appellante] op 19 juli 2013 bericht dat het dossier zal worden gesloten als zij niets van zich laat horen vóór 24 juli 2013. [appellante] heeft in reactie hierop per mail van 19 juli 2013 toegezegd dat zij zo spoedig mogelijk het ondertekende schuldenoverzicht aan het BAC zou verstrekken. Het BAC heeft aan de hand van dit overzicht een betalingsvoorstel gedaan aan de schuldeisers. Op 2 oktober 2013 heeft het BAC [appellante] bericht dat alle schuldeisers akkoord zijn gegaan met het betalingsvoorstel.

    Het BAC heeft [appellante] op 3 oktober 2014 verzocht stukken over haar inkomsten en uitgaven en bankafschriften aan te leveren voor de hercontrole. Omdat een reactie van [appellante] uitbleef, heeft het BAC op 14 november 2014 aangekondigd dat het dossier zal worden gesloten en de schuldhulpverlening zal worden beëindigd als zij niet vóór 1 december 2014 reageert op het verzoek. [appellante] heeft alsnog gereageerd en het BAC bankafschriften verstrekt. Daaruit zijn betalingen en ontvangsten gebleken, die [appellante] niet bij het BAC had gemeld, waaronder uitgaven van in totaal € 2.405,99 aan vliegtickets en meerdere ontvangsten van derden, waarbij onder meer is vermeld "deal". Ook is geconstateerd dat [appellante] op 10 februari 2014 een bedrag van € 610,00 op haar bankrekening heeft gestort, waarvan de herkomst het BAC onbekend is, en dat zij regelmatig geld naar een andere bankrekening heeft overgemaakt. Het BAC heeft [appellante] verzocht om de bankafschriften van die bankrekening en om een toelichting op de inkomsten en uitgaven. [appellante] heeft per mail toegelicht dat zij de vliegtickets voor anderen heeft geboekt en de betalingen hiervoor contant heeft gekregen, verschillende mensen gebruik maken van haar bankrekening en dat zij geen extra kosten heeft gehad. Omdat deze toelichting en de constateringen veel vragen opriepen, heeft het BAC in overleg met [appellante] een gesprek gepland. [appellante] is niet verschenen. Op het verzoek van het BAC om bewijsstukken over te leggen waaruit het gestelde blijkt, heeft [appellante] geantwoord dat zij deze niet kan verstrekken, dat zij onder druk is gezet door verschillende personen en dat misbruik van haar bankrekening is gemaakt. Bij mailbericht aan [appellante] van 6 januari 2015 heeft het BAC, mede vanwege het gestelde misbruik, bewindvoering geopperd en uitvoering van de hercontrole aangekondigd.

    Op 17 december 2014 is [appellante] verhuisd naar Rotterdam. Zij heeft op 18 januari 2015 bij het BAC gemeld dat zij de aanvraag van de uitkering bij de gemeente Rotterdam in gang heeft gezet en dat het onduidelijk is wanneer deze zal worden verstrekt. In juni 2015 bleek een boedelachterstand te zijn ontstaan van € 240,00 omdat [appellante] vijf maanden lang niets had afgedragen. Deze achterstand is in de periode van september 2015 tot en met februari 2016 nagenoeg ingelopen door middel van inhouding op de toeslagen van [appellante].

    Op 20 januari 2016 heeft het BAC [appellante] bericht dat de schuldhulpverlening tussentijds zou worden beëindigd, omdat zij niet de stukken heeft aangeleverd voor de hercontrole, ondanks herhaalde verzoeken hierom, waarbij een afspraak voor 3 februari 2016 is gemaakt om de beëindiging te bespreken. [appellante] heeft de stukken alsnog aangeleverd. Het BAC heeft de hercontrole uitgevoerd en [appellante] bericht dat de afspraak desondanks doorgaat. [appellante] heeft haar persoonlijke omstandigheden per mail van 26 januari 2016 toegelicht en zich verontschuldigd voor de niet nagekomen toezeggingen en de verdere gang van zaken. Zij is, naar het college ter zitting heeft gesteld, niet verschenen bij de afspraak van 3 februari 2016 en heeft stukken bij het BAC gebracht.

    Bij brief van 2 februari 2016 is [appellante] geïnformeerd over de bevindingen van de hercontrole. Geconstateerd is dat [appellante] een auto met een waarde van ongeveer € 7.500,00 op haar naam heeft laten zetten, voor een bedrag van € 674,00 aan tickets heeft geboekt, de vaste lasten niet tijdig heeft voldaan en dat nieuwe schulden zijn ontstaan, onder meer aan de zorgverzekeraar en omdat [appellante] geld van derden heeft geleend. Verder is gebleken dat de uitkering van [appellante] is beëindigd per 1 februari 2016, zodat zij haar vaste lasten niet meer kan betalen en geen afloscapaciteit meer heeft.      

5.5.    Uit de onder 5.4. vermelde omstandigheden volgt dat geen sprake was van kleine onvolkomenheden noch van een bruuske beëindiging. Het college heeft [appellante] meerdere keren de gelegenheid geboden om tekortkomingen te herstellen. De schuldhulpverlening is eerst beëindigd nadat [appellante] de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsplicht in de loop van het traject herhaaldelijk had geschonden, onder meer door geen melding te maken van een andere bankrekening, relevante inkomsten en uitgaven niet onverwijld te melden, niet bijtijds te melden dat derden misbruik maakten van haar bankrekening, en de verzochte stukken niet of niet bijtijds te verstrekken en niet te verschijnen op afspraken. Verder volgt hieruit dat [appellante] in strijd met artikel 4 van de Beleidsregels de vaste lasten niet tijdig heeft voldaan en dat nieuwe schulden zijn ontstaan. Het college heeft de schuldhulpverlening dan ook in redelijkheid kunnen beëindigen.

    Het betoog faalt.

Kostenvergoeding in bezwaar

6.    [appellante] heeft tevergeefs naar voren gebracht dat het college een proceskostenvergoeding had moeten toekennen bij het besluit op bezwaar van 19 oktober 2017 omdat het eerdere besluit op bezwaar door de Afdeling is vernietigd bij de uitspraak van 19 juli 2017. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het college heeft terecht op de zitting naar voren gebracht dat geen grond bestaat voor vergoeding van de kosten in bezwaar, reeds omdat het besluit van 26 februari 2016 niet is herroepen.

Conclusie

7.    Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. De Vlieger-Mandour

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018

615.

BIJLAGE

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

Artikel 2

1. De gemeenteraad stelt een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente.

Artikel 3

1. Het college is verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente en voert daarbij het plan, bedoeld in artikel 2, eerste lid, uit.

Artikel 6

De verzoeker doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening of voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 7

1. De verzoeker is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Beleidsregels Schuldhulpverlening Veenendaal

Artikel 4. Verplichtingen

1. Verzoeker doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem  redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op schuldhulpverlening, zowel bij de aanvraag als gedurende de looptijd van het schuldhulpverleningstraject.

2. Verzoeker is verplicht om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens het schuldhulpverleningstraject. De medewerking bestaat onder andere uit:

a. het nakomen van afspraken;

b. geen nieuwe schulden aangaan;

c. vaste lasten (huur, gas, water, licht en ziektekostenpremie) betalen;

d. het zich houden aan de bepalingen van de schuldregelingsovereenkomst.

Artikel 5. Weigeren en beëindigen

Indien verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals neergelegd in artikel 4, leden 1 en 2, kan het college besluiten om schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen.

Artikel 9. Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden

1. Het college kan in zeer bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze regeling, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.