Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
201701799/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:160, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft de raad de aanvraag van [appelllant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701799/1/A2.

Datum uitspraak: 24 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appelllant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 januari 2017 in zaak nrs. 16/2675 en 16/2676 in het geding tussen:

[appelllant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft de raad de aanvraag van [appelllant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft de raad de aanvraag van [appelllant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 18 juli 2016 heeft de raad de door [appelllant] tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2017 heeft de rechtbank de door [appelllant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appelllant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1.    [appelllant] heeft een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor een bezwaarprocedure tegen het besluit van de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) van 27 januari 2016, waarbij het CBR [appelllant] heeft verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid en de geldigheid van zijn rijbewijs heeft geschorst. Tevens heeft [appelllant] een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor een procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende het bezwaar, met als strekking de beslissing van het CBR op te schorten totdat op het bezwaar is beslist. De raad heeft beide aanvragen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) afgewezen omdat het een probleem betreft waarvoor [appelllant] geen advocaat nodig heeft. [appelllant] bestrijdt dit en stelt dat sprake is van een complexe juridische kwestie waarvoor bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

2.    Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appelllant] in zowel de bezwaarprocedure als de voorlopige voorzieningenprocedure geen juridische bijstand van een advocaat nodig heeft. De raad heeft daaraan ten grondslag mogen leggen dat, omdat de procedures laagdrempelig en eenvoudig zijn, van [appelllant] mag worden verwacht dat hij in beide procedures zijn eigen belangen kan behartigen. In bezwaar kan [appelllant] zelf aangeven waarom hij het niet eens is met het besluit van het CBR. Hij kan zelf onder de aandacht brengen dat hij al door de politierechter is veroordeeld voor het rijden onder invloed en daarbij het vonnis overleggen. [appelllant] kan ook zelf aan de orde stellen dat hij door het CBR te laat zou zijn geïnformeerd over de opgelegde maatregel. In de voorlopige voorzieningenprocedure kan [appelllant] zelf aanvoeren dat het van belang is dat de schorsing van zijn rijbewijs wordt opgeheven zodat hij zijn stagewerkzaamheden kan hervatten. Ter onderbouwing hiervan kan hij zijn stageverklaring overleggen. [appelllant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de procedures zodanig feitelijk of juridisch complex zijn dat daarbij hulp van een advocaat noodzakelijk is. De raad heeft de aanvragen in beide zaken mogen afwijzen, aldus de rechtbank.

3.    [appelllant] betoogt dat hij voor een correcte juridische onderbouwing van zijn standpunt in de procedures deskundige hulp van een advocaat nodig heeft. In de procedures dient naar voren te worden gebracht dat de Nederlandse jurisprudentie, die inhoudt dat het CBR ook na een strafrechtelijke veroordeling beslissingen mag nemen over onder meer de geldigheid van het rijbewijs, niet in overeenstemming is met de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft gegeven aan het verbod van dubbele bestraffing voor hetzelfde feit (ne bis in idem-beginsel). Het EHRM hanteert een ruime uitleg van het begrip "hetzelfde feit". Hij is niet in de gelegenheid dit standpunt zelf met jurisprudentie te onderbouwen en er zijn ook geen andere voorzieningen aanwezig, aldus [appelllant].

3.1.    Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb luidt:

"Rechtsbijstand wordt niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet."

3.2.    De raad heeft de aanvragen om een toevoeging afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb. Bij de beoordeling van de vraag, of een aanvraag een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, komt de raad beoordelingsruimte toe. In dit kader heeft de raad beleid ontwikkeld, dat is neergelegd in de ‘Werkinstructie B010 Bestuursrecht’. Onder punt 4 van deze werkinstructie is vermeld dat voor zaken tegen het CBR geen toevoeging wordt verstrekt, omdat de rechtzoekende dit zelf kan. Bij hoge uitzondering kan een toevoeging worden verstrekt. De advocaat dient dan bij de aanvraag gemotiveerd aan te geven dat de zaak zodanig feitelijk en/of juridisch complex is, dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

3.3.    Een beroep op het ne bis in idem-beginsel is onvoldoende om de zaak als juridisch complex aan te merken (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3391). Uit die uitspraak volgt dat een onderzoek naar de rijgeschiktheid en een besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs dat hiermee verband houdt niet als een criminal charge in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kan worden aangemerkt. Dit neemt niet weg dat inhoudelijke bezwaren kunnen bestaan tegen het volgen van een vaste lijn van de Afdeling, dan wel dat naar het oordeel van een belanghebbende aanleiding kan bestaan in zijn geval anders te oordelen, waardoor de zaak juridisch complex is en de bijstand van een advocaat noodzakelijk. In hetgeen [appelllant] naar voren heeft gebracht, is geen grond gelegen voor het oordeel dat dit in dit geval aan de orde is. Zijn stelling dat hij niet in de gelegenheid is om zijn standpunt zelfstandig nader te onderbouwen en dat geen andere bijstand voorhanden is, heeft hij niet met gegevens of bescheiden gestaafd en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad de aanvragen voor een toevoeging heeft mogen afwijzen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018

480-834