Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201703834/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3102, heeft de Afdeling het door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2014 in zaken nrs. 13/2969 en 13/2970 vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard, en het bij de rechtbank tegen het besluit van het college van 20 maart 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de Afdeling het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/802
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703834/1/A2.

Datum uitspraak: 11 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Eindhoven,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven

Procesverloop

Bij uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3102, heeft de Afdeling het door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2014 in zaken nrs. 13/2969 en 13/2970 vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard, en het bij de rechtbank tegen het besluit van het college van 20 maart 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de Afdeling het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen dit op 30 maart 2017 verzonden nieuwe besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.N.H. van de Waerdt Kepers en mr. A.A.M. Bruggeman, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] is sinds 19 juli 1985 eigenaar van de panden [locatie 1], [locatie 2]/[locatie 3] en [locatie 4] te Eindhoven. Hij verhuurt de begane grond van deze panden als bedrijfsruimte en de eerste en tweede verdieping als woonruimten. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te lijden ten gevolge van het nieuwe appartementencomplex op het terrein aan de Zwembadweg tegenover de panden. Doordat een parkeerterrein tegenover de panden is bebouwd, is er vanuit de panden geen vrij uitzicht meer op het park en zijn de panden niet langer goed bereikbaar, omdat er geen parkeerplaatsen meer in de buurt zijn. Volgens [appellant] heeft de realisering van het appartementencomplex geleid tot vermindering van privacy en lichtinval.

2.    Het appartementencomplex is door het college vergund met een vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: het vrijstellingsbesluit). Deze vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring.

3.    Bij besluit van 7 juni 2012, gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2013, heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op een advies van de SAOZ van maart 2012. De SAOZ heeft op basis van een vergelijking van het vrijstellingsbesluit met het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring geconcludeerd dat het vrijstellingsbesluit [appellant] niet in een planologisch nadeliger positie heeft gebracht.

    De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard.

4.    In de uitspraak van 7 oktober 2015 heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat de aanvraag van [appellant] beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De Afdeling is verder van oordeel dat de woonbestemming voor de locatie van het appartementencomplex eerst mogelijk is gemaakt door het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring en het vrijstellingsbesluit is genomen ter doorbreking van het bouwverbod dat op grond van dit plan gold. Omdat het appartementencomplex slechts mede gerealiseerd kon worden op grond van het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring, had het college ook een vergelijking tussen het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring enerzijds en het daarvoor geldende planologische regime, het bestemmingsplan Herziening V van het uitbreidingsplan Gestel I (hierna ook: het oude plan), anderzijds bij zijn besluitvorming dienen te betrekken.

    De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het door [appellant] bij de rechtbank tegen het besluit van 20 maart 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het college opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en bepaald dat tegen dit te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

    Het besluit van 30 maart 2017

5.     Bij besluit van 30 maart 2017 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 7 juni 2012 en dat bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan een advies van de SAOZ van  augustus 2016 ten grondslag gelegd

6.    De SAOZ is in dit advies enerzijds ingegaan op de mogelijk planologisch nadeliger situatie als gevolg van het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring, door dit plan te vergelijken met het bestemmingsplan Herziening V van het uitbreidingsplan Gestel I, en anderzijds op de mogelijk planologisch nadeliger situatie als gevolg van het vrijstellingsbesluit, door dit besluit te vergelijken met het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring.

7.    In het advies is vermeld dat het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring een grotere bebouwingsmassa en een breder bebouwingsfront mogelijk maakt op kortere afstanden van de panden van [appellant] in vergelijking tot hetgeen mogelijk was op grond van het ter plaatse voorheen geldende bestemmingsplan. De nieuwe bebouwingsmogelijkheden leiden tot schaduwwerking en vermindering van zonlicht. De toegenomen gebruiksintensiteit zal tot een wat grotere belasting voor de directe omgeving leiden en tot verminderde privacy. De verdere verdichting van de directe omgeving heeft een enigszins negatief effect op de situeringswaarde van de panden. Het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring heeft [appellant] ook een planologisch voordeel opgeleverd. Onder het oude bestemmingsplan was alleen gebruik ten behoeve van een eengezinsmiddenstandshuis (hierna: eengezinswoning) dan wel, na ontheffing, ten behoeve van een kantoor mogelijk. In de nieuwe planologische situatie zijn naast de woonfunctie meer gebruiksfuncties mogelijk gemaakt, zoals het gebruik van de begane grond ten behoeve van een bedrijf of detailhandel en aanverwante dienstverlening en de daarbij behorende herstellings- en of productieruimten, showrooms, kantoren en praktijkruimten.

    De SAOZ heeft geconcludeerd dat de planologische wijziging per saldo heeft geleid tot een lichte planologische verslechtering. De aard en ernst van deze inbreuk schat de SAOZ, mede gelet op het planologische voordeel, als betrekkelijk licht. In het advies is over de waardering van het planologisch nadeel het volgende vermeld. De panden ontlenen hun hoogste waarde aan de verhuur. De marktwaarde van verhuurde objecten wordt bepaald door de huurwaarde te kapitaliseren met een bepaald rendementspercentage. De hoogte van de huurwaarde is een belangrijke indicatie of er sprake is van nadeel. Gelet op de indeling van de panden, verhuurde bedrijfsruimte op de begane grond en de verhuur van relatief kleine, gunstig nabij het centrum gelegen kamers op de eerste en tweede verdieping, is de SAOZ van oordeel dat het lichte planologische nadeel geen gevolgen zal hebben voor de verhuuropbrengsten en de verhuurbaarheid. Volgens het advies heeft [appellant] geen vermogensschade geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring.

    Het vrijstellingsbesluit heeft in vergelijking met het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring voor [appellant] niet geleid tot een planologisch nadeliger positie, aldus het advies van de SAOZ.

    Het beroep

Inschakeling SAOZ

8.    [appellant] betoogt allereerst dat het college het advies van de SAOZ van augustus 2016 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Daartoe betoogt hij primair dat het college in de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 aanleiding had moeten zien een andere adviseur in te schakelen.

9.    Volgens vaste rechtspraak (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van  28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582) mag een bestuursorgaan, indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

10.    De SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Het betrokken bestuursorgaan mag in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies afgaan. Anders dan [appellant] betoogt, heeft het college in de uitspraak van 7 oktober 2015, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het college de aanvraag te beperkt heeft opgevat en een nieuw deskundigenadvies moet inwinnen, geen aanleiding hoeven te zien niet opnieuw de SAOZ om advies te vragen en van zojuist genoemd uitgangspunt af te wijken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 7 oktober 2015 niet overwogen dat het college een andere deskundige moest inschakelen.

Hoofdbebouwing op kortere afstand

11.    [appellant] betoogt dat onder het bestemmingsplan Eindhoven binnen de ring op kortere afstand dan 12 meter, gemeten vanaf de voorgevel van de panden aan de Zwembadweg, hoofdbebouwing kan worden opgericht. De bestaande Zwembadweg is op de plankaart alleen door middel van een zwarte lijn aangegeven. De onderliggende gronden van de weg hebben de bestemming Centrumrandgebied. Nu de breedte van de weg niet is vastgelegd, is niet uit te sluiten dat op 4 meter afstand bebouwing kan worden opgericht, terwijl in het oude plan een breedte van de weg van minimaal 12 meter was gegarandeerd.

12.    Dit betoog faalt. In het advies van de SAOZ is vermeld dat bij de maximale invulling van de planologische mogelijkheden rekening is gehouden met de plankaart behorend bij het bestemmingsplan Eindhoven binnen de ring en met de verklaring en de tekst van het renvooi. Op de plankaart is op een afstand van 8 meter ten zuiden van de panden van [appellant] een dikke zwarte lijn aangeduid (met een breedte van ongeveer 4 meter), volgens de verklaring ‘Overige wegen, geen erfinrichting’. Gelet op deze verklaring en situering van de aanduiding ‘overige weg’, mede gelet op de afstand daarvan tot de panden van [appellant], is in het advies er terecht van uitgegaan dat de Zwembadweg, inclusief een stoep aan weerszijden en parkeerplaatsen, een breedte heeft van 12 meter en dat op een afstand van 12 meter ten zuiden van de panden bebouwing kan worden opgericht.

Verdwijnen directe parkeermogelijkheid

13.    [appellant] betoogt voorts dat in het advies van de SAOZ is miskend dat op 15 meter afstand van de panden, schuin aan de overzijde van de Zwembadweg, parkeerplaatsen zijn verdwenen als gevolg van het nieuwe plan. Het verdwijnen van parkeermogelijkheden heeft volgens hem een negatieve invloed op de verhuurbaarheid van de onroerende zaken. Voorheen was in de bedrijfsruimte een sportschool, een dansstudio en een kerk gevestigd. Deze huurders zijn vertrokken wegens het verdwijnen van parkeermogelijkheden ter plaatse, aldus [appellant].  

14.    In het oude plan hadden de gronden aan de overzijde van de Zwembadweg ten zuiden van het perceel van [appellant] de bestemming "Kantoren (K3), Tuin, Parkeerruimte en Wegen". Op de gronden met bestemmingen Tuin, Parkeerruimte en Wegen mocht niet worden gebouwd. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften kon ontheffing worden verleend om onder meer transformatorhuisjes, kiosken en telefooncellen te bouwen. Dat betekent dat ook onder het oude regime het planologisch mogelijk was dat parkeerplaatsen zouden worden opgeheven. Daarbij komt dat ook in de nieuwe situatie, uitgaande van een maximale invulling, ter plaatse van de Zwembadweg parkeermogelijkheden bestaan. Ingevolge de bestemming Centrumrandgebied zijn de op de kaart voor Centrumrandgebied II aangegeven gronden onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen waaronder autoboxen.

    Het betoog faalt.

Taxatie

15.    [appellant] betoogt dat de SAOZ niet heeft onderkend dat de nadelige planologische wijziging heeft geleid tot vermogensschade. Ten onrechte heeft de SAOZ geen gecertificeerde taxateur ingeschakeld voor de waardering van het planologisch nadeel. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft [appellant] bij brief van 14 maart 2016 een "Memo reactie op herzien advies van augustus 2016" van 20 september 2016 van taxateur en planschade deskundige F. Alberts RT, verbonden aan Van Ameyde Waarderingen te Arnhem, een gecertificeerd taxatie- en rentmeesterkantoor, overgelegd. In deze memo is vermeld dat de marktwaarde van een verhuurd pand slechts voor een klein deel wordt bepaald door de huurprijs die de zittende huurder betaalt. Een koper houdt rekening met de verhuurbaarheid en de reële markthuur van het object op het moment dat dit leeg komt te staan. De SAOZ heeft miskend dat de nadelige planologische wijziging van invloed is op de verhuurbaarheid en de courantheid van het vastgoed. In zoverre is de beoordeling en waardering van het planologisch nadeel onjuist en onvolledig, aldus [appellant].

16.    [appellant] heeft blijkens het memo van Van Ameyde commentaar op de deskundigheid van de voor de SAOZ werkzame taxateur mr. A.A.M. Bruggeman KRMT en rentmeester NVR. Bruggeman is ingeschreven in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen. Daarin staat hij vermeld met als vakgebieden makelaar/taxateur, omgevingsrecht, overheidsaansprakelijkheid en rentmeesterschap. Op grond hiervan moet ervan uit worden gegaan dat Bruggeman op die gebieden deskundig is en dus als taxateur mocht worden ingeschakeld door de SAOZ.

17.    De SAOZ heeft in het advies vermeld dat aan [appellant] geen vergoeding dient te worden toegekend voor de lichte planologische verslechtering als gevolg van het bestemmingsplan Eindhoven binnen de ring. De door [appellant] genoemde schadefactoren als verlies van uitzicht, dag- en zonlichtvermindering, inbreuk op de privacy, geluidsoverlast en de situeringswaarde zijn daarbij betrokken, evenals het planologisch voordeel dat [appellant] heeft genoten, omdat hij onder het nieuwe plan de begane grond ten behoeve van een bedrijf of detailhandel en aanverwante dienstverlening kan gebruiken.

    Het standpunt van de SAOZ dat het planologisch nadeel per saldo als betrekkelijk licht kan worden aangemerkt, is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor de waardering van het planologisch nadeel. [appellant] heeft niet weersproken dat op de peildatum de panden hun hoogste waarde ontleenden aan de verhuur. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de SAOZ het planologisch nadeel bij de panden onjuist heeft gewaardeerd. [appellant] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de verhuurbaarheid van de relatief kleine, gunstig nabij het centrum gesitueerde kamers op de peildatum minder is geworden of dat de komst van het appartementencomplex van invloed is op huuropbrengsten. Anders dan [appellant] betoogt, was de SAOZ onder deze omstandigheden niet gehouden het lichte planologische nadeel te kwantificeren. Voor zover hij betoogt dat de nieuwe planologische situatie van invloed is op de verhuurbaarheid van de bedrijfsruimte op de begane grond, omdat het voor vrachtwagens lastiger manoeuvreren is in de straat, is van belang dat eerst met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Eindhoven binnen de Ring deze ruimten voor bedrijven konden worden gebruikt, zodat in zoverre zich geen planologische verslechtering heeft voorgedaan.

18.    De slotsom is dat het beroep van [appellant] tegen het besluit van 30 maart 2017 ongegrond is.

    Overschrijding redelijke termijn

19.    [appellant] betoogt tenslotte dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.

20.    Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Nu het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in dit geval betrekking heeft op de procedure ten aanzien van een besluit dat vóór 1 juli 2013 is bekendgemaakt, is hierop het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Bij het ontbreken van een wettelijke regeling voor verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, kan deze bepaling naar analogie worden toegepast.

21.    Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, van toepassing, omdat het primaire besluit vóór 2 februari 2014 bekend is gemaakt. Op deze zaak worden in overeenstemming met de in die uitspraak van 29 januari 2014 opgenomen overgangsregeling de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde.

22.      Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

23.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4653) vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt.

24.     In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2137.

25.    De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00, JB 2006, 134).

26.     Vanaf de ontvangst door het college op 7 juli 2012 van het bezwaarschrift van [appellant] tegen het besluit van 7 juni 2012 tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaren en vier dagen verstreken. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden. In dit geval geven de onder 25 vermelde criteria geen aanleiding om een langere termijn gerechtvaardigd te achten. Omdat de rechtbank en de Afdeling in deze procedure binnen een termijn van twee jaar uitspraak hebben gedaan, moet deze overschrijding geheel worden toegerekend aan het college.

27.    De Afdeling zal, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, het college, met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan [appellant] als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

28.     Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn dient in zoverre te worden toegewezen.

29.    Het college dient op de hierna aangegeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 501,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Zowel voor het indienen van het verzoek, als het verschijnen ter zitting is 1 punt toegekend, beide met wegingsfactor 0,5.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven om aan [appellant] te betalen een vergoeding van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 547,17 (zegge: vijfhonderdzevenenveertig euro en zeventien cent), waarvan € 501,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Van Altena

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018

299.