Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
201800757/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw Algemene regels over bouwen en gebruik" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2018/6824
ABkort 2018/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800757/2/R2.

Datum uitspraak: 13 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te Utrecht,

2.    [verzoeker sub 2], wonend te Utrecht,

3.    [verzoekster sub 3], gevestigd te Utrecht,

4.    [verzoeker sub 4], wonend te Utrecht,

5.    [verzoeker sub 5], wonend te Utrecht,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw Algemene regels over bouwen en gebruik" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoekster sub 3], [verzoeker sub 4] en [verzoeker sub 5] beroep ingesteld.

Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 juli 2018, waar [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoekster sub 3] en [verzoeker sub 4], beiden vertegenwoordigd door [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 5], en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. van Gelder en mr. F. Koer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Verzoekers zijn eigenaars van percelen in de gemeente Utrecht. Zij stellen dat de raad zonder duidelijke grondslag en noodzaak de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing heeft verklaard op het bestemmingsplan. Daardoor worden volgens hen termijnen voor het indienen van zienswijzen en beroepsgronden verkort en komt de rechtsgang in gevaar. Ook is de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan onvolledig geweest, zijn de indieners van zienswijzen niet gehoord en heeft de raad niet binnen twee weken een verweerschrift ingediend.

2.1.    Het bestemmingsplan bevat volgens het van het bestreden besluit deel uitmakende vaststellingsrapport algemene regels over bouwen en gebruik en omvat alle gebieden van de gemeente Utrecht waar een onherroepelijk bestemmingsplan geldt. Sinds 28 oktober 2016 heeft de gemeente Utrecht op grond van artikel 7g, leden 1 en 4, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet nog maar één onherroepelijk bestemmingsplan, dat bestaat uit alle onherroepelijk vastgestelde bestemmingsplannen van die gemeente. Het gemeentebestuur van Utrecht mag op grond van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet in de geest van de Omgevingswet experimenteren. Dit bestemmingsplan maakt daarvan gebruik door algemene regels te stellen voor alle plangebieden met een onherroepelijk bestemmingsplan in de gemeente. De aanleiding voor het bestemmingsplan is het reguleren van het verbouwen van een woning tot twee of meer woningen en het in gebruik geven of laten geven van onzelfstandige woonruimte. Daarnaast bevat het bestemmingsplan regels ter uitvoering van het parkeerbeleid voor de hele gemeente ter vervanging van de bepalingen in de gemeentelijke bouwverordening over parkeren, die op 1 juli 2018 vervallen, aldus het bestreden besluit.

2.2.    Artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet luidt:

"1. De voor het grondgebied van een gemeente vastgestelde bestemmingsplannen gelden als één bestemmingsplan.

[…]

4. Dit artikel is van toepassing op de gemeenten:

a. […]

p. Utrecht;

[…]".

2.3.    De bepalingen uit hoofdstuk 1 van de Chw, die onder meer betrekking hebben op de door verzoekers genoemde verkorte procedures, zijn alleen van toepassing op de in artikel 1.1 van de Chw genoemde besluiten die vereist zijn voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in dat artikel genoemde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

    Het nu voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in de verwezenlijking van projecten als genoemd in artikel 1.1 van de Chw maar bevat alleen enkele algemene regels over bouwen en gebruik, waaronder het overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen, algemene parkeernormen en regels over woningsplitsing. Het betoog dat de raad met de vaststelling van het bestemmingsplan de bepalingen uit de Chw over verkorte procedures van toepassing heeft verklaard op het grondgebied van de gemeente Utrecht berust dan ook op een onjuiste uitleg van het bestreden besluit.

    Daaraan doet niet af dat volgens de bekendmaking van dat besluit de Chw daarop van toepassing is en de Chw ook voorkomt in de titel van het plan. Dat komt, zo volgt uit de toelichting van de raad, omdat met het bestemmingsplan uitvoering is gegeven aan artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. In deze bepaling staat alleen dat de voor het grondgebied van de gemeente Utrecht vastgestelde bestemmingsplannen als één bestemmingsplan gelden.

    Gelet op het voorgaande mist het betoog feitelijke grondslag.

    Verzoekers hebben hun stelling dat de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan onvolledig geweest niet onderbouwd. De raad is ook niet verplicht om indieners van zienswijzen te horen en op hem rust, nu de procedurele bepalingen uit hoofdstuk 1 van de Chw niet van toepassing zijn, ook niet de verplichting om binnen een verkorte periode een verweerschrift in te dienen.

    De conclusie is dat de inwerkingtreding van het plan niet leidt tot de gevolgen die verzoekers daaraan toekennen. Zij hebben dan ook geen spoedeisend belang bij hun verzoeken. Gelet hierop en gezien het belang van de raad bij de inwerkingtreding van algemene regels over woningsplitsing en parkeren ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verzoeken af te wijzen.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Boermans

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2018

429.