Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201707847/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:4305, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft de rekenkamercommissie een verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) informatie te verstrekken, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/316 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707847/1/A3.

Datum uitspraak: 11 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 augustus 2017 in zaak nr. 16/5004 in het geding tussen:

[appellant]

en

de rekenkamercommissie van De Ronde Venen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft de rekenkamercommissie een verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) informatie te verstrekken, afgewezen.

Bij besluit van 21 september 2016 heeft de rekenkamercommissie het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2017 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De rekenkamercommissie heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft de Afdeling de toestemming verleend, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2018, waar [appellant] en de rekenkamercommissie, vertegenwoordigd door M. de Graaf en mr. C.N. van der Sluis, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij brief van 12 april 2016 heeft [appellant] het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen op grond van de Wob verzocht hem onder meer afschriften te verstrekken van de verslagen van de interviews die zijn gevoerd met de personen vermeld in bijlage 1 bij het rapport 'Raad en college, een goed DUO(+)?' van februari 2016. Dit rapport is door onderzoeksbureau Pro Facto opgesteld in opdracht van de rekenkamercommissie en gaat over de verhouding tussen de raad en het college, waarbij de focus ligt op de besluitvorming over mogelijke samenwerking van De Ronde Venen met Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel. De geplande samenwerking met genoemde gemeenten, de zogenoemde DUO-gemeenten, zou de vorm krijgen van een gemeenschappelijke regeling en starten met samenwerking op ICT-gebied. De achttien geïnterviewde personen zijn de burgemeester, drie wethouders, negen raadsleden, twee voormalig raadleden, de griffier, de gemeentesecretaris en een voormalig gemeentesecretaris. Omdat de onderzoeksverslagen bij de rekenkamercommissie berusten, heeft het college dit verzoek op grond van artikel 4 van de Wob naar haar doorgezonden. Bij het besluit van 12 mei 2016 heeft de rekenkamercommissie op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob geweigerd de interviewverslagen openbaar te maken. Dit besluit heeft zij bij het besluit van 21 september 2016 gehandhaafd.

2.    [appellant] is het niet eens met de ongegrondverklaring van het door hem tegen het besluit van 21 september 2016 ingestelde beroep. Hij voert aan dat het niet openbaar maken van de interviewverslagen een goede en democratische bestuursvoering in de weg staat. De publicatie van het op de interviews gebaseerde rapport heeft geleid tot een politieke crisis in de gemeente. Het is volgens hem in het belang van de waarheidsvinding nodig dat bekend wordt wie wat heeft gezegd. Hierbij wijst hij erop dat volgens de Gedragscode Bestuurlijke Integriteit raadsleden in hun handelen openheid moeten betrachten. Dit heeft volgens hem ook voor de burgemeester en de wethouders te gelden. Verder voert hij aan dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob blijkt dat toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob er niet toe mag leiden dat overheidsorganen informatie achterhouden omdat publicatie daarvan mogelijk een ongunstig licht zou werpen op het door hen gevoerde beleid of de kans op aanvaarding van het door hen voorgenomen beleid zou verkleinen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8748 voert hij voorts aan dat slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer indien het gaat om beroepsmatig functioneren. Verder voert hij aan dat raadsleden, de burgemeester en wethouders ter voorkoming van achterkamerpolitiek en onzuiverheid van oogmerk slechts in zeer bijzondere gevallen een succesvol beroep op vertrouwelijkheid zouden moeten kunnen doen. De rekenkamercommissie heeft ten aanzien van het rapport ook geen gebruik gemaakt van haar in artikel 10, vijfde lid, van de Verordening rekenkamercommissie gemeente De Ronde Venen 2016 neergelegde bevoegdheid om rapporten die aan de raad worden voorgelegd of gedeelten daarvan als geheim aan te merken. Het toezeggen van vertrouwelijkheid aan de geïnterviewden kan volgens hem niet aan de werking van de Wob afdoen. Verder is niet gestaafd dat aan alle geïnterviewden vertrouwelijkheid is toegezegd, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 10, tweede lid, van de Wob luidt: "Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden."

2.2.    De rekenkamercommissie heeft zich in het besluit van 21 september 2016 onder meer op het standpunt gesteld dat het belang van openbaarmaking van de interviewverslagen niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van zowel haarzelf als de geïnterviewden, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob. Volgens haar is zij voor het in haar opdracht laten doen van zorgvuldig en gedegen onderzoek in belangrijke mate afhankelijk van de inbreng van geïnterviewden. Schending van toegezegde vertrouwelijkheid kan belemmerend werken voor toekomstige onderzoeken over actuele politiek en publicitair gevoelige onderwerpen. Voorts kan volgens haar het bekend worden van de uitlatingen van de geïnterviewden in openhartige en persoonlijke bewoordingen de verhoudingen in college, raad of ambtelijke organisatie, en de verhoudingen in privésfeer of werkkring benadelen, en tot imagoschade voor deze personen leiden.

2.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht het standpunt van de rekenkamercommissie onderschreven dat het belang van openbaarmaking van de interviewverslagen niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de commissie zelf. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de interviews zijn verwerkt in het rapport van februari 2016 en dat het rapport als openbaar stuk aan de raad is gezonden. Van achterhouden van informatie om oneigenlijke redenen is geen sprake. Het is de taak van de rekenkamercommissie om onderzoek te doen naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Om deze taak effectief te kunnen verrichten, moet de rekenkamercommissie de door een onderzoeksbureau dat in haar opdracht werkt van te voren aan geïnterviewden toegezegde vertrouwelijkheid in acht nemen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zal door openbaarmaking van de interviewverslagen de toegezegde vertrouwelijkheid worden geschonden, wat gevolgen kan hebben voor de bereidheid van personen om in de toekomst aan dergelijke onderzoeken medewerking te verlenen. Dat de geïnterviewden vertrouwelijkheid is toegezegd, heeft de rechtbank terecht aannemelijk geacht op grond van een door de rekenkamercommissie in beroep overgelegde verklaring van Pro Facto van 1 december 2016 waarin is vermeld dat met alle gesprekspartners vertrouwelijke omgang met de gespreksverslagen is afgesproken en dat is toegezegd dat in het rapport niet op tot de persoon herleidbare wijze uit de gesprekken wordt geciteerd.

    Reeds gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.    

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Borman    w.g. Hartsuiker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018

620.